kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30-12-2015 voor het laatst bewerkt.

Aldo van Eyck

Aldo Ernest van Eyck

Nederlandse architect van het structuralisme, geboren 16 maart 1918 Driebergen-Rijsenburg - overleden 13 januari 1999.

'Maak van elk huis een kleine stad en van elke stad een groot huis'

Biografie
Van Eyck werd geboren in Driebergen als zoon van de dichter Pieter Nicolaas van Eyck en moeder van Joods-Surinaamse afkomst die grote liefde had voor tuinieren.

Een jaar na Aldo van Eycks geboorte ging het gezin naar Londen; vader volgde Pieter Geyl op als correspondent van het NRC.

Hij groeide op in Golders Green bij Londen,

1924-1932: King Alfred School Londen
1932-1935: Sidcot School, Winscombe, Somerset

1935-1938: MTS, Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, Den Haag
1939-1942: Eidgenossische technische Hochschule, Zurich
Studeerde af aan de Technische Hochschule van Zürich waar hij in een bar zijn vrouw Hannie leerde kennen die eveneens architect was.

1943: trouwt in Zurich met Hannie van Roojen
1945: dochter Tess geboren

sinds 1946: lid van de 8 en Opbouw

1947: Nederlands gedelegeerde voor opheffing CIAM

Vanaf 1947 vele studiereizen, met zijn vrouw, naar alle continenten - in hoofdzaak naar archaische culturen.

1948: zoon Quinten geboren

1948-1951: participatie COBRA

1946-1951: werkzaam bij SO, Publieke Werken Amsterdam
Aldo van Eyck werd door 'de moeder van het bos' Jakoba Mulder (1900-1988) naar Amsterdam gehaald. Mulder speelde een belangrijke rol in de stadsuitbreiding van Amsterdam en ontwierp het Amsterdamse Bos en ook het Beatrixpark. Ze constateerde een sterke behoefte aan speeltuinen in Amsterdam. Aldo van Eyck werd aangetrokken om die te ontwerpen. Overal in Amsterdam werden speeltuinen van zijn ontwerp geplaatst.
Aldo van Eyck kwam in 1947 op 28-jarige leeftijd in dienst bij de Amsterdamse Publieke Werken, afdeling Stadsontwikkeling. Na een korte periode aan stadsuitbreidingen te hebben gewerkt, kreeg hij de opdracht om een speelplaats op het Bertelmanplein te ontwerpen. In Amsterdam bestonden toen alleen afgesloten speeltuinen die beheerd werden door speeltuinverenigingen. Kinderen moesten lid zijn om er te kunnen spelen. In de woonbuurten zelf waren niet of nauwelijks speelvoorzieningen voor kinderen. Op initiatief van Jakoba Mulder die leiding gaf aan de ontwerpgroep waar Aldo van Eyck deel uit maakte, werd het plan geïnitieerd om iedere buurt in Amsterdam een kleine openbare speelplaats te geven. De eerste speelplaats op het Bertelmanplein was een experiment.

Vele ontwerpen volgenden waarbij Aldo van Eyck zich, afhankelijk van de locatie, bediende van een aantal compositie technieken. Met de speelplaatsen kon hij zijn ideeën over architectuur, over relativiteit en verbeelding, in de praktijk brengen. Relativiteit had betrekking op een werkelijkheid waarin de samenhang van de elementen werd bepaald door hun onderlinge relaties en niet door een centraal, hiërarchisch ordeningsprincipe. Hiermee samenhangend werd de werkelijkheid dan ook niet meer gedomineerd door een vast centrum, maar waren alle elementen gelijkwaardig. De speelplaatsen die Aldo van Eyck ontwierp kunnen gezien worden als oefeningen van niet-hiërarchische composities. Door de plaatsing van verschillende elementen, waaronder ook zitbanken, bomen en hagen, en door gebruik te maken van verschillende kleuren stoeptegels werden de iele metalen duikelrekjes net zo belangrijk en waren ze net zo aanwezig als de grote betonnen zandbak, die door zijn vorm rond of met afgeronde hoeken ook weer een zekere zachtheid uitstraalde.
De speeltoestellen, zoals de duikelrekjes, de klimboog, de klimkoepel en de klimtrechter werden door Aldo van Eyck zelf ontworpen, en uitgetest door zijn kinderen. Het ontwerpen van de speeltoestellen beschouwde hij als een integraal onderdeel van de ontwerpopgave. De speelelementen moesten de fantasie van de kinderen prikkelen. Behalve voor klimmen en koppeltjesduiken kon de klimboog ook dienen als praatheuvel, uitkijkpost, en met een kleed eroverheen ook als hut. In heel Nederland werden zandbakken, klimbogen en springstenen geplaatst. Van 1947 tot medio 1955 ontwierp hij rond de zestig speelplaatsen, na 1955 kwamen daar ook speelplaatsen voor de naoorlogse uitbreidingswijken bij. Met name deze speelplaatsen werden min of meer seriematig ontworpen.
Aldo van Eyck bleef tot 1951 in dienst van de gemeente waarna hij zijn eigen bureau begon.

1951: Triennale Milaan, Nederlandse afdeling samen met Jan Rietveld

1951-1954: docent kunstgeschiedenis AKI Enschede
1950-1966: docent kunstnijverheidsonderwijs, KNO Amsterdam

Samen met architecten als de Smithsons, Georges Candilis en Shadrach Woods richtte hij in 1953 Team X ( Team 10 ) op. Met Team X maakten hij zich sterk om architectuur te beschouwen vanuit begrippen als relatie en interactie, en niet als een resultante van een analytische studie van functies zoals moderne architecten voorheen de opgave benaderden.

Van Eyck was een van de architecten van het dorp Nagele in de Noordoostpolder (1955).

1955 - 1964 Ontwierp het Burgerweeshuis te Amsterdam.
Het voormalig Burgerweeshuis in Amsterdam, indertijd in de volksmond 'kafferdorp' genoemd, is zo'n ontwerp waarin alles samenkomt wat Aldo van Eyck tot zo'n bijzonder architect maakt. Het staat haaks op de uniforme rationaliteit, die in eerste naoorlogse decennium het Nederlandse architectonische landschap bepaalde. Behalve door de modernisten en surrealisten van het begin van deze eeuw heeft Van Eyck zich altijd laten inspireren door de cultuur van 'primitieve' volkeren. Het voormalige Burgerweeshuis met zijn ruim tweehonderd kleine en acht grote koepels is daar een mooi voorbeeld van. Je waant je in een karavanserai. Een kleine stad, inderdaad. Een stad ook, die alleen dankzij een particulier initiatief van sloop kon worden gered.

van 1959 tot 1963 en 1967 zat hij in de redactie van het tijdschrift Forum,
Eind jaren vijftig onstond er weerstand tegen het gestandaardiseerde bouwen van de functionalisten van het Nieuwe Bouwen. Met name Aldo van Eyck spuidde met anderen zijn aversie in het tijdschrift Forum. Het functionalisme had de creativiteit gedood en de mens vergeten. Als redacteur van Forum ijverde hij voor een terugkeer naar een meer humane architectuur, bouwkunst waarin rekening wordt gehouden met de menselijke maat en die als omhulsel voor het gemoed kan dienen.

Afrikaanse volksarchitectuur was een van zijn belangrijkste inspiratiebronnen. Uit de Afrikaanse stedenbouw haalde Aldo van Eyk het idee dat de complexiteit van de samenleving en de menselijke emotionele en sociale behoeften in de bouw moest worden weerspiegeld. Grote complexen worden door hem opgebouwd uit kleine eenheden op een menselijke schaal. Het resultaat van deze aaneenschakeling van repeterende vormen geen afgerond gebouw, maar een struktuur die in principe in alle richtingen is uit te breiden.

1956-1961: docent Academie voor Bouwkunst, Amsterdam

1960: Sikkensprijs samen met Constant
1961: Sikkensprijs samen met Joost van Roojen

1961-1968: gastdocent - Universiteit van Pennsylvania, Philadelphia; Washington Universiteit St. Louis; Harvard Universiteit, Cambridge Massachusetts; Tulane Universiteit, New Orleans; School of Architecture, Singapore.

1964 - 1969 Rooms-katholieke kerk van de pastoor Van Ars-parochie Den Haag

1964: Architectuurprijs van de stad Amsterdam voor het Weeshuis
1965: eerste prijs Protestantse kerk Driebergen

1965: verhuist van Amsterdam (Binnenkant 32) naar Loenen, Dorpsstraat 44 (door hemzelf verbouwd 18e eeuws pand)

Van Eyck was van 1966 tot 1976 buitengewoon hoogleraar aan de Technische Universiteit van Delft

1967: eerste prijs stadhuis Deventer

1968: Triennale Milaan, 'Greater Number'

1970: eerste prijs Nieuwmarktplan, Amsterdam - samen met Theo Bosch

Van 1971 tot 1982 werkte hij samen met Theo Bosch, en vanaf 1982 tot zijn overlijden samen met zijn vrouw.

1973: eerste prijs Historisch Museum Zwolle - samen met Hannie van Eyck

1973 - 1978 Hubertushuis, Plantage Middenlaan, Amsterdam
Van Eyck wordt gezien als de representant van het Nieuwe Bouwen, de stroming van de moderne architectuur in Nederland. In het Hubertushuis in Amsterdam zijn de principes van deze stijl, zoals van Eyck die verstaat, consequent uitgewerkt binnen een bestaande stedelijke situatie.

Van Eyck zette zich af tegen het doorgeschoten functionalisme van na de Tweede Wereldoorlog, dat hij betichtte van een gebrek aan originaliteit. En de huidige architectuur noemde hij in een recent schotschrift nog het werk van 'mentaal onstabiele trendjagers'. Van Eyk nam zijn vak dan ook bloedserieus. Hij ontpopte zich als een onvermoeibaar polemist, die geregeld zijn pijlen richtte op degenen die het vak in zijn ogen te grabbel gooiden. Ook de bestuurders van de TU Delft, waar Van Eyk tussen 1966 en 1976 buitengewoon hoogleraar was, werden daarbij niet gespaard: de luidruchtige vete die hij in de tweede helft van de jaren zeventig met 'het Politbureau' uitvocht is legendarisch. De architectuurhistoricus Bernard Coolenbrander, die Het Burgerweeshuis wegzette als een 'irreëel sprookje', is de laatste die zich de woede van de 80-jarige architect op de hals haalde

1976: Biennale Venetie, Europa-Amerika; 25 hedendaagse architecten

1976-1977: Duitsland en Zwitserland, tentoonstelling ‘Negen Architecten'

1977-1978: gasthoogleraar ETH, Zurich

sinds 1979: Paul Philippe Cret Professor of Architecture, Universiteit van Pennsylvania

1979: Eredoctoraat New Jersey Institute of Technology
1979: Eredoctoraat Tulane University
1979: Erelid Staatlichen Kunstacademie Dusseldorf
1981: Lid Koninklijke Academie van Belgie
1981: Honor fellow The American Institute of Architects, FAIA

1982: Rotterdam-Maaskantprijs en Wihuri International Prize (Finland)

Kantorencomplex Tripolis (i.s.m. H. van Eyck) Amsterdam 1990 - 1994

architecten-echtpaar gebracht. De expositie is vrijwel identiek aan de presentatie vorig jaar op de Documenta X in Kassel. Van Eycks oude en nieuwe werk geeft voeding aan de stelling: eens rebel, altijd rebel. Hij kon het niet laten, feestvarken of niet. Tijdens de opening van de aan hem gewijde tentoonstelling haalde Aldo van Eyck in het NAi nog even genadeloos uit naar wat hij noemt de 'mafia van museumdirecteuren.' "Kaffers zijn het," spuwde hij zijn gal. "Kaffers, wanneer ze mij geen opdracht geven. Nu kan het nog."

14 januari 1999 overleden - Van Eyck zocht het louter in de humane kant van de architectuur. Een gebouw dient mensvriendelijk te zijn, de mens staat centraal. En het exterieur is alleen belangrijk in samenspraak met het interieur; het gebouw mag nooit monumentaal worden. Bij Van Eyck telt het innerlijk het zwaarst, met de nadruk op de verbeelding ervan. 'Je hoeft geen mensenvriend te zijn om mensvriendelijke architectuur te bepleiten,' betoogde hij in een artikel in het architectenvakblad Archis. 'Een gebouw is geen supergroot consumptieartikel'. Aldo van Eijck weigerde zich in te schrijven als architect omdat hij vondt dat het een vrij beroep moest blijven. Aldo van Eyck is leraar van Herman Hertzberger, Piet Blom en Patrick Vogel. Blom studeerde bij Aldo van Eyck aan de Academie voor Bouwkunst te Amsterdam.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 894.