kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 14-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Granpré Molière

Prof.ir. Granpré Molière

Nederlands architect en stedenbouwkundige, 13 oktober 1883 Oudenbosch - 13 februari 1972 Wassenaar.

"Heden worden de meeste van ons nog wel ondergebracht: maar 'wonen' is een voorrecht van slechts enkelen van ons" - (Granpré Molière)

Granpré Molière heeft als hoogleraar aan de Technische Hogeschool te Delft (1924-53) een grote invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van de stedenbouw van de 20e eeuw. Granpré Molière streefde naar een eenvoudige architectuur, geënt op de Nederlandse bouwtraditie, zonder stijlnabootsing of modernistische tendenzen. Hij was de inspirator van de Delftse School (ca 1920) - een architectuurstroming binnen het traditionalisme die een tegenhanger was van het Nieuwe Bouwen en traditionele waarden, vormen en materialen in de architectuur beoogde - en na WO II van de kerkbouw van de Bossche School. Granpré Molière wijst de term 'traditionalistisch' zelf af; "Er is geen sprake van kiezen tussen modernisme en traditionalisme zoals men vaak heeft gemeend; voor ons kan alleen sprake zijn van een bevruchting van het een door het andere, alleen van een werkelijke vooruitgang, dat is: een algemene uitbreiding van de cultuurschat die ons is toevertrouwd." (Woorden en Werken, p.60).

De functie van een gebouw moest volgens hem duidelijk terug te zien zijn in de vorm, maar moest ook gebaseerd zijn op universele normen en waarden. Granpré Molière vocht tegen het bouwen waarin technische of economische, en dus tijdelijke, overwegingen de boventoon voerde: 'Het is wel karakteristiek voor dezen tijd, om de verst strekkende toekomstverwachtingen te bouwen juist op de omstandigheden van dit ogenblik.' (1921). Hij zocht zijn inspiratie daarom in de traditionele plattelandsbouw met de grote heldere bouwvolumen gevormd door gesloten bakstenen muren en hoge daken. Ook de romaanse kerkbouw was een bron waaruit Granpré Molière dankbaar putte. Dit resulteerde in woonhuizen die eenvoudig en zonder opsmuk van opzet waren. Kerken en openbare gebouwen werden monumentaal, hun schoonheid school in de eenvoud. Zijn ideeën vonden veel weerklank onder collega-architecten, waaronder J.F. Berghoef, A.J.Th. Kok, A. van der Steur, A.J. Kropholler, de gebroeders Van der Laan, Pouderoyen en Kraaijvanger. Maar ook niet-traditionele architecten als Rietveld, Van Tijen en Bakema waren geboeid door zijn ideeën. Mart Stam werkte enige tijd op zijn bureau.

De populariteit van de architectuur en stedebouw van Delftse School én het vertrouwen in de toekomstwaarde ervan blijkt onder meer uit de naoorlogse bouwactiviteit van de architecten van de Delftse School; veruit de meeste naoorlogse wederopbouwprojecten gingen naar deze architecten en ook op de vormgeving van de Wieringermeerpolder en de Noordoostpolder is de invloed van Granpré Molière en zijn geestverwanten groot geweest.

Biografie
Marinus Jan Granpré Molière werd geboren als jongste kind van Abel Cesar Granpré Molière en jonkvrouwe Wilhelmina Stephania Schuurbeque Boeije.

In 1908 studeerde hij cum laude af aan de TH in Delft, waarna hij ging werken voor het bouwbureau van de Staatsspoorwegen. Van 1908 tot 1910 werkt hij bij ir. J.A. van Straaten in Amsterdam.

Van 1910 tot 1914 was hij werkzaam bij Gemeentewerken in Rotterdam waar hij onder anderen de Libanon HBS aan de Ramlehweg ontwierp.

Na twee jaar bij Rijksbouwmeester C.H. Peters gewerkt te hebben begon hij in 1916 samen met ir. P. Verhagen (1882-1950) een architectenbureau. In 1919 sluit ir. A.J.Th. Kok (1874?-1941) zich hierbij aan. Het bureau legde zich toe op 'architectuur, stedebouw en vraagstukken van volkshuisvesting'. Zij waren een der ontwerpers van het eerste tuindorp in Nederland: het Rotterdamse Vreewijk (1916-19). Het bureau maakt de stratenplannen, de beplantingsschema’s en de woningtypologieën. Vreewijk moest een grote arbeiderswoonwijk worden met architectonische kwaliteiten, op economisch verantwoorde wijze gefinancierd. Door het dorpsachtige karakter van het stratenplan, de relatie van de huizen met de natuurlijke omgeving en de eenvoudige maar gedegen uitvoering in baksteen van de huizen vormde de wijk een verlichte woonomgeving in Rotterdam-Zuid.
In 1921 volgde een uitbreidingsplan voor de linkermaasoever en het ontwerp voor het Kralingse Bos dat in de jaren dertig van de twintigste eeuw in het kader van werkverschaffing door werklozen werd aangelegd (niet uitgevoerd volgens de plannen van het bureau).

Van 1924 tot 1953 was hij als hoogleraar verbonden aan de Technische Hogeschool Delft (vandaar Delftse School; een benaming geïntroduceerd door de architect J.J.P. Oud) waar hij bekend werd om zijn uitgesproken theorieën over architectuur en stedenbouw.

In 1927 trad hij op voorspraak van het 'Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw' in dienst als eerste stedenbouwkundig adviseur van de Dienst Zuiderzeewerken in verband met het ontwerp van de dorpen en het landschap van de Wieringermeer. Hij zorgde voor de stroomlijning van een aantal polderwegen en gaf vorm aan de dorpen Middenmeer, Slootdorp en Wieringerwerf. In de opzet en vormgeving van die dorpen streefde hij een eigentijds plattelandsideaal na. Zijn bureau zou ook stedenbouwkundige plannen voor Daal en Berg in Den Haag, Leiden, Den Bosch, het Heuvelkwartier in Breda en Roosendaal maken.

Eenvoud en zogenaamde waarachtigheid waren de leidende vormgevingsprincipes van Granpré Molière. Granpré Molière streefde naar een balans tussen vorm en materie, die tot uiting moest komen in nederige architectuur en inrichting, waarin de gebruiker ten volle tot ontplooiing zou komen.

In 1927 bekeerde Molière zich tot het katholicisme en zou zijn denkwijze een sterk religieus karakter krijgen. Hij was ook medeoprichter van het Rooms Katholiek Bouwblad dat vanaf 1929 de ideeën van de Delftse School propageerde. Naast het katholicisme koos hij Thomas van Aquino als filosofische basis in de architectuur en stedebouw. Volgens Granpré moest de architectuur zich te weer stellen tegen de dreigende uniformering en ontmenselijking, die werd veroorzaakt door de industrialisatie en vercommercialisering van de maatschappij. Architectuur moest uitstijgen boven het individuele. Ze moest raken aan een onveranderlijke hogere orde, objectief en onvergankeljk, de eeuwige waarheid.

In 1930 bouwde hij in Kralingen Huize de Boogerd, het woonhuis van de bankier Van der Mandele, die initiatiefnemer was geweest voor Tuindorp Vreewijk.

Hij bouwde het raadhuis van Naaldwijk (1930), Zwijndrecht (1932) en Renkum (1962).

Gedurende de Tweede Wereldoorlog zochten de traditionele en moderne architecten toenadering op een aantal conferenties in Doorn. Het bouwen zou na de oorlog immers een gemeenschappelijke opgave zijn. Maar toen de Delftse School-architecten een dominante positie innamen bij de wederopbouw van Middelburg, Rhenen, Wageningen en de dorpen van Zeeuws Vlaanderen liep de samenwerking spaak.

Van 1946 tot 1956 werkte hij samen met Arie-Hendrik Rooimans aan de uitbreiding van Amersfoort. Ook werkte hij in deze periode met Piet Verhagen aan ontwerpen voor de wederopbouw van de Grote Markt in Groningen. Deze plannen werden echter nooit uitgevoerd, onder meer door tegenwerking van de CPN-fractie in de gemeenteraad.

De stedenbouwkundige tak van zijn bureau werd na de Tweede Wereldoorlog voortgezet door Kuiper, Gouwetor & De Ranitz, het latere Kuiper Compagnons. Zelf bouwde hij nog de Kerk Onze Lieve Vrouw van Altijd Durende Bijstand in Breda (1953) en het raadhuis van Oosterbeek (1956-1966). Hij was één van de oprichters van het Nederlands Instituut van Volkshuisvesting en Woningbouw (NIVM).

Granpré Molière schreef o.a. 'Woorden en werken van ir. M.J. Granpré Molière' (1949) en 'De eeuwige architectuur' (5 dln., 1958-59).

Websites: www.has-architectuur.nl, www.bonas.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 976.