kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 07-01-2016 voor het laatst bewerkt.

cottage

Cottage

De cottagestijl is ontstaan in de 19-de eeuw in Engeland als reactie op de Victoriaanse tijd, een periode waarin alle artistieke creaties, zoals architectuur en schilderkunst, slaafs de conservatieve en klassieke regels van de koninklijke academies van beeldende kunst en architectuur volgden.
De cottagestijl druiste daartegen in omdat ze gebaseerd was op de kleine landhuizen op hun beurt afgeleid van oude boerderijtjes. (vb in Sussex). Een aantal details, zoals rieten daken en erkers in het exterieur en open haarden wat het interieur betreft, werden voor het eerst toegepast in de cottage-architectuur en betekenden toen een revolutionaire breuk met de architectuurtraditie die in Engeland heerste. - (Meubels in de Cottage Style worden gekarakteriseerd door een eenvoud van ontwerp in natuurlijk, ongepolijst of in lichte kleuren geschilderd hout.

De Cottagestijl ontstond in Engeland bij de samenwerking van de architecten R. Norman Shaw (1835-1888) en Eden Nesfield (1831-1912). Zij maakten deel uit van de Cranbrook kunstenaarskolonie, 19de eeuwse genreschilders voor wie de cottages en inwoners van Kent model stonden. Het werk van Shaw en Nesfield werd beïnvloed door de stijlkenmerken van de plattelandscottages voor arbeiders. Zij waren de eersten die deze stijl toepasten voor huizen voor beter gesitueerden. Kenmerkend voor Shaw's ontwerpen en dus voor de Cottagestijl zijn een eenheid van plattegrond en opstanden, aangepast aan de ligging in de omgeving. Erkers in alle maten en soorten, soms over twee verdiepingen. Voor 1870 waren erkers zeldzaam. Gebruik van natuurlijke materialen (uit de omgeving) zoals riet en baksteen. Met leien beklede gevels, in ons land herkenbaar aan de gepotdekselde gevels. Shaw's waardering voor de landelijke bouwkunst is terug te vinden in het vele hout. De plattegronden zijn aangepast aan de zon, natuur en de omgeving: compacte plattegronden waarbij de vertrekken rond een centrale hal zijn gegroepeerd of l-vormige plattegronden met de woonvertrekken op een poot of vlinderplattegronden waarbij links en rechts elkaars spiegelbeeld zijn.

Twee prominente vertegenwoordigers van de tweede generatie cottagestijlarchitecten zijn: Charles F.A. Voysey (1857-1941) en Mackay Hugh Baillie Scott (1865-1945). Met hun ontwerpen kreeg de Cottagestijl een nieuwe richting, namelijk die van strakke moderne cottage met zorgvuldig uitgezochte pittoreske kenmerken. Zij worden gezien als avant-gardearchitecten. Nikolaus Pevsner plaatste Voysey in 1937 op de lijst van 'Pioneers of modern movement'. Het typische Voysey en Scott vertrek is laag met betegelde schoorsteenmantels, strakke witte muren en palfonds voorzien van balken, vlakke eikenhouten of betegelde vloeren met losse kleden. De lambrisering met ingebouwde kasten werd op reikhoogte afgesloten met een plank waarop decoratieve voorwerpen stonden.

Landhuisbouw
In de tweede helft van de vorige eeuw veroorzaakte de Industriële Revolutie voor een massale trek naar de steden. Zij echter die het zich konden veroorloven trokken zich terug in een landelijke omgeving om daar van de heilzame rust te genieten. Dit veroorzaakte een bloeiperiode in de landhuisarchitectuur.
Het karakter van deze residenties zorgde voor dit belangrijke verschil, dat de persoonlijke wensen van de directe gebruiker veel nadrukkelijker golden dan in de stadsarchitectuur vaak het geval was. Bij de bepaling van plaats, grootte en stijl ontstond een intensievere wisselwerking tussen opdrachtgever en ontwerper. Geen wonder dat daardoor ook een brede schakering aan landhuisvormen ontstond. Over het algemeen hadden ze echter een streven naar eenvoud, rust en integratie met de natuur gemeen.
De patricische huizen uit de zeven- en achttiende eeuw vormden uitgestrekte, statige onderkomens, waarbij de romantische hang naar het pittoreske en een gemoedelijke huiselijkheid ver te zoeken waren. Mede door maatschappelijke veranderingen waardoor dienstpersoneel moeilijk te krijgen was, werd de omvang van het landhuis kleiner.
Als leidraad refereerde men snel aan de rijkere historie der Engelse 'cottages', met name zoals die gemoderniseerd werden naar de ideeen van Morris en Shaw. Deze kleinere landhuizen combineerden de verschillende onderdelen op een dusdanige ongedwongen wijze, dat er een pittoresk, landelijk geheel ontstond. Symmetrie, regelmaat en assen waren volstrekt ondergeschikt aan het practische.
De generatie architecten die zich naar deze theorien richtte verenigden zich in 1884 tot het Art Workers' Guild en werd het centrum van Morris' 'Arts & Crafts'-beweging. Alastair Service onderscheidt in dit gilde twee groepen architecten.
. De eerste groep met oa Edward Prior (1852-1932) en William Lethaby (1857-1931), sloot direct aan bij de bouwtraditie van Webb en Shaw en trachtte hun gebouwen op organische wijze te ontwerpen, door de vormen van het huis te laten voortkomen uit en integreren met de natuurlijke omgeving en het plaatselijke bouwmateriaal.
. De tweede groep werd geleid door Charles Annesley Voysey (1857-1941) die een meer esthetische benadering van het ontwerp en een grotere visuele eenvoud prefereerde. Hij weigerde gebruik te maken van de plaatselijke bouwmethoden en bedekte de muren vaak met ruwe pleisterkalk. Behalve de heldere kleur werden zijn gebouwen gekarakteriseert door leien daken met een overhangende dakrand, door smeedijzeren steunen onder de dakgoot en muren die ritmisch onderbroken werden door steunberen, horizontale raampartijen en schoorsteentorens.
- (Engeland werd het 'cottage'-type na circa 1890 vervangen door een strakkere compositie, ontleend aan de laat-renaissance en de barok. .


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 5482.

Tweets by kunstbus