kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30-12-2015 voor het laatst bewerkt.

Augustus Welby Northmore Pugin

Engelse neogotische architect en architectuurtheoreticus, geboren 1 maart 1812 in Londen - overleden 14 september 1852 in Ramsgate.

A.W.N. Pugin was de eerste en de invloedrijkste architect en ontwerper van de zogenaamde Gothic Revival, de 19de-eeuwse Engelse neogotiek die in heel Europa lang toonaangevend is geweest.

In de schilderkunst grepen Romantische kunstenaars terug op plattelands-idyllen of grillige natuurtaferelen, terwijl ook in de muziek de romantiek haar kop opstak. In de architectuur ontstond tevens een beweging die teruggreep op de middeleeuwen. De Engelse architect August Welby Northmore Pugin was een op kunsthistorisch gebied belangrijk theoreticus van dit traditionalisme. Hij heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat ook de bouwkunst van de middeleeuwen, de gotiek, in het negentiende eeuwse Europa opnieuw voet aan de grond kreeg.

In Engeland werd de bestudering van de gotiek (Late Middeleeuwen) als middel tot het doordringen in het wezen van de bouwkunst aangemoedigd door zijn publicaties The true pinciples of pointed or christian architecture (1841), waarin hij stelde dat de Gotiek de enige echt christelijke stijl was en dat hij het Classicisme als heidens beschouwde en An apology for the revival of gothic architecture in England (1843).

Middeleeuwen, Christendom en gotiek vormden voor A.W. Pugin een onverbreekbare eenheid zodat hij de gotische kunst als enige mogelijke inspiratiebron voor de christelijke architectuur beschouwde. Verder wenste hij geen oppervlakkige imitatie maar de heropleving van de architectuur volgens de principes van de middeleeuwse bouwers. Dat betekende dat ook het middeleeuws vakmanschap tot nieuw leven moest worden gebracht en dat alle elementen dienden bij te dragen om de perfectie te benaderen. Hij was van mening dat nep in de bouw, zoals namaakmarmer in de barok toegepast, zelfs moreel verwerpelijk is. Pugin was trouw aan materialen en onthulde de constructie en functionele onderdelen in architectuur en design.

Hij bouwde neogotische kerken, landhuizen, paleizen, kloosters en scholen. Pugin liet zijn ontwerpen bij voorkeur uitvoeren door een kleine groep gespecialiseerde vaklieden. Dit strookte met zijn opvatting dat er in het kunstwerk harmonie en eenheid moest heersen tussen architectuur, glasramen, schilderwerken, meubilair en liturgische gewaden. A.W. Pugin ontwierp zelf gebrandschilderde ramen.

Pugin, een voorloper van de Arts and Crafts-beweging, had een gematigde negatief visie op techniek en mechanisatie. De machine kon in zijn optiek kosten en tijd besparen, waardoor de arbeider meer met het creatieve aspect van zijn werk bezig kon zijn. De machine mocht echter onder geen beding in het artistieke deel van het ‘produktieproces’ binnendringen. - (Augustus Welby Northmore Pugin was de zoon van gotisch ontwerper Augustus Charles Pugin (1769-1832). Hij volgde een opleiding aan de Christ's Hospital School in Londen.

Pugin was een wonderkind. Hij vergezelde diverse leerlingen van zijn vaders school voor architectuurtekenen bij hun veldwerk, en al in 1827, toen hij 15 jaar oud was, assisteerde hij zijn vader bij het ontwerpen van meubelen in de gotische stijl voor de nieuwe interieurs die op Windsor Castle werden gecreëerd voor koning George IV van Engeland en werkte hij voor de koninklijke goudsmeden Rundell & Bridge

Hoewel de meubelen van Windsor Castle een kernpositie innemen in de vroege geschiedenis van de zogenaamde ‘Gothic Revival’, zijn ze nog betrekkelijk traditioneel: de vormen zijn gebaseerd op standaardmodellen uit die tijd en alleen de versieringen, de ornamenten, zijn aan gotische voorbeelden ontleend. Al snel zou de jonge Pugin zich fel keren tegen deze ‘plakmethode’ van ontwerpen die, zo meende hij, zowel de functionele aspecten van meubelen als de principes van de gotische bouwkunst negeerde.

In 1829 assisteerde hij de Schotse architect James Gillespie Graham (1776-1855) bij enkele opdrachten. In datzelfde jaar begon hij een eigen meubelatelier dat in 1831 echter op een mislukking uitliep.

Pugin werd een autodidact ter vernieuwing van de Gotiek. Door de bestudering van middeleeuwse verluchte manuscripten en de schaarse bewaard gebleven gotische meubelen, probeerde hij zich in de ware aard van die meubelen te verdiepen. De neerslag daarvan is te vinden in zijn revolutionaire publicatie Gothic Furniture in the style of the fifteenth century designed and etched by A.W.N. Pugin uit 1835. Een van de bekendste en meest succesvolle ontwerpen hierin toont een armstoel met x-vormig gebogen poten en steunen van de armleggers, waarvoor Pugin vermoedelijk inspiratie had geput uit oude afbeeldingen, hoewel ook enkele vergelijkbare zetels bewaard zijn gebleven.

In 1835 bekeerde hij zich tot het katholicisme en tekende hij de winnende inzending van Charles Barry (1795-1860) voor de wedstrijd van de nieuwe Houses of Parliament in Londen.

De armstoel van eikenhout naar zijn ontwerp die het Rijksmuseum heeft kunnen verwerven, vertegenwoordigt een opwindend, experimenteel moment in de ontwikkeling van zijn werk en is een opzienbarende verrijking van de verzameling 19de-eeuwse Europese kunstnijverheid van het Rijksmuseum. Deze armstoel (H. 113,5 cm, br. 65 cm, d. 68 cm. De leren bekleding is modern.) is een variant op het beroemde paar dat hij omstreeks 1836-1838 ontwierp voor Scarisbrick Hall in Lancashire, een groot kasteel dat hij in opdracht van Charles Scarisbrick geheel verbouwde. Scarisbrick Hall was Pugins eerste zelfstandige opdracht als architect en de stoelen markeren een vroeg moment in zijn carrière als meubelontwerper.

Toen Pugin in 1837 zijn eerste onafhankelijke opdracht als architect kreeg, de verbouwing van Scarisbrick Hall in Lancashire voor de Earl of Scarisbrick, ontwierp hij daar stoelen voor die afgeleid zijn van het model dat hij twee jaar tevoren had gepubliceerd. De set van Scarisbrick Hall is in 1951 verkocht en toen verdeeld tussen het Victoria and Albert Museum en de Houses of Parliament, beide in Londen. De armstoel die het Rijksmuseum thans heeft kunnen verwerven, wijkt slechts in enkele details af van de exemplaren uit die serie; blijkbaar heeft Pugin voor een andere klant het model gevarieerd.
Op bijzonder gewaagde wijze laat Pugin het gegeven van de gebogen lijn, dat besloten ligt in de keuze voor het x-vormige onderstel, het ontwerp van de gehele stoel beheersen. Het resultaat, met zwaar geprofileerde, vloeiend in elkaar overgaande onderdelen en kloeke, compacte verhoudingen, doet nog allerminst gotisch aan, maar de gebeeldhouwde versieringen van bladeren en boomstammen zijn wel apert aan middeleeuwse voorbeelden ontleend. Al spoedig zou Pugin verder gaan in zijn adaptatie van gotische principes door een constructie met uitneembare houten dwarsnagels toe te passen en die duidelijk zichtbaar te laten.

Al in 1835 had hij een reeks ontwerpen in gotische stijl gepubliceerd, Gothic Furniture in the style of the fifteenth century designed and etched by A.W.N. Pugin. Daarin komt een armstoel voor die sterk lijkt op de exemplaren voor Scarisbrick Hall. Het opmerkelijkst zijn de x-vormig gebogen poten en steunen voor de armleggers, die zijn ontleend aan middeleeuwse afbeeldingen van stoelen en wellicht ook aan bewaard gebleven exemplaren. Op zeer originele wijze laat Pugin de gebogen lijn het hele ontwerp van de stoel beheersen, waardoor een meubel ontstaat waar geen gotisch prototype voor is aan te wijzen. De gebeeldhouwde versieringen zijn wel evident aan de gotiek ontleend; de kloeke, stoere vorm wijst vooruit naar Pugins latere, revolutionaire meubelen in gotische stijl die onder anderen Pierre Cuypers sterk hebben beïnvloed.

Pugin was ontevreden over het niveau van het handwerk in zijn tijd, reden waarom hij in de vroege jaren '30 kort een eigen werkplaats heeft geleid. Er is weinig bekend over de meubelmakers die hij na de periode van dat experiment zijn ontwerpen heeft laten uitvoeren. Het is daarom bijzonder interessant dat de armstoel het etiket draagt van William Greenwood die vanaf 1830 als meubelmaker in York geboekstaafd is. Hoewel Greenwood ook in oude meubelen handelde, is het waarschijnlijk dat hij de maker van de stoel is. In dat geval zal hij ook de stoelen voor Scarisbrick Hall hebben uitgevoerd, die onmiskenbaar van dezelfde hand zijn.

De armstoel op Pugins ontwerp uit 1835 is bekleed met een gedessineerde stof die aan de voorzijde van de zitting overhangt en daar met een franje is afgezet. De uitgevoerde exemplaren hebben aan de voorzijde onder de zitting een grote open ruime die bijna om een dergelijke oplossing lijkt te vragen. Helaas is niets bekend over de oorspronkelijke bekleding van de stoelen, noch die uit Scarisbrick Hall noch die van het Rijksmuseum. Het is niet bekend voor wie deze armstoel is uitgevoerd; een wederom licht afwijkend exemplaar bevindt zich in het Museum of Fine Arts te Boston.

Een aantal beroemde architecten/ontwerpers heeft ervoor gezorgd dat Engeland in de 19de eeuw een toonaangevende rol heeft gespeeld in de Europese kunstnijverheid. Pugin was de eerste van hen, en een van de belangrijksten. Met zijn bewuste, niet alleen esthetisch maar ook religieus en moreel bepaalde keuze voor de gotiek als de ‘enig ware’ stijl heeft hij vele latere kunstenaars diepgaand beïnvloed, niet in de laatste plaats Pierre Cuypers. Het is verheugend dat Pugins vroege armstoel thans in diens Rijksmuseum prijkt. - (architectuur met die van de Middeleeuwen.

Van eind jaren 1830 tot begin jaren 1840 ontwierp hij voor veel katholieke kerken interieurs en accessoires, met gotische versieringen.
In de jaren 1840 maakte Louis Grossé kennis met August N. Pugin (1812-1852) en knoopte vriendschap aan met zijn zoon Edward Welby Pugin (1834-1875). Hij leerde wat later ook James Weale kennen, alsook Thomas Harper King, die in zijn geschriften het werk van Grossé lovend zou bespreken. Als gevolg sloot Grossé zich aan bij de Gothic Revival of neogotiek, waarvan hij op het vlak van de liturgische gewaden één van de belangrijke adepten werd. In aantekeningen uit 1853, onder de titel Instructions pour la Fabrique et la Maison. Projets d'amélioration, beschreef Grossé de werkwijzen voor het verkrijgen van het meest hoogstaande resultaat.

In 1842-43 maakt Jean-Baptiste Bethune een reis door Engeland, samen met zijn broer, Felix, onder de leiding van de gecultiveerde George Mann. Hij werd geïntroduceerd bij Augustus Welby Pugin (1812-1852) en bij de glazenier John Hardman (1811-1867). Deze en andere contacten wakkerden bij hem de belangstelling en weldra de liefde aan voor de middeleeuwse kunst en zouden van hem de vaandeldrager van de neogotiek in België maken.

De weldoener Sutton vertrok in 1845 naar Cambridge terug en verbleef er de volgende negen jaar. De reden voor zijn terugkeer was dat men hem had aangezocht de restauratie van de kapel in zijn College op zich te nemen. Hij stichtte er een knapenkoor en nam deel aan de goddelijke diensten, maar voor het overige leidde hij een teruggetrokken leven. Samen met Augustus Welby Northwore Pugin zorgde hij er voor dat enkele grote architecten van die tijd naar Cambridge kwamen. Pugin oefende een zeer sterke invloed uit op Sutton. Hij bracht hem in contact met Jean Bethune en beiden werden weldra stevige vrienden.

Engeland was in de negentiende eeuw op het hoogtepunt van zijn macht. Het had wereldwijd kolonies en dat leidde ertoe dat de gotische herleving in de hele Engelssprekende wereld doordrong. In Engeland is ongeveer de helft van de bestaande kerken in de 19de eeuw gebouwd en een heel groot deel daarvan is neogotisch. De Britse neogotiek hangt samen met de opkomst van de romantiek omstreeks 1750. De romantiek is aanwezig in gedichten maar ook in de grillige, schilderachtige landschapstuin die in het begin van de 18de eeuw was ontstaan. In deze tuinen ontstonden even voor 1750 de eerste neogotische bouwwerken. Het waren kunstmatige ruïnes in gotische stijl bedoeld om (droefgeestige en vaderlandslievende) emoties op te roepen.
Via de landhuisarchitectuur deed de neogotiek rond 1820 zijn intrede in de kerkbouw. Door de snelle bevolkingsgroei had Engeland behoefte aan veel nieuwe bedehuizen. In 1818 werd de kerkbouw bij wet gesubsidieerd en kwam er een ‘Church Building Commission’. Deze commissie adviseerde de gotische stijl te gebruiken, niet zozeer uit esthetische als wel uit zuinigheidsoverwegingen. In Engeland kon men gelet op deze opmerking gotisch bouwen op een goedkope manier. In Nederland was dit het geval met het neoclassicisme. In Nederland maakte men gebruik van imitaties zoals een gepleisterde gevel die natuursteen imiteerde, houten zuilen die gemarmerd werden en gewelven die bestonden uit latten en pleisterwerk. Zo realiseerde men op een goedkope manier neoclassicistische gebouwen. De neogotiek in Nederland werd niet uitgevoerd met imitaties en was daardoor een dure bouwstijl. Een (schijn)gewelf zoals in de Teresia-van-Avila-kerk bestaat uit latten stro en pleister en is vele malen goedkoper dan een stenen gewelf zoals in de Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangenkerk. Bij een stenen gewelf heeft men niet alleen zwaardere muren en funderingen nodig maar ook luchtbogen. Met name Alberdingk Thijm bekritiseerde deze imitaties.

Belangrijk in de geschiedenis van de Engelse gotische opleving was Augustus Welby Northmore Pugin. Hij bouwde neogotische kerken, landhuizen, paleizen, kloosters en scholen. Met zijn publicaties The true principles of pointed or christian architecture uit 1841 en An apology for the revival of gothic architecture in England uit 1843 bevorderde hij de neogotiek in Engeland en later ook in de Nederlanden.
Voor Pugins tijd werden gotische kerken gebouwd in de 'Georgian Style', zij het met een gotische aankleding. Pugin ging verder. Voor hem was de gotiek de enige christelijke stijl die niet alleen bepalend was voor het kerkgebouw maar ook voor het gebruik ervan, het meubilair en de aankleding, de gewaden, afbeeldingen en liturgie, de rituelen die erin plaatsvonden en de theologie die het in stand hield. Hij werd katholiek in 1834, maar zijn boeken, die meer invloed hadden dan zijn bouwwerken, verleenden de anglicaanse neogotiek een aanzien waaraan het tot dan toe had ontbroken. Rond 1836 gaat men in Engeland de middeleeuwse voorbeelden serieus bestuderen en wijdt men ook aandacht aan de oude liturgie, symboliek en theologie.

Ecclesiologie
De twee volgende generaties Engelse kerkarchitecten waren de gotiek volledig toegedaan. Er ontstond een geheel nieuwe wetenschap die moest zorgen dat volgens de regels werd gebouwd: de ecclesiologie. (Waar de sacramententheologie zich richt op de vraag hoe in zichtbare tekens de onzichtbare Christus de mens bereikt, is de blikrichting van de ecclesiologie eerder omgekeerd: de mens ontvangt zichzelf van de Eucharistie als mystiek lichaam van Christus. De vraag is vervolgens hoe hij aan dit onzichtbare beantwoordt in zichtbare werken.)
De Oxfordse vernieuwingsbeweging de ‘Tractarians’ (1833-1845) stond onder leiding van John Keble (1792-1866), Edward Bouverie Pusey (1800-1882) kerkgeleerde en professor in Hebreeuws, en John Henry Newman (1801-1890) theoloog en kardinaal. Zij streefden naar een herleving van de oude eredienst en beschouwde gotische kerken als een geschikt middel hiervoor.
Ook in Cambridge vond de neogotiek aanhangers, zoals Thomas Thorp (geb. ?) , John Mason Neale (1818-1866), een Engels geleerde, en psalmenschrijver Benjamin Webb (1819-1885), onder andere redacteur van The Ecclesiologist (1842-1868). Ook kan worden gewezen op Alexander James Beresford Hope (1820-1887). Hij schreef ondermeer over de ecclesiologie. Zij groepeerden zich in de ‘Cambridge Camden society’(1839) en later in de ‘Ecclesiological Society’.

Deze hier genoemde vernieuwingsbewegingen werd verweten dat ze onder het mom van architectuur het papisme wilden doen herleven. Toen na de brand van Westminster Palace in 1834 voor het nieuwe parlementsgebouw een gotisch ontwerp van Charles Barry (1795-1860) werd gekozen, beweerden de classicisten dat de bisschop met Charles Barry had samengezworen om het parlement in een klooster te veranderen. De keuze was echter op de gotiek gevallen omdat deze beter zou aansluiten bij de fragmenten die nog over waren en vooral vanwege het geloof dat de gotiek de Engelse nationale bouwstijl zou zijn.
Kenneth Clark (1903-1983) oftewel Lord Clark had zelfs ooit het idee dat de gotische herleving 'een Engelse beweging' was, hoewel hij in latere uitgaven van zijn Gothic Revival deze bewering afzwakte. Belangstelling voor middeleeuwse geschiedenis, dikwijls sterk nationalistisch gekleurd, lag ten grondslag aan de nieuwe waardering voor gotiek die in de eerste helft van de negentiende eeuw in verscheidene Europese landen ontstond.
De Engelse gotische herleving kwam in het midden van de negentiende eeuw onder invloed van het vasteland. Er was een verschuiving merkbaar waaraan het gezag van verschillende auteurs ten grondslag lag. Zo was er Ruskins publicatie over Italiaanse kerken The Stones of Venice, uitgegegeven in 1851-1853, en van George Edmund Street (1824-1881) The Gothic Architecture of Spain, uitgegeven in 1865, met eigengemaakte tekeningen. De kerken van William Burges (1827-1881) zijn allemaal in continentale gotische stijlen gebouwd.
- (Bron: De Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangen-Kerk te Den Haag


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1462.