kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Gottfried Semper

Gottfried Semper (Hamburg 29 nov. 1803 – Rome 15 mei 1879), Duits architect en architectuurtheoreticus,

Gottfried Semper was de belangrijkste Duitse architect uit het midden van de 19e eeuw. Hij had een duidelijke voorkeur voor de neorenaissance, alhoewel in zijn werken ook elementen van de overige neo-stijlen voorkomen.

biografie
Gottfried Semper werd op 29 november 1803 te Hamburg geboren.

Semper begon zijn carrière als jurist maar besloot in 1825 architect te worden en studeerde hiervoor te München bij Friedrich von Gärtner en vervolgens te Parijs, waar hij op de École des Beaux-Arts leerling werd van de neogotische architect Franz Christian Gau (1790-1853).

Bemerkungen über bemalte Architektur und Plastik bei den Alten
Op de École des Beaux-Arts ontmoette hij ook zijn landgenoot Jakob Ignaz Hittorf (1792-1867), die hem ertoe aanzette de sporen van polychromie (beschildering) op antieke architectuur en beelden aan een onderzoek te onderwerpen. Hiermee hield Semper zich bezig tijdens zijn reis door Italië en Griekenland (1830-1833) en publiceerde zijn vondsten in 1834 in zijn 'Bemerkungen über bemalte Architektur und Plastik bei den Alten', een geschrift dat enorm insloeg en zowel instemmende als afwijzende kritiek kreeg.

''Het materiaal moet voor zichzelf spreken en zich onverhuld voordoen in de vorm en de verhoudingen waarvan de ervaring en de wetenschap aangetoond hebben dat ze het doelmatigst zijn, Baksteen moet op baksteen lijken, hout op hout, ijzer op ijzer, elk naar eigen wetten der statica Dat is echte eenvoud.'' (vorlaufige bemerkungen, 1834)

Dresden
In Berlijn leerde hij de neoclassicist Karl Friedrich Schinkel (1781-1841) kennen, door wiens toedoen hij in 1834 een professoraat in de bouwkunst in Dresden verkreeg. Tot 1864 was hij directeur van de Dresdner Bauakademie.

Semperopera
Sempers eerste grote gebouw, de neorenaissancistische opera in Dresden (1838-1841), dat in 1869 uitbrandde, door zijn zoon weer opgebouwd en na zware oorlogsvernielingen wederom werd opgebouwd, maakte hem al dadelijk beroemd.

Vervolgens bouwde hij in Dresden, eveneens in neorenaissancestijl, de Villa Rosa (1839) en het Oppenheimpaleis (1845).

Na de revolutie nam in Duitsland, evenals in andere Europese landen de belangstelling voor de renaissance toe. Semper heeft veel invloed gehad op de ontwikkeling van de neo-renaissance naar Italiaans voorbeeld. In Dresden bouwde hij tussen 1847 en 1856 het schilderijenmuseum in deze stijl.

1848 revolutie
De politiek geëngageerde Duitse architect Semper moest vanwege zijn deelname aan de revolutie van 1848 de stad verlaten.

1851 'Die vier Elemente der Baukunst' geschrift van Gottfried Semper was gebaseerd op de bouwkunst van het verleden.

wereldtentoonstelling 1851
Semper was vanwege zijn deelname aan de revolutie uit Duitsland gevlucht en in 1849 via Parijs in Londen terechtgekomen, waar hij de opdracht kreeg om enkele gebouwen voor de wereldtentoonstelling van 1851 neer te zetten. Hij hield zich al vanaf 1840 bezig met de vormgeving van de toegepaste kunst en de problemen die daarmee samenhingen en speelde een bescheiden rol in de organisatie van de wereld- tentoonstelling als inrichter van de afdelingen van Zweden, Denemarken, Canada en Egypte. In deze periode, waarover overigens slechts weinig bekend is, hield hij zich ook bezig met kunstnijverheid en de relatie daarvan met de bouwkunst.

1852 Wissenschaft, Industrie und Kunst
In 1852 publiceerde Semper een scherpe analyse over de toestand van de kunstnijverheid als reactie op de wereldtentoonstelling getiteld: Wissenschaft, Industrie und Kunst. Vorschlege zur Anregung nationalen Kunstgefühles. Hierin leverde hij niet alleen kritiek, maar kwam hij ook met voorstellen die moesten leiden tot een verbetering van de kunstnijverheid: De theoretische achtergrond van de Engelse hervormingsplannen van vlak na de wereldtentoonstelling zijn het duidelijkst verwoord door Semper.
het aanleggen van openbare verzamelingen van kunstnijverheidsprodukten
het houden van voordrachten over de kunstnijverheid in die musea
het geven van praktisch onderwijs in werkplaatsen
het stimuleren van wedijver door het uitloven van prijzen.
In dit geschrift schenkt Semper ook aandacht aan de smaak: 'Aan de ontwikkeling van de smaak van het volk moet iets gedaan worden, of liever het volk moet daar zelf iets aan doen.'
Semper propageerde een 'allgemeinen Volksunterricht des Geschmackes', waarbij naast het goede voorbeeld een praktische uitleg essentieel is, en hij zette zich af tegen de bestaande musea als de National Gallery (1824) en het British Museum (1759). Zij beantwoordden daarom niet aan dit doel, omdat zij zich niet genoeg richtten tot het algemene publiek, omdat hun verzamelgebied te beperkt was en te ver afstond van het kunstnijverheidsvoorwerp of omdat het British Museum bijvoorbeeld brokstukken toonde zonder enige samenhang, uit hun oorspronkelijke omgeving gerukt en zelfs letterlijk van bouwwerken afgesloopt.
Semper had met zijn ideale museum een heel andere collectie voor ogen: 'Veel geschikter voor verzamelingen zijn zulke kunstvoorwerpen die oorspronkelijk niet tot de kunsten gerekend werden. Door deze voorwerpen moet eerst weer de smaak van het volk verbeterd worden, omdat de kunstzin van de mens zich hiermee het eerst bezighield' Hij verstond hieronder werken uit vier materiaal-technisch en kunstzinnig verschillende 'geslachten' of 'Urmotive', gebaseerd op het procédé van vervaardiging: keramiek, waaronder het verwante glas; steen en metaal; textiel; timmermanskunst; metselwerk. Deze categorieën bestreken volgens Semper het gehele gebied van de nijverheid en de bouwkunst, en de overige schone kunsten konden hieraan gerelateerd worden. Hun samenhang moest bestudeerd kunnen worden aan de hand van plaatwerken of voorbeelden in modelverzamelingen.

Ideales Museum für Metallotechnik, ausgearbeitet zu London im Jahre 1852
Hij werkte de voorstellen met betrekking tot het oprichten van materiaalgebonden voorbeeldenverzamelingen van kunstnijverheidsprodukten nog verder uit in een manuscript, genaamd
Ideales Museum für Metallotechnik, ausgearbeitet zu London im Jahre 1852. Hoewel hij dit manuscript pas in 1867 aan het zojuist geopende Weense kunstnijverheidsmuseum opdroeg en het ook daarna waarschijnlijk grotendeels onbekend bleef en zeker niet letterlijk is nagevolgd, worden hierin zijn ideeën goed verduidelijkt. Semper vond het noodzakelijk veel aandacht te geven aan de eigenschappen van de grondstoffen, de toegepaste vervaardigingstechnieken en de gebruiksfunctie van de voorwerpen; deze aspecten bepaalden zijns inziens grotendeels de stijl. Het moest daarmee een eenheid vormen en niet willekeurig zijn aangebracht. Het moest juist de functie benadrukken en symboliseren. Hij bepleitte nog geen vormgeving zonder versiering; het ornament was volgens hem nog een essentieel een kunstvoorwerp en bepaalde in feite het 'kunst' aspect daaraan, geheel in overeenstemming met de oorspronkelijke negentiende-eeuwse betekenis van het woord 'kunst-nijverheid' of 'kunst-industrie' Zelfs de toepassing van versierende elementen uit verschillende stijlperioden op een voorwerp werd door hem nog als vanzelfsprekend aanvaard. Een modelverzameling met goede voorbeelden uit het verleden diende de inspiratiebron te zijn van goede smaak, waarbij niet alleen de "algemene vormgeving, maar vooral de wijze waarop ornamenten werden toegepast en de plaats waar zij het meest tot hun recht kwamen, essentieel waren.
Semper erkende geen duidelijke scheiding tussen schone en toegepaste kunsten. Hij zag zijn ideale kunstnijverheidsverzameling als een doorsnede van wat de wereld op ambachtelijk en industrieel gebied had voortgebracht. Daarmee sloot hij nauw aan bij de algemeen heersende fascinatie in de tweede helft van de negentiende eeuw voor wereldtentoonstellingen. Hier werden immers talloze produkten bijeengebracht die op vele verschillende wijzen waren vervaardigd en uit vele verschillende landen en culturen afkomstig waren; hier werden grondstoffen, techniek en wetenschap 'verenigd' met kunst.

Zwitserland - Zürich
In 1855 werd hij hoogleraar in Zürich; hij ontwierp daar o.a. het station (1860) en het Polytechnikum-complex met sterrenwacht (1858-1864) en in het nabijgelegen Winterthur, een op een Romeinse tempel geïnspireerd stadhuis.

Hij gaf les aan het door hemzelf gebouwde Eidgenössisches Polytechnikum.

Der Stil
1860-1863 (De stijl in de technische en tektonische kunsten 1860-1863). waarin hij een praktische esthetiek overdraagt. Hierin wordt niet de geschiedenis van de stijlvormen op de voorgrond gesteld, zoals tot dan toe gebeurde, maar de technische ontwikkeling. Gottfried Semper had de opvatting dat de vorm bepaald werd door het object zelf, door techniek en materiaal. Van Sempers theoretische werken kreeg 'Der Stil in den technischen und tektonischen Kunsten', over de invloed van structuur op stijl en over het kleurgebruik in architectuur, de meeste bekendheid. Semper legde nauw verband tussen de evolutie van de kunsten en de economische en maatschappelijke ontwikkeling en verklaarde de kunst uit materiaal, functie en techniek. Met name wees hij op het belang van de toegepaste kunsten en op de principiële samenhang ervan met de bouwkunst.

Volgens Semper wordt het menselijk scheppen, dat altijd het gevolg is van een noodzaak, door twee hoofdregels beheerst: het noodzakelijke moet worden omgezet in iets positiefs, en het product wordt geconditioneerd door het productieproces én het toegepaste materiaal. De constructie is elementair, en bepaalt, met de eigenschappen van het materiaal, de vorm. Schoonheid mag nooit het doel van een kunstwerk zijn, maar is een noodzakelijk eigenschap van het kunstwerk, zoals de omvang dat van een lichaam is. Bij dit proces van het ‘maken', dat wordt ingeleid door een noodzaak, wordt de mens geleid door de ordening in de wereld rondom hem, de wetten van de natuur die in alles aanwezig zijn. De maker is het medium, dat slechts gehoor geeft aan een hogere ordening, die in de gemeenschappelijke idealen welke in een periode gelden tot uitdrukking wordt gebracht via staatsvorm en religie.

Aldus ligt de oorsprong van de architectuur volgens Semper in de noodzaak zich te beschermen tegen ongewenste weersinvloeden of andere vijandige elementen: … en aangezien wij een dergelijke bescherming alleen maar kunnen vervaardigen door de materialen die ons door de natuur worden geboden samen te voegen, zijn wij bij dergelijke constructies genoodzaakt om haar statische en mechanische wetten strikt in acht te nemen. De wijze waarop toepassing van materiaal afhankelijk is van de wetten en voorwaarden die de natuur ons voorschrijft, voorwaarden die overal en altijd onveranderlijk blijven, draagt zorg voor een bepaalde noodzakelijk basis in de architectuur, waardoor architectuur in zekere zin onderdeel van de natuur zelf is, een onderdeel dat gestalte gegeven wordt door de vrije en intelligente geest van de menselijke creatie.

Stijl was volgens Semper een historisch bepaalde, aan plaats en tijd gebonden vormentaal. Het is de vrije wil van de scheppende geest die door Semper als belangrijkste factor bij de vraag over het ontstaan van een bouwstijl wordt gezien. Deze is echter niet los te zien van verhoudingen en relaties met zijn omgeving, van ontwikkelingen op natuurwetenschappelijke en cultureel-maatschappelijke gebied.

Kort samengevat wordt architectuur volgens Semper bepaald door de functie, de vorm is resultaat van constructie en materiaal, en de maker is als medium dienstbaar aan een hogere, universele ordening die altijd en overal hetzelfde is, maar die door hem volgens de normen en waarden van zijn eigen tijd in een daarbij passende vormentaal wordt omgezet.

Semper was van mening dat de ambachtsman en architect de materialen zo moest gebruiken dat deze zichzelf blijven. Hij wees daarom bijv. de techniek af van Thonet, die hout boog: dit was niet gepast voor het hout, het werd net zo behandeld als metaal. Als voorbeeld van het tegenovergestelde liet hij een Egyptisch zitmeubel zien: hier had men het geraamte met een rechte hoek gebouwd, dat wil zeggen constructief, in the nature of timber, terwijl de zitting schuin, soms gebogen in dit structuurgeraamte was gehangen.

Zijn theorieën hadden grote invloed op Hendrik Petrus Berlage (1856-1934), de grondlegger van de moderne bouwkunst in Nederland. Met name diens pleidooi voor een bouwstijl waarin functie en constructie van een gebouw duidelijk zichtbaar zijn, is van grote invloed op Berlage geweest. Berlage studeerde in Zürich architectuur aan de technische hogeschool, waar Gottfried Semper (1803-1879) vanaf 1855, het jaar waarin het instituut werd opgericht, tot 1871 onderwezen had. Omdat Berlage de school van 1975 tot 1878 bezocht, kan men hem hoogstens 'leerling van de tweede generatie' van Semper noemen. Toch is Semper een van de twee meesters geweest die hem het sterkst hebben beïnvloed. (De andere was, net als bij de Belg Victor Horta, Viollet-IeDuc.) Berlages latere geschriften, vooral Over Stijl in Bouw- en Meubelkunst (1904) zijn zonder Semper ondenkbaar.

Semper pleitte voor een zuivering van de architectuur maar bleef in neo-stijl bouwen.

Wenen
Nadat Semper zich in 1871 in Wenen had gevestigd, hield hij zich voornamelijk bezig met problemen van theaterbouw. Hij verwezenlijkte twee grote opdrachten: de herbouw van de opera in Dresden (1871-1878), wat minder verfijnd dan zijn eerste ontwerp hiervoor, en het Burgtheater in Wenen (1874-1888). In deze laatste gebouwen treden enigszins barokke tendensen naar voren.

Semper stierf op 15 mei 1879 te Rome. .


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 36.