kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 11-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Dienst der Publieke Werken Amsterdam

In de raadsvergadering van 18 januari 1856 werd het voorstel van B en W aanvaard tot aanstelling per 1 mei 1856 van een Stadsarchitect, een Stadsingenieur en een Directeur bij de Publieke Werken.

De bedoeling was dat de Directeur bij de Publieke Werken de zaken die voor de Stadsarchitect en de Stadsingenieur te klein en tijdrovend waren zou behandelen. Omdat er allerlei bedenkingen betreffende de samenwerking tussen de Architect, Ingenieur en Directeur waren, werd in de raadsvergaderingen van 23 januari en 5 februari 1873 de wenselijkheid van één verantwoordelijke persoon voor alle Publieke Werken uitgesproken en aldus besloten tot de aanstelling van één Directeur-Generaal. Toen echter vlak voor zijn indiensttreding de fungerende Directeur bij de Publieke Werken overleed, werd de titel van Directeur-Generaal veranderd in Directeur der Publieke Werken.

De Directeur der Publieke Werken volgde dus de Directeur bij de Publieke Werken in een totaal andere hoedanigheid op, nl. als superieur en niet als collega van de Stadsarchitect en de Stadsingenieur. De nieuwe Directeur kreeg de volgende taken: a. de leiding over de Publieke Werken, b. de functie van hoogste adviseur van B en W terzake eigendommen der openbare dienst, c. het beheer van en het toezicht op de Publieke Werken namens B en W, d. de functie van adviserend lid van de Commissie van Bijstand der Publieke Werken, e. de functie van Inspecteur van gemeentewerken m.b.t. waterstaat, wegen, havens en openbare gebouwen, f. de leiding over en het toezicht op de uitvoering van werken, g. het beheer van de bibliotheek van Publieke Werken, h. de regeling der taken van de ambtenaren van Publieke Werken.

In februari 1895 werden de administraties van Stadsarchitect en de Stadsingenieur opgeheven. Alle technische zaken kwamen nu onder de Directeur, het comptabel beheer kwam onder de Administrateur. De technische dienst werd verdeeld in twee hoofdburo's. Het eerste, onder leiding van de Stadsingenieur (vanaf 1895 de tweede in rang binnen de Dienst), werd belast met de voorbereiding en uitvoering van nieuwe werken, het tweede voerde de onderhoudswerkzaamheden uit. In 1904 werd de verdeling in hoofdburo's opgeheven en begon men de technische dienst functioneel in afdelingen te organiseren.

De Dienst heeft de volgende directeuren gekend:
. Jacob Verheij: 1856 mei - 1873 mei
. Jan Kalff: 1873 juni - 1881 november
. Johannes Abraham Schuurman: 1882 januari - 1895 maart
. Constant Lodewijk Marius Lambrechtsen van Ritthem: 1895 mei - 1899 december
. Johan van Hasselt: 1900 januari - 1907 februari
. Andries Wilhelm Bos: 1907 april - 1926 april

In de periode van A.W. Bos (1907 - 1926) bleef de bevolking sterk toenemen (van ca. 565.000 inwoners begin 1907 tot ca. 725.000 inwoners begin 1927; in 1870 was dit ca. 270.000, in 1889 ca. 400.000 inwoners). Het verkeer werd drukker en veranderde van aard (elektrische tram, auto's). Het aantal ambtenaren van P.W. steeg van 210 tot 470, het aantal werklieden van 760 tot 1110.

Wat de afdeling 'gebouwen' betreft kan men een periode tot en na 1915 onderscheiden. Uit de eerste periode stammen gebouwen die werden gerekend als typisch te behoren tot de door PW te ontwerpen gebouwen: hoofdbureau van politie, 3e ambachtsschool, palmen- en varenkas van de Hortus Botanicus, Laboratorium van Plantkunde, Kinderkliniek met Administratiegebouw Binnen Gasthuis, 2e Werk- en Leerschool, Laboratorium voor de Gezondheidsleer. De afdeling 'gebouwen' was toen nog klein: één architect had de dagelijkse leiding; andere architecten waren er niet, zodat het ontwerpen vaak moest worden overgelaten aan opzichter-tekenaars. In 1916 werd vastgesteld dat alle gemeentebedrijven altijd hun werken moesten opdragen aan PW ter uitvoering, uitzonderingen daargelaten. De afdeling werd toen gereorganiseerd en 10 jaar later telde het bureau 9 architecten op 100 man personeel.

Bron en meer informatie betreffende het hierbovenstaand geschrevene: dienst Publieke Werken van de gemeente Amsterdam werd voortvarend geleid door ir. A.W. Bos die bewondering had voor het beleid van de stad Wenen waar door architect Otto Wagner moderne kunstenaars waren ingeschakeld bij de stadsontwikkeling. Bos probeerde zijn dienst eveneens met andere dan bouwkundige krachten te versterken. Een daarvan werd Hildo Krop die samen met architecten als M. de Klerk, N. Lansdorp, C.J. Blaauw en P. Kramer met name Amsterdam-Zuid zijn karakteristieke en homogene stadsbeeld heeft gegeven.

Amsterdamse School
De Afdeling Gebouwen van de Dienst der Publieke Werken van Amsterdam stelde zich aan het begin van de twintigste eeuw open voor nieuw en jong talent.
In 1911 werd de architect J.M. van der Mey in dienst genomen als 'artistiek adviseur' om het artistieke en esthetische niveau van de bij de dienst werkzame architecten te bewaken en zonodig te verhogen. Vanwege het vele werk werd er ook al snel een assistent voor hem aangesteld in de persoon van de architect Piet Kramer. Ook architect Michel de Klerk tekende verschillende ontwerpen voor de Publieke Werken. Van der Mey, De Klerk en Kramer zouden aan de wieg staan van de Amsterdamse School. De Dienst Publieke Werken wordt daarom ook wel eens gezien als een van de 'laboratoria' van deze stroming

P.L. Kramer (1881-1961) werd al in 1917 door ir. W.A. de Graaf benoemd tot esthetisch adviseur bij de afdeling bruggen van de Dienst der Publieke Werken. Hij zou deze functie tot 1952 blijven vervullen. Zijn taak was de nieuw te bouwen bruggen een esthetisch verantwoorde vorm te geven. In de periode van 1917 tot 1952 heeft Kramer vrijwel alle Amsterdamse bruggen (circa 500) ontworpen. Onder dit aantal vallen ook de 64 bruggen in het Amsterdamse Bos. Bij de bruggen in de stad ontwierp hij ook vaak de bijbehorende brughuisjes, het smeedwerk en zelfs het beplantingsplan. Het beeldhouwwerk werd meestal door Hildo Krop verzorgd.

Naast het ontwerpen van gebouwen hield Publieke Werken zich vanaf het begin bezig met het ontwerpen van brugwachtershuisjes, aanplakborden en urinoirs etc. Later bij het opkomen van de elektriciteit in huishouden en industrie, kwamen daar ook lantaarnpalen, elektriciteitshuisjes, tramhaltes en kabelkasten bij. Al het straatmeubilair werd ontworpen in de geest van de Amsterdamse School waarbij expressie en het toepassen van fantasievolle decoratie de boventoon voerden. In de jaren dertig trad een verstrakking op in de ontwerpen.
Er werd voor het straatmeubilair gestreefd naar individuele ontwerpen voor bepaalde locaties op de ontwerpen voor lantaarnpalen en brievenbussen na waarin de architect P.L. Marnette en de sierkunstenaar Anton Kurvers wel streefden naar een gestandaardiseerde productie. Massaal verschenen de lantaarnpaal PW '24, de staande, ronde blauwe girobussen, de groene GEB-transformatorkasten en de brandmelders en afvalemmers voor de Stadsreiniging daarom in het stadsbeeld.

Websites: www.bonas.nl, www.theobakker.net, www.zuidelijkewandelweg.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 114.

Tweets by kunstbus