kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 14-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Gio Ponti

Gio Ponti (1891-1979)

Italiaans architect, interieur- en industrieel ontwerper en publicist invloedrijke architectuur- en designtijdschriften, geboren 18 november 1891 Milaan - 16 september 1979 aldaar.

Gedurende opeenvolgende periodes voor, maar vooral na de Tweede Wereldoorlog heeft Gio Ponti met zijn veelzijdige en veelkleurige ontwerpen een stempel gezet op de architectuur en vormgeving in zijn land en daarbuiten. Hij heeft als architect een belangrijke rol gespeeld bij het bepalen van de stijl van de Italiaanse wederopbouw.
Gio Ponti heeft gebouwen, meubels, interieurs, serviezen, textiel, theaterdecors en scheepsinterieurs ontworpen. Daarnaast was Ponti ook nog dichter, schilder, curator en polemist. Het oeuvre van Ponti geeft een prachtig overzicht van de ontwikkeling van Italiaanse architectuur en design in de twintigste eeuw.
Met zijn motto 'Industry is the style of the 20th century; its mode of creation' neemt Ponti een belangrijke positie in de nieuwe kunststromingen van de twintigste eeuw in, waarin volgens hem decoratie en moderne ideeën gecombineerd konden worden.
Tot Ponti's bekendste ontwerpen behoren zeker de Pirelli-toren, de eerste en hoogste wolkenkrabber in Milaan gebouwd in 1956, zijn ontwerp voor de stoel Superleggera, gefabriceerd vanaf 1957, een stoel die met een vinger opgetild kan worden, de espressomachine La Pavoni, het interieur van het cruiseschip Andrea Doria en Villa Planchart. Ook ontwierp hij meubelstukken en inrichtingen voor Fontana, Venini, Krupp en M. Singer & Sons. Ponti werkte voor bekende producenten als Cassina, La Pavoni, Alfa Romeo en American Standard. Een aantal van zijn ontwerpen is ook nu nog in productie.
Daarnaast bouwde hij huizen voor zijn familie en appartementencomplexen in Milaan. Ook het Denver Art Museum in de Verenigde Staten (1972) is van zijn hand.

levensloop
Gio Ponti studeerde architectuur aan de Polytechnische Universiteit van Milaan, waaraan hij in 1921 afstudeerde. Daarna werkte hij op het architectenbureau van Emilio Lancia en Mino Fiocchu.

Van 1923 tot 1930 was hij een keramiek ontwerper voor de ceramiekfabriek Richard Ginori in Milaan en Florence. Door zijn toedoen werden ceramische producten met een eenvoudige vorm en classistische motieven het handelsmerk van de fabriek. Zijn porseleinontwerpen waarvan er veel gedecoreerd waren met neoklassieke motieven in de Novecento-stijl, kregen een Grand Prix op de 'Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes' van 1925 in Parijs.

Ponti hield zijn eerste eigen tentoonstelling in 1923 en ontwierp in dezelfde periode betaalbaar meubilair voor het warenhuis La Rinascente en luxueuzere stukken.

Van 1925 tot 1979 was hij de directeur van de Monza Biennale naast zijn eigen werk ook dat van andere progressieve ontwerpers toonde.

Zijn eerste eigen gebouw dat hij ontwierp was zijn eigen huis in neoklassieke stijl in Milaan in 1925. Van 1926 tot 1933 ging hij een samenwerking aan met Emilio Lancia in Milaan. Zijn eerste architectuuropdracht kreeg hij in 1926: een villa in Garches voor Tony Bouilhet.

Domus
Op aanraden van de journalist Ugo Ojetti stond hij in 1928 samen met uitgever Gianni Mazzocchi aan de basis van het wereldberoemde tijdschrift Domus, dat hij als redacteur vrijwel zijn gehele carrière gebruikte als platform voor zijn ideeën over vormgeving, interieur en architectuur. Aanvankelijk promootte hij in dit tijdschrijft de Novecento stijl, een beweging die architectuur en design wilde ontdoen van het 'nep-antieke' en het 'lelijke moderne'.

Fontana Arte werd door Gio Ponti samen met Pietro Chiesa opgericht in 1932 als aparte afdeling van het bedrijf Luigi Fontana. Bewust van de enorme mogelijkheden van glas als basismateriaal begon hij meubilair en lampen te ontwerpen en te vervaardigen. Fontana Arte werkt samen met veel beroemde internationale ontwerpers zoals Puppa, Gregotti, Sottsass, Riva en Magistretti en heeft daardoor al vele internationale ontwerpprijzen gewonnen.

Samen met Antonio Fornaroli en Eugenio Soncini begon Ponti in 1933 een architectenbureau dat tot 1945 bestond. In deze periode zijn de 'domussen' (1931-1936) ontworpen, typisch Milaans uitziende appartementengebouwen die echter van binnen zeer modern en comfortabel waren.
Ander bekende ontwerpen zijn het wiskundegebouw van de universiteit van Rome (1934), het ontwerp van het hoofdkantoor van het Montecatiniconcern in Milaan (1936). In zijn ontwerpen maakte het aanvankelijke neo-classicisme geleidelijk plaats voor een meer rationele, moderne benadering.

In 1939 herontwierp hij in opdracht van het Italiaanse Culturele Instituut de interieurs van het Fürstenberg-paleis in Venetie in neo-secession stijl.

Ponti was vanaf het midden van de jaren twintig ook een van de voormannen op cultureel terrein van het Italiaanse fascisme geweest. Hij was lid van Mussolini’s partij en kon zo profiteren van opdrachten van het regime. In 1933 ontwierp hij de ruim 100 meter hoge Torre Littoria in Milaan als aandenken van de overwinning van het fascisme. Nog in 1940 maakte hij wandschilderingen in het hoofdkantoor van de Popolo d’Italia, het fascistische dagblad. Ponti was geen ideologische scherpslijper. Hij beoordeelde zijn medewerkers op grond van hun persoonlijke kwaliteiten en werkte samen met mensen die kritisch stonden ten aanzien van het fascistische bewind. Van protest tegen het regime was bij Ponti echter evenmin sprake.

Van 1936 tot 1961 gaf hij les aan de Polytechnische Universiteit van Milaan.

Tussen 1941 en 1948 was hij betrokken bij het tijdschrift Stile of Stilus, waarin hij zich richtte op kunst en de invloed van de Tweede Wereldoorlog op de Italiaanse architectuur.

Produceerde kostuums en decors voor de opera in La Scala in 1947, veelkleurige glazen flessen, glazen en kroonluchters voor Venini (1946-1950) en het beroemde espresso-apparaat voor La Pavoni in 1948.

In 1948 keerde Ponti terug naar het tijdschrift Domus en bleef daaraan werken tot het eind van zijn leven.

Gedurende de 50-er jaren werkte hij mee aan verscheidene meubelontwerpen en inrichtingen met Piero Fornasetti, waaronder die voor het casino in San Remo in 1950.

In 1952 werd het bureau Ponti, Fornaroli, Rosselli opgericht. Het bureau, dat tot 1979 zou blijven bestaan, ontwierp onder meer het tweede Montecatini-gebouw in 1951, de beroemde Villa Arreza (Caracas Venezuela, 1956) en de Pirelli toren in Milaan (1956).

1954-56 Villa Planchart in Caracas
Van het begin af aan maakt hij onder het motto 'dat alles ontworpen kan worden' geen onderscheid tussen vormgeving en architectuur. Hij ontwerpt niet alleen gebouwen, maar werpt zich ook met het grootste gemak op de pleinen waar de gebouwen aan liggen en de kleinste details van het interieur: van de deurklink tot aan het mes in de keukenla en decoratieve vaasjes. 'Architecture is a fantasy of precisions'. Nergens komt dit principe sterker naar voren dan in zijn Villa Planchart (1954). Dit woonhuis voor een Venezolaanse familie in Caracas voorzag hij van een geheel door hemzelf ontworpen interieur. Zelfs ramen en muren kleedde hij aan vanuit de optiek dat ook deze ruimte benut moest worden.

1956 Pirelli toren in Milaan
Mede dankzij de samenwerking met de betongoochelaar Luigi Nervi wist Ponti een van de meest gracieuze torens van de moderne tijd neer te zetten. Het gebouw wordt gezien als Europa's belangrijkste contributie aan de ontwikkeling van de hoogbouw.

Superleggera-stoel
Vanaf 1949 begint Ponti met het ontwerpen van een stoel die voortborduurde op het thema van de traditionele stoel die sinds de negentiende eeuw in de omgeving van Milaan ontworpen werd in het vissersdorp Chiavari. De basisvorm hiervan werd aangepast door een knik in de rugleuning aan te brengen en de onderdelen ervan te minimaliseren. Vanuit dit proces ontstaat in 1952 de 'leggera' stoel. Bij deze stoel lopen de poten taps toe waardoor er materiaal bespaard wordt.
Het ontwerp van deze stoel wordt in de daaropvolgende jaren bijgeschaafd en verbeterd tot in 1957 uiteindelijk de 'Superleggera' (superlichte) stoel ontstaat. De belangrijkste verbetering is het driehoekige profiel van de staande delen, waardoor deze nog minder materiaal bevatten. Ingenieus gedetailleerde constructieknooppunten maken het mogelijk om de onderdelen ijzersterk met elkaar te verbinden. In totaal woog de stoel slechts 1,7 Kg. Om het gewicht van de stoel nog verder te reduceren werd in dit geval de traditionele zitting van gespleten Rotan vervangen door gedraaid cellofaan. Het verhaal gaat dat Ponti, om de robuustheid van zijn stoel te demonstreren, de stoel eens vanaf de vierde verdieping van een woonhuis op de straat gooide, waarna deze een paar maal stuiterde zonder te breken. Een verhaal met dergelijke strekking wordt ook verteld over de stoelen van Thonet. In dit verhaal worden de stoelen echter vanaf de derde verdieping van de fabriek aan het experiment onderworpen. Hier moet de kanttekening bij geplaatst worden dat dit verschil in hoogte mogelijkerwijs meer zegt over het temperament van de respectievelijke vertellers dan over de daadwerkelijke robuustheid van de stoelen. De stoel is zeer licht n.l. 1,85 kg. Zithoogte 445 mm. (bron: jaren vijftig van Ponti die het hem typerende tijdloze classicisme uitstraalde zijn verder nog tafelgerei voor Krupp Italiana (1951) en Christofle (1955) en sanitair voor Ideal Standard (1953).

Meest typerend voor de ontwerpen van Ponti is de lichtheid ervan. De fragiele tweekleurige Superleggera-stoel (1957) kan met één hand worden opgetild, de opvallend slanke Pirelli-toren in Milaan (1956) bestaat geheel uit glas. In kerkgevels brengt Ponti grote vensterachtige openingen aan, bekleed met 'diamanttegels', die het licht en de omringende stad weerkaatsten, als doorkijkjes naar de hemel: 'architecture is like a christal'. Vooral vanaf de jaren vijftig werkt Ponti zowel in zijn gebouwen als in zijn meubels veel met lichteffecten. Zijn gebouwen lijken te baden in het licht door het gebruik van transparante materialen en tl-buizen die de contouren van de gebouwen benadrukken.

Als architect en vormgever wilde Ponti vrolijkheid brengen. Hij koos dan ook voor veel kleur en harmonie in de gestreepte en gestippelde dessins van zijn objecten. Daarbij wilde hij niet alleen de gebruikers van een gebouw plezieren, maar ook de voorbijgangers. Want: 'architecture is made to be looked at'. Ponti beschouwde de façade als een geheel op zichzelf staand object, dat niet slechts in dienst staat van haar omgeving. Zo ontwierp hij voor Eindhoven, als een opvallende eyecatcher in een verder kleurloze stad, de groene gevel van het warenhuis De Bijenkorf. Zelf was Ponti over de façade van groene keramische tegels zeer tevreden. Vooral over de wijze waarop de gevel in de avonduren van binnenuit kon worden verlicht.

In de jaren '60 en '70 werd Ponti's architectuur steeds expressiever en geometrischer.

Tot aan zijn dood in 1979 droeg hij regelmatig bij aan zowel Comus als Casabella.

Websites:
. Nederland realiseerde Ponti één ontwerp: de gevel van de Bijenkorf in Eindhoven (1964-1967)
Het Bijenkorfconcern had na zijn oprichting in 1870 door Simon Goudsmit geleidelijk veel van zijn joodse karakter verloren. Het telde echter nog veel joodse medewerkers. Een groot aantal van hen werd slachtoffer van de vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ponti’s opdracht leek met deze achtergrond duidelijk in tegenspraak. De Bijenkorfdirectie was echter niet op de hoogte van zijn verleden. Toen dit bekend werd kon de opdracht niet meer ongedaan worden gemaakt.
Ponti maakte het basisontwerp van de façade. Zij toont een verdeling in vierkante vlakken met daarin onregelmatig over de gevels verspreide langwerpige en zeshoekige ramen. Deze laatste op bewerkte diamanten lijkende vormen gebruikte Ponti vaak in zijn ontwerpen. Zij moesten een idee van luxe en weelde geven. Door schijnbaar willekeurig over de gevel verspreide openingen kreeg het ontwerp al snel de bijnaam ‘de ponskaart’. De gevel was aanvankelijk vier en later drie verdiepingen hoog, waarvan de Bijenkorf er vanwege de ongunstige economische omstandigheden in de jaren zeventig slechts twee zou benutten. Gemeente en De Bijenkorf verklaarden zich in november 1964 akkoord met het ontwerp.

Hierna ging een bouwteam aan de slag om het verder uit te werken. Leider ervan was Theo Boosten (1920-1990), de ontwerper van de oorspronkelijke Lumagalerij. Hij was de zoon van de in Limburg bekende bouwmeester Alphons Boosten, die in Maastricht een groot architectenbureau had. Boosten jr. studeerde vanaf 1945 enkele jaren bouwkunde aan de Delftse Technische Hogeschool. Deze studie zette hij in 1949 voort aan de School of Architecture van de Columbia University in New York. In 1953 keerde hij met een BA-graad in architectuur naar Nederland terug.

Boosten, een bewonderaar van architecten als Le Corbusier en Breuer, ontwierp in Limburg voornamelijk kerken en openbare gebouwen. Het bekendste uit de laatste categorie was het stadhuis van Valkenburg. In Eindhoven maakte hij het ontwerp voor het Gemeente Lyceum. Als architect werkte Boosten een aantal malen samen met de Maastrichtse beeldhouwer Frans Gast.

De Limburgse architect voerde voor Ponti als het ware de regie bij de realisatie van de Bijenkorf. Hij maakte technische uitwerkingen bij de plannen en begeleidde en controleerde de bouw. Boosten nam verder het ontwerp van de aan de achterzijde van het warenhuis gelegen dienstenafdeling voor zijn rekening. Daarnaast ontwierp hij de winkelgalerij die in de plaats van de oorspronkelijke Lumagalerij moest komen.

Boosten assisteerde verder bij de inrichting van de Piazza tussen de twee gebouwen. Ponti besteedde hieraan bijzondere aandacht. Hij zag het als de kern van de centrumfunctie die het complex in de stad moest krijgen. In oktober 1964 kwam hij met een eerste ontwerp, waarin een looproute was aangegeven met enkele stenen zithoeken en in het brede deel een ondiepe vijver met daarnaast de door Frans Gast en Boosten ontworpen roestvrije stalen rook- en luchtkanalen. De Bijenkorfdirectie ging met dit voorstel akkoord, maar alle aandacht ging daarna uit naar de bouw van het warenhuis.

Ponti liet door de Milanese beeldhouwer Mario Negri vijf kunststenen banken, ‘dragoni’ met bloembakken en twee beelden ontwerpen. Aan de zuidelijke ingang wilde hij twee hoge pilaren met schijnwerpers plaatsen om de Piazza en vooral de door hem ontworpen geëmailleerde schilden op de met aluminiumplaat beklede gevel van Perry van der Kar te belichten. De Bijenkorf aanvaardde dit plan, behalve de als te kostbaar beschouwde pilaren. Langs deze lijn werd het plein vervolgens ingericht. Bij de overdracht van de Piazza op 18 maart 1970 waren Ponti en beeldhouwer Negri aanwezig. - (Hans Schippers www.bwk.tue.nl)
Zie ook www.bwk.tue.nl en www.architectuurcentrumeindhoven.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1511.