kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 12-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc

Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc (1814-1879)

Frans restauratiearchitect en architectuurtheoreticus en tekenaar.

Over de verdiensten van Viollet-le-Duc bestaan nog steeds heftige meningsverschillen. Zijn tegenstanders hebben geen goed woord over voor zijn, soms zeer vergaande, restauraties aan een groot aantal Romaanse en gotische kerken in Frankrijk, zijn verdedigers zeggen dat hij een van de eersten was om de gotiek naar waarde te schatten en wijzen erop dat zonder hem veel van Frankrijks cultuurgoed verloren zou zijn gegaan. Ook zijn theoretisch werk wordt verschillend gewaardeerd.

levensloop
(Parijs, 27-1-1814 - Lausanne, 17-9-1879)

Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc ontving zijn opleiding bij de architecten Jean Jacques Marie Huvé (1783-1852) en Achille Leclère (1785-1853), die beiden in neoclassicistische trant werkten.

Na de voltooiing van zijn studie bracht hij anderhalf jaar in Italië door om 'oude gebouwen' te bestuderen, een bezigheid die hij na zijn terugkeer in Frankrijk geruime tijd voortzette en die hem tot de overtuiging bracht dat de gotiek niet alleen bestaansrecht had naast, maar zelfs beter was dan de officiële, neoclassicistische stijl van bouwen. In deze opvatting stond hij niet alleen; zij werd gedeeld door schrijvers als Victor Hugo en Prosper Mérimée. Een bewondering voor de gotiek als een schilderachtige bouwstijl doortrokken van puur christendom, hoorde immers bij het romantisch voelen van die tijd. Voor Viollet-le-Duc echter betekende gotiek ook nog iets geheel anders: het was naar zijn mening de enige architectuur die een perfecte, rationele oplossing gevonden had voor de problemen van spanning en druk.

In 1839 kreeg hij de kans zijn door studie verworven kennis en inzichten in de praktijk toe te passen. Op voorspraak van Prosper Mérimée (1803-1870), secretaris van de pas opgerichte Commission des Monuments Historiques (de Franse monumentenzorg), werd hij aangetrokken om de laat-Romaanse Ste.-Madeleine te Vézelay te restaureren. Toen al bleek dat hij zich weinig aantrok van de oorspronkelijke bedoelingen van oude bouwmeesters. Hij trachtte een gebouw een volgens hem ideale vorm te geven, ook al had die nooit als zodanig bestaan, en schuwde daarbij ook het gebruik van moderne materialen als gietijzer en beton niet. Het gevolg hiervan is dat zijn restauraties vaak kunstmatig, pedant en hard aandoen. Dit is vooral goed te zien in zijn werk uit 1844 aan de Notre-Dame te Parijs, die hij van een gietijzeren spits op de viering voorzag en veel gladder en regelmatiger maakte dan zij ooit geweest was.

Andere beroemde door Viollet le Duc, soms in samenwerking met Jean Baptiste Lassus (1807-1857), gerestaureerde gebouwen zijn de kathedralen van Amiens, Chartres, Reims, Sens, Toulouse, Troyes, de abdijkerk van Saint-Denis, de vestingwerken van Carcassonne en het kasteel Pierrefonds bij Compiègne. Vooral de twee laatste hebben een sprookjesachtig uiterlijk, dat middeleeuwser is dan de Middeleeuwen ooit voortgebracht hebben.

1844 Restauratie Carcassonne
De geest van de Romantiek is uit de fles; alles wat middeleeuws of gotisch is komt in de mode. Historicus Jean-Pierre Cros-Mayrevieille en schrijver Prosper Mérimée voeren een campagne om de vestingstad te behouden als monument. De actie heeft succes, Eugene Viollet-le-Duc wordt aangewezen om de restauratie uit te voeren. In 1844 begint hij met de restauratie van de St. Nazaire-kathedraal en in 1853 met die van de citadel. In 1865 wordt de restauratie van de kathedraal voltooid en 1879 die van de citadel. De werkwijze van Viollet-le-Duc is sinds de 20e eeuw omstreden. Van veel onderdelen van het restauratiewerk was niet meer bekend hoe ze er vroeger uit hadden gezien en Viollet-le-Duc heeft hier naar eigen inzicht gehandeld. Men spreekt daarom tegenwoordig van een 'poging tot reconstructie'. Hoewel de restauratie naar huidig inzicht misschien niet naar de letter van de geest is uitgevoerd, wordt het geheel wel geroemd om de eenheid van stijl - al ziet het er misschien net iets té gelikt uit. Hoewel de kwaliteit soms betwist wordt, hij zou te "didactisch" en te weinig "historisch" hebben gewerkt, is het aan Viollet-le-Duc te danken dat dit unieke monument voor het nageslacht is bewaard gebleven. Enkele van de schoonheidsfoutjes die hij daarbij gemaakt heeft en het gaat hier echt over details, worden bij huidige restauratiewerken, en die zijn voortdurend aan de gang in Carcassonne, discreet gecorrigeerd. Je kan stellen dat grosso-modo 80% van de cité gerestaureerd is en 10% gereconstrueerd. Tegenwoordig is een dubbele ommuring te zien met 53 torens. In 1997 werd de oude stad door de UNESCO op de werelderfgoedlijst geplaatst.

Dictionnaire raisonné ...
Viollet-le-Duc bekritiseert (samen met o.a. Semper) de op dat moment overheersende zogenaamde neo-stijlen, waarin de decoratieve vormen van bouwstijlen uit het verleden overdadig worden toegepast. Viollet-le-Duc pleitte voor een eerlijke rationele bouwkunst.
Viollet-le-Ducs opvattingen over bouwkunst zijn terug te vinden in zijn grote theoretische werken 'Dictionnaire raisonné de l'architecture française du XIe au XVIe siècle' (tien delen, Parijs; 1854-1868) en 'Dictionnaire raisonné du mobilier français de l'epoque carlovingienne à la Renaissance' (zes delen, Parijs; 1858-1875), waarin hij op de manier van een woordenboek, alfabetisch gerangschikt, allerlei bouwkundige onderwerpen heeft behandeld en vooral heeft getracht het middeleeuwse ambacht weer bekend te maken en bij restauraties te doen herleven.
Beide werken verschaffen niet alleen een onvoorstelbare hoeveelheid feiten en gegevens, maar dragen ook een idee uit. Hij stelt erin dat de gotiek een uiterst functionele bouwstijl was waarin geen enkel element uitsluitend omwille van de decoratie aangebracht is, maar altijd om technische, structurele redenen; de 19-eeuwse bouwkunst diende deze gotische principes, eigentijds verwerkt, over te nemen. Deze interpretatie van de gotiek wordt tegenwoordig niet meer aangehangen, maar de hoeveelheid kennis die de 'dictionnaires' en het latere 'Entretiens sur l'architecture' (drie delen, Parijs; 1863-1872) bevatten, zijn al meer dan voldoende om Viollet-le-Ducs reputatie blijvend te vestigen.

Zijn geschriften hebben tot ver buiten Frankrijks grenzen invloed gehad. Zelf hield hij zich vrijwel uitsluitend met restauraties bezig, en hij deed dat dermate ingrijpend, dat sommige van de door hem gerestaureerde gebouwen beter tot de 19e-eeuwse bouwkunst gerekend kunnen worden (bijv. kasteel Pierrefonds, 1858-1870, bij Compiègne). Daarnaast was hij een van de eerste pleitbezorgers van nieuwe bouwmaterialen, en zo zijn grondige restauraties tegenwoordig vaak afgewezen worden, moet niet worden vergeten dat ze in ieder geval veel onvervangbaars gered hebben.

Cuypers en H.P. Berlage
Cuypers is in de jaren zestig in de leer geweest bij Viollet-Le-Duc. Als overtuigd katholiek is Cuypers de grote vertegenwoordiger van de neogotiek in Nederland. Tijdens de opbouw van Kasteel de Haar (waarvan de eigenaars al kasteel Pierrefonds bij Compiègne door Viollet hadden laten restaureren) kan Cuypers zich totaal uitleven en maakt er een neogotisch paleis van. Viollet-le-Duc zal Cuypers hele leven een grote inspirator blijven. In een periode waarin de bouwkunst vooral de Grieken en Romeinen navolgen, wijst Viollet-Le-Duc op de schoonheid van de middeleeuwse gotiek. In de gotiek wordt iedere vorm die niet een logisch gevolg is van de constructie vermeden. Ook het zichtbaar maken van de constructie bewondert Cuypers in de gotische stijl. Cuypers verwerft zijn naam als restaurator en ontwerper van rooms-katholieke kerken, maar ook is hij bekend van het Rijksmuseum en het Centraal Station, beide in Amsterdam. Ook H.P. Berlage raakte later beïnvloed door de ideeën van Viollet-le-Duc en Semper.

Gaudi
Gaudí was gefascineerd door de neogotiek. Het boek van Viollet-le-Duc over de franse architectuur in de 11e tot de 13e eeuw werd voor de jonge architecten, dus ook voor Gaudí, bijna tot bijbel verheven. Er was een afkeer van strakke lijnen en dat leidde tot een vlechtwerk van ornamentele lijnen. Dit werd een van de wezenlijkste kenmerken van de Jugendstil. "Het ornament is de oorsprong van de architectuur" riep John Ruskin in 1853. Enkele jaren later zou Gaudí zich op dezelfde vurige wijze voor het ornament inzetten. Naast interesse voor de Gotiek had Gaudí ook veel belangstelling voor het oriëntalisme dat tijdens de 19e eeuw in de kunstwereld opkwam. Hij was nooit uit op een zuivere stijl. Volgens Viollet-le-Duc moesten de grote werken uit het verleden geanalyseerd worden om daaruit ideeën te halen voor de tijd van nu. De bouwwerken van Gaudí zijn een realisering van deze theorie.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2135.