kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 14-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Griekse bouwkunst

Griekse Architectuur

De architectuur uit de Griekse en Romeinse oudheid (grofweg van de 7de eeuw vóór tot en met de 4de eeuw n Christus) wordt Klassieke bouwkunst genoemd. De bouwkunst uit deze periode wordt gekenmerkt door het gebruik van (zuilen)orden. Een orde is een vaste combinatie van architectonische vormen, maten en verhoudingen. Elke orde is te herkennen aan de vorm van zuilen en kapitelen. De zuilen dragen een hoofdgestel, dat weer is verdeeld in architraaf, fries en kroonlijst. Tot op de dag van vandaag wordt op de vormentaal van de klassieke bouwkunst teruggegrepen. Dit is een historisch overzicht van de Oud-Griekse architectuur.

De Pre-helleense architectuur
Ondanks de grootscheepse opgravingen van Schliemann en Evans blijft onze kennis van de Minoïsche en Myceense architectuur relatief beperkt (Mycene).

Knossos
Knossos was een complex paleis op Kreta met meerdere verdiepingen. Op de bovenverdiepingen waren de woonvertrekken. Lager de werkplaatsen, voorraadkamers en de vertrekken van de bedienden. Strikt genomen hoort Knossos niet tot de Griekse architectuur, maar tot de Minoïsche architectuur.

De Archaïsche periode (Dorische en Ionische bouworden)
De monumentale bouwkunst ontwikkelde zich in het oude Griekenland vanaf de 8e en de 7e eeuw v.Chr. door de bouw van tempels voor de goden, aanvankelijk met lemen of bakstenen muren, maar zuilen, dak- en balkwerk van hout. Tegen het einde van de 7e eeuw werden de elementen van de houtbouw "vertaald" in steen, en werden ook geleidelijk aan kostbaarder steensoorten als kalksteen en marmer aangewend.

In het midden van de 6e eeuw had op het vasteland en in de Magna Graecia de "Dorische" en op de kust van Klein-Azië de "Ionische stijl" een zodanige canonieke vorm aangenomen, dat men sindsdien terecht van een Dorische en Ionische bouworde kan spreken.

De Dorische orde is ongetwijfeld de oudste van de drie bouworden uit de Griekse oudheid (de andere zijn de Ionische en de Corinthische orde), en heeft als meest typische kenmerk de Dorische zuil. Deze is zeer statig en strak (zoals de Doriërs geacht werden te zijn), slechts 5 à 6 modulen hoog (de "modulus" is de diameter van de zuil aan de basis: alle afmetingen van het gebouw zijn te herleiden tot een breuk of veelvoud van deze modulus), met 16 à 24 cannelures die met een scherpe naad op elkaar aansluiten. Bovenaan heeft de Dorische zuil een eenvoudig kapiteel bestaande uit een vierkante dekplaat (abacus) en een rond "kussen" (echinus).

De zuilschacht rust niet op een voetstuk, maar rechtstreeks op de trap zelf (gewoonlijk bestaande uit drie treden, waarvan de bovenste de stylobaat genoemd werd). Bij de oudste, archaïsche tempels (vb. in Paestum) vertoonde de Dorische zuilschacht naar het midden toe een lichte zwelling (éntasis), waardoor de zuil een karakteristieke sigaarvorm had. De zuilschacht bestaat gewoonlijk uit opeengestapelde zuiltrommels (maar in de Apollotempel van Korinthe zijn het monolithische zuilen!). Boven op de zuilen rust de hoofdbalk (of architraaf) waarop de fries is aangebracht: in de Dorische orde bestaat die uit een ritmische afwisseling van beeldenvelden (metopen) en triglyphen (steenblokken met drie inkervingen of gleuven).


Dorisch


Ionisch


Corinthisch

1 fronton (gevelveld)
2 acroterium
3 sima of Cimaas (schuine kroonlijst)
4 geison (horizontale gootlijst)
5 mutulus
6 tandlijst
7 fries (met afwisselend [8] en [9] bij Dorische) (met doorlopend beeldhouwwerk bij ionische en Korontische)
8 triglief
9 metope
10 regula
11 guttae
12 taenia
13 architraaf (optisch verdeeld in 3 dokoi of horizontale balken bij ionische en Korontische)
14 kapiteel (met [15] en [16] bij dorische) (met [20] en [21] bij ionische) (met [20] en [22] bij Korintische)
15 abacus of impost
16 echinus
17 zuilschacht
18 cannelure (schaduwgroeve bij dorische)(met vlakke naad bij ionische)
19 stylobaat
20 volute
22 "mandje" (met gestileerde acanthusbladeren bij Korintische)
23 zuilbasement (met [24] bij Ionische en Korintische)
24 torus (bolle sierring) of scotia (holle sierring)

Tijdens de klassieke periode ontwikkelden bij beide stijlen de vormen en proporties zich tot een weergaloze perfectie, die in de 5e eeuw v.Chr. zijn hoogtepunt bereikte in de Zeustempel van Olympia, in de Parthenon, het Erechtheum en de Nikè-tempel van de Atheense akropolis.

Sinds de 6e eeuw v.Chr. verrezen naast tempels ook veel monumentale bouwwerken voor profane doeleinden. Onder toepassing van de voor tempels gebruikelijke bouworden ontwikkelde deze profane bouwkunst eigen vormen, afhankelijk van de functie van de gebouwen zelf. De Griekse architecten hebben op dit terrein indrukwekkende prestaties geleverd met de bouw van propyleeën, theaters en odeons, gymnasia en stoa's (of overdekte zuilenhallen), die weldra een wezenlijk bestanddeel van de Griekse steden zouden uitmaken.

Sinds de 4e eeuw werd de Dorische stijl maar zelden meer toegepast, terwijl de Ionische een heropbloei beleefde in o.m. de nieuwe Artemistempel van Ephese, het Mausoleum van Halicarnassus, en de Athenatempel van Priëne.

De Ionische orde is afkomstig van de Ionische eilanden. Vergeleken met de contemporaine Dorische orde is een Ionische zuil vrij slank, 8½ tot 9½ modulen hoog (de "modulus" is de diameter van de zuil aan de basis), met diepere cannelures die van elkaar gescheiden zijn door een vlakke naad.

De meest opvallende kenmerken van de Ionische zuil zijn dat deze op een voetstuk staat en een versierd kapiteel bezit. Het voetstuk bestaat uit een combinatie van holle en bolle sierringen (de torus). Het kapiteel is aan de hoeken versierd met een dubbele volute onder een dunne dekplaat.

De zuilen dragen de architraaf, waarop meestal een fries loopt van doorlopend, halfverheven beeldhouwerk.

Omdat de Ionische zuil slanker was, en bijgevolg minder draagvermogen had, hebben de Griekse architecten soms het aantal zuilen verhoogd, ofwel het driehoekige gevelveld (fronton of timpaan) erboven weggelaten.

Vitruvius schreef over het ontstaan van de Ionische orde: 'Ze brachten op de zuil de vrouwelijke slankheid over door allereerst de dikte van de zuil een achtste van zijn hoogte te maken, zodat hij rijziger zou lijken. Aan de onderkant van de zuil plaatsten zij bij wijze van een schoen een basis, het kapiteel voorzagen zij van voluten, de rechts en links afhingen als gekrulde lokken in een kapsel, de voorkant sierden ze sierlijsten en slingers gemoddeleerd als haren op het voorhoofd en langs de hele tors lieten ze groeven omlaag lopen als plooien in kleding, die vrouwen gewoonlijk dragen.' - Uit een vertaling van Ton Peters

De Korinthische orde is de jongste van de drie ordes van de Griekse Bouwkunst, volgens overlevering gecreëerd door de beeldhouwer Callimachus.

Callimachus (Oud-Grieks: Kallímachos) was een Grieks beeldhouwer en edelsmid uit het einde van de 5e eeuw v.Chr. Zijn kunst gold als uiterst verfijnd. Voor het Erechtheion maakte hij een gouden lamp van grote afmetingen, waarvan de rook naar buiten trok door de holle stam van een bronzen palmboom, die als schoorsteen diende. Volgens de traditie (Vitruvius) werd hij de schepper van de Korinthische Stijl, toen hij toevallig een Ionisch kapiteel zag liggen, half overwoekerd door acanthus-bladeren. Men schrijft hem ook de Danseressen van Laconië toe. Men heeft één van de danseressen uit deze groep geïdentificeerd met een vrouwenbeeld ontdekt in de villa van Herodes Atticus in Eva Loukou.

Vooral in het Romeinse tijdperk kende de Corinthische orde een grote verspreiding. Ze komt met name voor in Klein-Azië. De algemene lijn lijkt sterk op die van de Ionische orde, waarvan hij in feite slechts een voortzetting is. Kenmerkend voor de Korinthische orde is de versiering van de kapitelen, geïnspireerd door de bladeren van de Acanthus, met op de vier hoeken een gereduceerde volute uit de Ionische orde (wat naderhand ook verwaarloosd zou worden).

De algemene lijn lijkt sterk op die van de Ionische orde, waarvan hij in feite slechts een voortzetting is. Kenmerkend voor de Korinthische orde is de versiering van de kapitelen, geïnspireerd door de bladeren van de Acanthus, met op de vier hoeken een gereduceerde volute uit de Ionische orde (wat naderhand ook verwaarloosd zou worden).

De hellenistische periode
Hellenisme is een begrip voor zowel een periode in de geschiedenis als voor een type beschaving. Het woord stamt af van 'Hellas', in het begin de naam voor een deel van Thessalië in het oude Griekenland, later voor Midden-Griekenland en nog later voor Griekenland als geheel. Men noemt 'hellenisering' dan ook wel 'vergrieksing'. De eerste die de term 'hellenisme' gebruikte was de Duitse historicus professor Johann G. Droysen (1808-1884). Aanvankelijk bedoelde men met 'hellenisme' de beïnvloeding van een andere beschaving door de Griekse beschaving, zonder dat het de andere cultuur helemaal in zich opnam. Later duidde men er de vermenging van Griekse en oosterse en Midden-Oosterse beschaving mee aan. Het Hellenisme heeft blijvende betekenis gehad voor de westerse beschaving.

De hellenistische architectuur was een hoogtepunt in de architectuur van de oudheid. Twee van de zeven klassieke wereldwonderen mocht ze op haar naam schrijven: de kolos van Rodos en de Pharos van Alexandrië. Maar ook de bibliotheek van Alexandrië was een staaltje van architectonisch vernuft.
De Hellenistische architectuur werd gekenmerkt door een grotere vormvrijheid dan de Oud-Griekse architectuur, mede door het gebruik van o.a. beton, en door de aanleg van grootschalige monumentale complexen (vb. Pergamum). De mozaïekvloeren en muurschilderen waren in eenzelfde stijl als die van de hellenistische schilderkunst.

Romeinse architectuur
De Romeinse architectuur wordt vooral gekenmerkt door technische hoogstandjes. Zoals zovele zaken in de Romeinse cultuur werd in de eerste plaats veel aandacht besteed aan de praktische kant van de zaak.

De bouwtypen van de Romeinen vereisten een meer gevarieerde en flexibele architectuur dan de Griekse architectuur. De Romeinse architectuur stelde de muur weer centraal, wat in de Oud-Griekse architectuur de zuil was. Ook legden ze zich toe op boogconstructies. Verder waren de Romeinse architecten meesters in het scheppen van binnenruimten, met name koepels, absiden en gewelven. De Romeinen onderzochten naar de mogelijkheid om koepelbouw toe te passen voor hun thermen, paleizen, villa’s en het Pantheon. Ze ontdekten hierbij dat gietbeton een zeer bruikbaar materiaal was voor gewelven. Beton was tussen de derde en eerste eeuw v Chr. voortgekomen uit het bouwen met breuksteen en kalk dat bij de Romeinen gebruik was, die in hun directe omgeving geen marmergroeven hadden zoals de Grieken.

... en daarna
Samen met de Romeinse architectuur wordt de Griekse bouwkunst weer herontdekt, eerst in de Renaissance en later in het Classicisme, maar pas in de de 20e eeuw kon men de werkelijke genialiteit van de klassieken (o.m. de verborgen toepassing van wiskundige principes als de Gulden snede) enigszins doorgronden. Minder algemeen bekend is de invloed van de Griekse bouwkunst op de eigentijdse stedenbouw. De zogenaamde gridsteden als Barcelona, Manhattan, Chicago en vele andere steden zijn vaak bewust geïnspireerd op het schaakbordpatroon van de oude Ionische steden als Milete en Priëne.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Griekse_Bouwkunst.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1199.

Tweets by kunstbus