kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 17 06 2016 10:09 voor het laatst bewerkt.

architectuur

Architectuur (bouwkunst)

Kunsttak die zowel het ontwerpen van bouwwerken als het uitvoeren ervan tot voorwerp heeft.

Tot de architectuur behoort het bouwen van burgerlijke en godsdienstige bouwwerken, het verzorgen van de binnenruimte(binnenhuisarchitectuur) terwijl in de geschiedenis ook de militaire architectuur een grote plaats heeft ingenomen, vooral in de middeleeuwen en in de renaissance, toen kastelen, burchten en bastions niet alleen verdedigingswerken waren, maar ook een monumentale uitdrukking wilden geven van macht en grootheid.

Architectuur was dus niet alleen een uiting van de scheppende kwaliteiten van een kunstenaar maar gaf vooral ook concreet gestalte aan een geheel van sociale, economische en ideeele betrekkingen.
Uit de bouwwerken van een beschaving kunnen wij tastbaar en direct de geschiedenis van die beschaving aflezen. De geschiedenis van de architectuur is de moeilijkste en de meest ingewikkelde en tegelijk ook de boeiendste en de belangrijkste.

De Oudheid
Reeds vroeg werd een onderscheid gemaakt tussen de werken met een monumentaal karakter, zoals gebouwen die voor plechtigheden van godsdienstige of politieke aard bestemd waren, en de woning- en utilitaire bouw. Deze was min of meer onafhankelijk van de invloed van de techniek die bij het bouwen van monumentale werken werd toegepast.

Tot de oudste manifestaties van de architectuur kunnen we de hunebedden in Drenthe rekenen en de reusachtige dolmens, prehistorische monumenten die in het derde en tweede millennium vC zijn opgericht, en bestaan uit reusachtige brokken steen die rusten op verticaal geplaatste stenen. Tot die eerste vormen van architectuur behoren ook de soms honderden meter lange rijen rotsblokken zoals die in Carnac (Bretagne), en de Menhirs, grote grafmonumenten van losse stenen, die met machtige werktuigen zijn aangevoerd en opgericht. Niet zozeer de bewerking als wel de weloverwogen opeenstapeling van de stenen is hier van belang. Ook in Engeland bestaan voorbeelden van deze megalitische monumenten, met cirkelvormige plattegrond, zoals in Stonehenge in Salisbury.

Trulli di Puglia

De woningbouw was in Noord-Europa lange tijd vooral op een vierkante plattegrond gebaseerd, zoals dat nu ook nog op het platteland voorkomt. Soms werden uit veiligheidsoverwegingen bij meren of in moerassen de huizen op palen gebouwd. In het Middellandse-Zeegebied echter ontstond een soort woning met een cirkelvormige plattegrond en een kegelvormig dak, gedeeltelijk van steen en gedeeltelijk van hout en stro die in haar meest ontwikkelde vorm als de huidige 'trulli' in Alborello en in andere gedeelten van Apulie voorkomen. In het alpengebied worden nog steeds de traditionele hutten aangetroffen die uit op elkaar gestapelde boomstronken vervaardigd zijn.

Egypte en Mesopotamie
De bouwkunst komt in haar tweede grote ontwikkelingsfase wanneer het materiaal niet meer in zijn bestaande vorm direct wordt verwerkt, maar eerst ontgonnen wordt (steengroeven) of gefabriceerd (bakstenen, aardewerk, enz.). Dit gebeurde in Egypte en Mesopotamie ongeveer 3000 jaar v.C., toen in plaats van de muren uit in de zon gedroogde leem op te trekken vooraf blokken klei gedroogd of gebakken werden, die soms, om ze duurzamer te maken, van een glazuurlaag werden voorzien, en in rijen op elkaar gestapeld. Deze geglazuurde stenen kwamen voor in Mesopotamie in de grote koningspaleizen, in de stadspoorten, enz. Ook werden vierkante stenen gebruikt, die in de steengroeven in de gewenste vorm weren uitgehakt. Hierdoor werd een grotere regelmaat in de bouw mogelijk en konden de afmetingen juister bepaald worden.

Dit bracht ook een vorm van specialisatie op de bouwplaats met zich mee, en veronderstelt ook een meer ontwikkelde bekwaamheid van de ontwerper en een betere spciale en economische organisatie. Grote bouwkundige prestaties bleven lange tijd het voorrecht van de priesterstand en van machtige vorsten zodat heiligdommen en tempels, koningspaleizen en, in de landen waar de doden cultus een grote plaats innam, de graftomben de belangrijkste bouwwerken van die tijd zijn.

Zikkurat van Ur(nammu), Mesopotamie 2200 vC (Irak)

In mesopotamie en Egypte, waar de kennis van de wiskunde tot grote bloei was gekomen, werden om symbolische redenen bepaalde systemen van verhoudingen toegepast, zodat het bouwwerk een uitdrukking werd van dat wat men geloofde over de structuur van het heelal. Er ontstonden zuiver wiskundige vormen (zoals de piramiden) of karakteristieke monumenten zoals de zikkoerat, grote tempels met verschillende verdiepingen die door middel van schuin oplopende vlakken met elkaar in verbinding stonden. In het bijbelse verhaal van de toren van Babel is een herinnering aan dit soort bouwwerken bewaard gebleven.

Grieken
De architectuur rond de Middellandse zee vond haar hoogtepunt in de Griekse tempels. In zijn meest ontwikkelde vorm bestond deze uit een lange rij zuilen (die wat vorm en afmeting betreft precies berekend waren) rond een binnenruimte van een zeer eenvoudig metselwerk. Hoewel de tempels niet buitensporig groot van afmeting waren gaven zij, door hun zuiver afgewogen verhoudingen en door visuele correcties aangebracht op de perspectiefafwijkingen, een indruk van monumentaliteit. De beeldhouwkunst in het fries(kroonlijst) en het fronton(driehoekig dakgevel), en de polychrome versieringen, die verloren zijn gegaan, speelden een heel belangrijke rol.

Het Grieks-Romeinse huis was in verschillende ruimten ingedeeld die rond het grote voorportaal en de tuin gegroepeerd waren en bleef tamelijk een voudig van constructie. De opgravingen in Herculaneum en Pompeji hebben uitgewezen dat veelvuldig gebruik werd gemaakt van tussenmuren en openslaande deuren.

Villa Adriana, Tivoli

Romeinen
Een ingrijpende verandering in de bouwtechniek bracht bij de Romeinen de toepassing van de boog en het gewelf, waardoor het mogelijk werd zeer grote ruimten te overdekken, maar die ook zeer sterke steunmuren veronderstelde. Typische voorbeelden van deze bouwwijze zijn de grote thermen in Rome en de 'Villa Adriana' bij Tivoli. Om de gewelven lichter te maken, gebruikten de romeinse architecten een nieuw bouwmateriaal, nl. holle bakstenen, zoals bijv.in het mausoleum van de heilige Helena op de via Labicana te Rome, dat de naam kreeg van Tor Pignatara (van 'Pignata' waar in aarde gebakken elementen mee bedoeld werden).

Als grondlegger van de westerse bouwkunsttheorie wordt de Romeinse architect Vitruvius beschouwd.

Aya Sophia

Byzantijnen
De constructie van bouwwerken met een ronde plattegrond. met gebogen muren en met een gewelf als overdekking leidde tot koepelbouw (het Panthenon en de zogenaamde tempel van Minerva Medica te Rome). Ook Byzantijnse werken zoals de Aya Sophia in Istanboel behoren tot dit type. Wezenlijke kenmerken van de Byzantijnse kerken zijn de grote overdekte ruimten en een kleurig licht met bonte mozaieken, kostbare marmersoorten, pleisterwerk en ramen van albast.

In het Westen geeft men de voorkeur aan kerken in basiliekvorm, die bestaat uit drie rechthoekige ruimten die door zuilen met bogen of architraven worden ingedeeld en die naar een of meer koornissen leiden. Over het algemeen zijn ze overdekt met een zoldering van hout en geven daardoor bij de bouw minder problemen. Een ronde plattegrond komt echter ook voor, zoals bij de S. Vitale te Ravenna, de S. Lorenzo te Milaan of de keizerlijke kapel te Aken die ook als troonzaal dienst deed. Deze vorm wordt ook algemeen voor de doopkapellen toegepast.

Kloosterplan van Sankt-Gallen

Middeleeuwen
De middeleeuwse bouwwerken hebben zware muren met weinig vensters. Het gewelf domineert tot het romaans. De belangrijkste woningen zijn van steen. Zo nu en dan is er een streven om tot een georganiseerde stedebouw te komen, vooral in steden die voor militaire doeleinden gebouwd zijn.
De kloosterbouw neemt grote uitbreiding, sommige kloosters breiden uit tot echte steden. Opvallend hierbij is de functionele indeling van de vertrekken (toiletten, badkamers, keukens, enz.). Voorbeelden hiervan zijn het klooster van Sankt Gallen in Zwitserland en dat van Cluny in Frankrijk. Ook in de kastelen vindt men deze logische indelingen.

gotiek
De gotiek bracht een heel nieuwe ontwikkeling mee die ook nu nog invloed uitoefent op de bouwkunst, niet zozeer door haar decoratieve rijkdom als wel door de technische vaardigheid en door de perfectie van de berekeningen wat betreft weerstand, gewicht, winddruk en dergelijke. De gewelven werden steeds groter en hoger. In plaats van te rusten op stevige massieve muren zoals in het romaans, werden zij ondersteund door pilaren of zuilenbundels waartussen zich soms alleen een wand van glas bevond. Het gebouw werd bovendien een dynamisch organisme, dat door een systeem van bekwaam berekende steunberen in evenwicht werd gehouden.

Chartes Cathedral

Omdat deze betrekkelijk lichte constructie een belangrijke besparing van materiaal en arbeid betekende, konden deze kathedralen zeer groot worden en dienen voor de gehele bevolking van de steeds groeiende wooncentra. De beste voorbeelden hiervan zijn de kathedralen van het Ile-de-france: Chartes, Reims, Bourges, Amiens, Beauvais, enz.

De architecten speelden een belangrijke rol, gaven via werkmeesters op de bouwwerf leiding aan het werk, voorzagen hun werken trots van hun handtekening, kozen de beeldhouwers uit en gaven adviezen aan de grote steden. De werklieden kregen door deze ervaring een grotere deskundigheid en droegen er het hunne toe bij om de particuliere woningbouw te vernieuwen en comfortabeler te maken. De gemeente zorgde ervoor dat de steden hospitalen, scholen, aquaducten, fonteinen, versterkingen enz. kregen. in de gotiek ontsteen ook ingewikkelde werktuigen, zoals de wind- en watermolen, de pompinstallatie, enz.

Oosten
De invloed van de Arabische cultuur is zeer groot geweest. De architecten van de Islam beperkten zich echter, niettegenstaande een grote technische bekwaamheid, wat hun eigen bouwwerken betrof tot eenvoudige vormen. Zij maakten, overeenkomstig de byzantijnse tradities, gebruik van koepels in licht materiaal. In het algemeen kan men hetzelfde zeggen van het verre oosten, dat in zijn pagoden de invloed van torenvormige mesopotamische tempels verraadt en dat een elegante maar weinig duurzame woningbouw kent.

Renaissance
In Florence braken enkele architecten, zoals filippo brunelleschi en leon battista alberti, die ook letterkundige en humanist waren, met de traditie van de gotiek. Zij zochten hun inspiratie in de bouwstijlen van de Grieken en Romeinen en voerden opnieuw zuilen en kapitelen in, evenals het tongewelf, daar waar de gotiek tot dan toe de spitsboog had toegepast. De door hen ontworpen gebouwen steunden echter meer op de schoonheid van de tekening dan op ruimte-indeling en technisch meesterschap.

Ten grondslag aan de Italiaanse renaissancebouwkunsttheorie ligt de gedachte dat kennis van de bouwkunst in een bepaalde historische periode het inzicht vergroot in normen en grondbeginselen voor de eigen tijd. Die opvatting bestond ook in andere tijdperken ( classicisme ).

De Sint Pieter, Rome

De renaissance telde beroemde architecten zoals Michelangelo, Baldassare Peruzzi, Donato Brasmante, Michele Sanmichele, andrea palladio. Ook schilders en beeldhouwers ontwierpen plannen voor gebouwen, zoals Leonardo da Vinci, Raphael, Michelangelo, Vasari en Rubens. Het prototype van vele moderne paleizen ontstond in deze tijd. De koepel groeide uit tot nooit bereikte afmetingen. De koepels van de dom van Florence en van de Sint-Pieter in Rome behoren tot de meesterwerken van de renaisssance. Ook de buitenverblijven, die met de paleizen in de stad wedijverden, ondergingen de vernieuwende invloeden.

Francesco Borromini, Dome Sapienza

Barok > Rococo
De barok en het rococo brachten vooral vernieuwing door een vrijere ruimtelijke bewerking en in het aanbrengen van decoratieve elementen. Francesco Borromini werkte met zeer vrije plattegronden en had veel navolgers. In de interieurs en op de gevels leefde de barok zich uit met een overdaad van fresco's en ornamenten, en het rococo kende hierin geen grenzen meer.

1750 - 1900 classicisme
Een ingrijpende verandering brachten de neostijlen in de 19de eeuw. Klassieke onderdelen zoals zuilen en bogen werden weer toegepast en alle antieke en exotische stijlen werden geimiteerd.

De Franse abt Marc-Antoine Laurier (1713-1769) verdedigde in 1753 een op de Romeinse klassieken geïnspireerde theorie in 'Essai sur l'architecture' en in 1762 verscheen 'Antiquities of Athens' van James Stewart en Nicolas Revett, welk werk aanleiding werd voor het ontstaan van de op Griekse voorbeelden teruggaande bouwkunst van de Engelsman Robert Adam (1728-1792). De gedachte dat een nieuwe bouwkunst geïnspireerd moest zijn op de oude Griekse architectuur, werd ook verkondigd door de Duitser Johann Joachim Winkelmann (1717-1768) in 'Geschichte der Kunst des Altertums'. Aan de Parijse École polytechnique werd deze mening verdedigd door J.N.L. Durand (1760-1834) wiens colleges in 1802 werden uitgegeven onder de titel 'Précis des leçons d'architecture'.

Neo-gotiek
Later werd in Engeland de bestudering van de gotiek (Late Middeleeuwen) als middel tot het doordringen in het wezen van de bouwkunst aangemoedigd door A.W.N. Pugin (1812-1852) in 'The true principles of pointed or christian architecture' (1841) en door John Ruskin (1819-1900) in 'The seven lamps of architecture' (1849).

Cathédrale idéale, Viollet-le-Duc

In Frankrijk gaf Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc (1819-1879) een overzicht van de Franse bouwkunst der Middeleeuwen in zijn 'Dictionnaire raisonné de l'architecture française' (1859-1868). In zijn 'Entretiens sur l'architecture' (1863-1872) ontvouwde hij zijn theorie dat de in de gotische architectuur toegepaste structuur bepalend moest zijn voor een nieuwe bouwkunst.

Minder gebonden aan één bepaalde periode, maar wel gebaseerd op de bouwkunst van het verleden, was 'Die vier Elemente der Baukunst' van Gottfried Semper (1803-1879) uit 1851.

Al deze architecten - in Nederland moet speciaal P.J.H. Cuypers (1827-1921) genoemd worden - waren niet alleen geïnteresseerd in de esthetische kant van de bouwkunst der Middeleeuwen, maar ook in de oude ambachten: een herleving van het handwerk was een gevolg hiervan.

Reliance Building: Burnham and Root, 1891-95

ijzer
Tezelfdertijd echter begonnen architecten, ingenieurs en stedebouwkundigen nieuwe materialen te gebruiken, zoals ijzer en gietijzer en constructiemethodes uit de gotiek te bestuderen. Er ontstonden verrassend lichte ijzeren bruggen en torens, zoals bijv. de eiffeltoren te Parijs. In Chicago weren al aan het eind van de 19de eeuw de eerste moderne wolkenkrabbers gebouwd, zeer eenvoudige conxtructies in ijzer of gewapend beton met glazen wanden en van binnen ingedeeld door lichte tussenschotten.

In Europa daarentegen scheen de architect aanvankelijk door de nieuwe technische veroveringen overweldigd. Andere kunsttakken zochten echter de tegenstellingen tussen het schone en het functionele te overbruggen en dit vond spoedig weerklank in de architectuur.

Victor Horta, Hotel van Etvelde te Brussel

jugendstil > rationalisme
Tussen 1890 en 1914 werd in het teken van de art-nouveau door grote architecten en binnenhuisarchitecten, zoals Victor Horta, Charles Rennie Mackintosh, Henry van de Velde, Berlage, Paul Hankar, Victor Guimard en August Endell een begin gemaakt met het onderzoek van de nieuwe mogelijkheden die de nieuwe materialen te bieden hadden. Zij beschouwden de nieuwe techniek niet als een belemmering, maar als een uitnodiging tot vrijheid.

De volgende generatie architecten werd beïnvloed door min of meer socialistische idealen. Behalve naar een nieuwe wereldorde streefden zij ook naar een nieuwe esthetica van de bouwkunst, waarbij de functie en niet de stijl of de vorm van het gebouw voorop stond. In Nederland was Hendrik Petrus Berlage (1856-1934) een vertegenwoordiger van deze groep. In zijn 'Gedanken über Stil in der Baukunst' uit 1905 sprak hij zijn vertrouwen uit in een bouwkunst die zich allereerst richtte op de functie, waarna geen stijl- of vormproblemen meer zouden bestaan. Deze mening had hij gemeen met de Amerikaanse architect Louis Sullivan (1856-1924), die in 1892 al in 'Ornament and architecture' onder woorden had gebracht, hoe de bouwkundig ontwerper 'eerlijke' structuren kon scheppen die geen ornament nodig hadden; een geheel nieuwe opvatting, nadat men voor die tijd de meeste gebouwen zeer overdadig versierd had.

Een andere Amerikaan, Frank Lloyd Wright (1869-1959), ging in 1901 nog een stap verder in zijn 'The art and craft of the machine': hij was van mening dat in het gemechaniseerde tijdperk de vormgeving van de machines een inspiratie moest zijn voor de architect. Dezelfde opvatting vindt men terug bij verschillende andere architecten omstreeks 1900, o.a. bij de Belg Henry van de Velde (1863-1957) en de Oostenrijkers Adolf Loos (1870-1933) en Otto Wagner (1841-1918). Wagner vatte in zijn boek 'Moderne Architektur' uit 1896 de nieuwe bouwkunsttheorie als volgt samen: schoonheid is steeds afhankelijk van, of eigen aan die schepping, die aan haar doel beantwoordt.

Fagus Works Building, 1911-12

Door de overdaad van ornamentiek waarin de 'art-nouveau' later ontaardde, en ook als gevolg van de strenge meetkundige experimenten van het kubisme ontstond een hevige reactie waardoor, in naam van de eenvoud en van de functionaliteit, rechtlijnige en symmetrische vormen algemeen gebruikelijk werden. Deze stroming begon in Wenen met Josef hofmann, peter behrens, adolph loos en breidde zich spoedig uit over geheel Europa. Een van de eerst meesterwerken was de Fagusfabriek te Alfeld aan de Leine in Duitsland, die door walter gropius en Adolph meyer ontworpen was en waarvoor voor het eerst een hele wand van glas gebruikt werd.

Deutscher Werkbund > de stijl > Bauhaus
In Duitsland steunden voor de Tweede Wereldoorlog toonaangevende vertegenwoordigers van de bourgeoisie de nieuwe ideeën. Zo kon in 1907 de Deutscher Werkbund gesticht worden om de kwaliteit van de industriële vormgeving te verhogen door middel van samenwerking tussen kunstenaars en industrie; hierdoor zouden ook lager gesalarieerden kwaliteitsproducten kunnen aanschaffen. Dit instituut, waarvan ook architecten lid waren, heeft zich verschillende malen ingezet voor betere woonmogelijkheden voor arbeiders; zowel voor de planning van hele woonwijken als van afzonderlijke huizen.

Bauhaus Hochschule für GestaltunG 1926 Walter Gropius

Na de Eerste Wereldoorlog werd het Bauhaus, een school, eerst in Weimar en later in Dessau, waarin toekomstige kunstenaars zowel een theoretische als een praktische opleiding kregen, het centrum voor deze ideeën. De oprichter van de school, de Duitse architect Walter Gropius (1883-1969), wilde door standaardisering van bouwelementen komen tot goedkope, maar goed ontworpen arbeidershuizen. Zeer veel aandacht besteedde men ook aan het probleem hoe men een minimaal grondoppervlak maximaal kon benutten. Talloze publicaties en tentoonstellingen zorgden voor de verspreiding van de ideeën.

In Nederland was de nieuwe richting vertegenwoordigd door rietveld, die een grote invloed op de moderne bouwkunst in Nederland heeft uitgeoefend. Het kubisme en De Stijl richting waarvan behalve Rietveld de belangrijkste vertegenwoordigers de schilders Mondriaan en Theo van Doesburg waren, zochten naar zuivere verhoudingen in de lijnen en de volumen. Na die tijd oefenden Le corbusier, samen met Mies van der Rohe, Erich Mendelsohn, e.a. een grote invloed uit.

La Citta Nuova 1914, Antonio Sant'Elia

futuristen
Minder gericht op de dagelijkse praktijk waren de theorieën van de Italiaan Antonio Sant'Elia (1888-1916). Hij ging ervan uit dat in de toekomst de mensen in grote steden, met wolkenkrabbers en grote verkeerswegen op verschillende niveaus, zouden leven. Sant'Elia behoorde tot de Italiaanse groep futuristen.
Ook Filippo Tommaso Marinetti (1876-1944) behoorde daartoe. Deze publiceerde in 1914 zijn 'Manifesto dell'architettura futuristica', een geschrift dat niet zozeer een nieuwe richting wees, als wel de aanwezige tendensen in de samenleving - zoals het ontstaan van de grote, nieuwe wereldstad, de grootindustrie en de uitbreiding van het verkeer - tot het terrein van de architect wilde maken.
Al eerder had een architect zich met het verschijnsel van de moderne stad beziggehouden: de Fransman Tony Garnier (1869-1948) had in 1904 zijn 'Cité industrielle' ontworpen. Veel meer dan de Italianen hield hij rekening met het dagelijks leven, dat hij zodanig probeerde te ordenen, dat de verschillende functies van de stad in verschillende wijken werden ondergebracht, zodat de ene functie de andere niet zou hinderen.

1925, Le Plan Voisin voor Parijs

Le Corbusier
Een van de invloedrijkste architecten van de 20e eeuw was Le Corbusier (1887-1965). Niet alleen als ontwerper van talloze gebouwen in de hele wereld, maar ook als theoreticus en schrijver, o.a. van 'Vers une architecture' (1923), bleek hij zeer veelzijdig. Ook hij was geïnteresseerd in de kleine, goedkope, maar goed geplande en verzorgde arbeiderswoning. Evenals Wright zag hij de vormgeving van de machine als een voorbeeld voor de architect. Wat betreft de stadsplanning stond, waarschijnlijk onder invloed van Garnier, de gedachte aan gescheiden woon- en werkwijken centraal: men zou moeten wonen in grote steden met veel groen, enorme flats en wegen op verschillende niveaus. Een ontwikkeling die na 1945 inderdaad heeft plaatsgevonden.

Na wereldoorlog II en bijna gelijktijdig met het optreden van de niet-geometrisch abstractie in de schilderkunst werd het rationalisme in de bouwkunst - dat in de V.S. onder invloed van de emigratie van grote Duitse architecten triomfeerde en dat ook een interessante ontwikkeling in Zuid-Amerika doormaakte - een fel omstreden onderwerp van discussie. Het zuivere functionalisme werd verworpen voor een meer aantrekkelijke indeling van de ruimte. De traditionele materialen zoals steen, keramiek, baksteen en hout keerden terug.

1932 Dr. Phillip M. Lovell House, Richard Neutra

Organische Architectuur
Men sprak over een organische architectuur en men beriep zich hierbij op de voorbeelden van Alvar Aalto, die beroemd is geworden door zijn manier van verwerken van de traditionele bouwmaterialen, en op die van frank lloyd wright, aan wie men ook een diepgaande studie over het Amerikaanse landhuis dankt. Het psychologische en sociologische onderzoek wordt op die manier een essentieel onderdeel van het ontwerp, soms zelf het meest overwegende, zoals in de scholen die door Richard Neutra ontworpen zijn.
De organische architectuur mag echter niet opgevat worden als een loslaten van de gedachte van de functie, maar eerder als een uitbreiding daarvan, in die zin dat zij ernaar streeft binnen de voor de hand liggende functies van het huis ook die op te nemen die betrekking hebben op de psychologie van de bewoner ervan. Verder wilde men het huis plaatsen in het geheel van het stedebouwkundig patroon en dit niet alleen laten voldoen aan de eisen van bruikbaarheid, maar ook aan die van ontspanning, opvoeding en maatschappelijk leven. Daaruit volgt dat de architect meer belang is gaan hechten aan de traditionele waarden van de omgeving en van de stad waarin hij werkt en dat hij het steeds grotere belang erkent (ook psychologisch) van de binnenhuisarchitectuur.

postmodernisme


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 439.