kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 13-02-2011 voor het laatst bewerkt.

Henry van de Velde



Belgisch-Vlaamse architect, decorateur, glasschilder, schilder, vormgever, directeur van academie, auteur; onderwerpen genrekunst, landschappen, portretten, stillevens, stadsgezichten ...

Geboren 3 april 1863 Antwerpen Belgie - overleden 25 oktober 1957 Oberagen Zwitserland.

Samen met victor horta legde Henry (Clemens) van de Velde de basis van de art-nouveau in België. Hij schonk zijn naam aan de belangrijkste designprijs van Vlaanderen en liet ons enkele van de invloedrijkste ontwerpen van de vorige eeuw na. Hij was een vroege en invloedrijke propagandist van het Modernisme en zijn jugendstil ontwerpen liepen vooruit op het functionalisme en de abstractie kenmerken van het moderne design. Hij streefde naar een eigen moderne uitdrukkingswijze in de architectuur en kunstnijverheid en keerde zich tegen een imitatie van historische stijlen. Als eerste art-nouveau kunstenaar werkte hij in een abstracte stijl, vertrekkend van kromme lijnen. Een van zijn principes was dat architecten recht moest doen aan zowel het voorwerp als het materiaal. Zijn oeuvre bevatte meubelen, apparaten, boekbanden, grafiek, keramiek, interieurs, bouwwerken en verschillende publicaties.

levensloop
Henry van de Velde was zoon van een rijke scheikundige. Hij bracht zijn eerste vijftien levensjaren door in het Antwerpse schipperskwartier waar zijn vader een apotheek had. In deze tijd toonde hij zich zeer bekwaam voor muziek en wilde hij ook componist worden. Maar omdat zijn vader niet gelukkig was met deze keuze verschoof zijn belangstelling naar de schilderkunst.

1880-1883 Academie voor Schone Kunsten (Antwerpen)
Ondanks de aanmoediging van Peter Benoit om toch voor de muziek te kiezen volgde Henry van de Velde 3 jaar lang een kunstopleiding aan de kunstacademie in Antwerpen en het atelier van de kunstschilder Charles (Karel) Verlat die professor was aan deze school.

Parijs 1884 - 1885
Van de Velde studeerde korte tijd bij Emile Auguste Carolus Duran in Parijs. Hij vond er contact met de woelige symbolisten en met de avant-garde van de schilderkunst: Monet, Signac, Whistler... In zijn schilderijen uit deze tijd herkennen we duidelijk de invloeden van Seurat en van Gogh.

Henry van de Velde als Avant-Gardistische schilder
Toen Henry van de Velde in 1885 terug kwam in België was hij vol bewondering voor Edouard Manet, Jean François Millet (1814-1875) en de school van Barbizon. Hij sloot zich aan bij de Belgische impressionisten Emile Claus en A.J. Heymans en schilderde vooral landschappen in de omgeving van Wechelderzande.

In 1886 sloot hij zich aan bij 'Als ik Kan' en was hij een van de oprichters van l'Art Independant, beide gevestigd te Antwerpen.

Les Vingt
In 1889 werd hij lid van de progressieve postmodernistische groep Les Vingt. De eerste belangrijke expositie van het werk van Henry van de Velde vond plaats in 1889 bij Les Vingt. Hij ontmoet Paul Signac en Georges Seurat onder wiens invloed Van de Velde enige tijd in een neo-impressionistische stijl schilderde. Onder invloed van Vincent Van Gogh ging hij schilderen met langere kronkelige penseelstreken.

Arts & Crafts
Henry van de Velde raakte via William Finch en Octave van Rysselberghe in de ban van de idealen van de Engelse Arts and Crafts Movement en reformbeweging van John Ruskin en William Morris. Net als de aanhangers van die beweging geloofde Van de Velde dat toegepaste kunst in staat was om mens en samenleving te hervormen.

De schilderkunst droeg te weinig bij tot de verbetering van de maatschappij, vond Van de Velde en nadat hij lichamelijk en geestelijk ingestort was gaf hij begin jaren negentig het schilderen op. Hij ging zich toeleggen op vormgeving en architectuur. van de Velde verbleef een tijd in de Kempen om zijn denkbeelden te ordenen. Hier ontwierp hij zijn eerste decoratief werk; een tapisserie, welke hij in 1892 exposeerde op de salon le vingt.

'La ligne est une force'
In zijn jeugd was Van de Velde een groot bewonderaar van Minne, Maeterlinck, Van Lerberghe en Jan Toorop. In zijn sierkunst streefde hij naar uiterste gratie, waarbij het lijnenspel de functionele vorm van een meubel of gebruiksvoorwerp onderstreepte. Het belang van de golvende lijn, die zo karakteristiek is in de Belgische Art Nouveau werd door de veelzijdige architect Henry van de Velde nadrukkelijk onderschreven: 'La ligne est une force', waarmee hij doelde op de natuurlijke elementaire kracht. Sinds 1891 beleed Van de Velde in zijn ontwerpen dit geloof in het 'dynamographische spel' van de lijn, vooral in zijn ontwerpen voor stoffen en zijn meubels. 'Een lijn is een kracht die zoals alle elementaire krachten bezig is; verscheidene met elkaar in verbinding gebrachte, maar elkaar tegenwerkende lijnen hebben dezelfde uitwerking als verscheidene elkaar tegenwerkende krachten.'

Van de Velde hechtte grote waarde aan het abstracte karakter van de lijn. Wij kennen veel ornamenten van de Art Nouveau die met lijnen werken, met irissen en ook met vrouwenfiguren. Van de Velde was echter van mening dat de tijd van de ornamenten van ranken, bloesems en vrouwen voorbij was: de kunst van de toekomst zou abstract zijn. Zijn vormentaal was gebaseerd op onduline patronen; golvende kromme lijnen waarvan de bochten elkaar dicht naderen; De algemene kenmerken van zijn werk zijn: strenge lineaire patronen, licht gebogen verticale lijnen die vaak eivormig uitmonden, nieuwe bouwmaterialen, kwadratisch karakter, aandacht voor decoratie.

Verblijf in Volendam 1893 of 1894 ?

Hij doceert aan de afdeling 'Arts d'Industrie et d'Ornamention' van de universiteit van Brussel.

Naast het ontwerpen van aardewerk, meubels, kleden, sieraden, gebruiksvoorwerpen en diverse ornamenten voor boeken en kranten schreef hij hierover artikelen in tijdschriften. Hij publiceerde enkele werken, waaronder 'Déblaiement d'art' (1895), waarin hij de samensmelting van de kunsten bepleitte. Andere publicaties zijn: 'Vom neuen Stil' (1907), 'Formules d'une esthétique moderne' (1923) en 'Doctrine. A la recherche d'une beauté permanente' (1947).

In 1894 huwde hij Maria Sèthe. In Huize Ukkel werden zijn eerste kinderen geboren: Tijl en Nele.

1895 Bloemenwerf, Ukkel (bij Brussel)
In 1895 bouwde hij zijn eerste huis: zijn landhuis Bloemenwerf te Ukkel, die onder invloed staat van de Engelse Arts & Crafts architectuur. Het werd in zijn geheel en tot in de geringste huishoudelijke details door hem ontworpen, ten dele als protest tegen de toen heersende wansmaak op het vlak van architectuur in België. Vooral vloeiende en golvende lijnen, die aan plantenmotieven doen denken, overheersen. Huis en inrichting moesten voor Van de Velde één geheel vormen. Nieuwe materialen zoals beton, ijzer, staal en grote hoeveelheden glas deden hun intrede.
Ondanks het feit dat hij geen architect was verwierf hij met het Huis te Ukkel toch internationale faam. Er kwamen vele bezoekers, binnen- en buitenlandse. Zowel Julius Meier-Graefe, die in 1897 het blad Dekorative Kunst oprichtte, als Siegfried Bing voor wiens galerie hij later vier kamers zou ontwerpen brachten een bezoek aan het huis.

design
Hij ontwierp niet enkel de buitenkant van de huizen, maar tevens ook het interieur. Zijn salons waren altijd ontwerpen met stijl en smaak. De typische, soepele, natuurlijke art nouveau-krullen en serpentine-achtige zweepslaglijnen zijn bij hem zuiverder, lichter en meer getemperd. Hij verwerkte ook vaak ongebruikelijke combinaties zoals zilver met hout.

Hij brak op internationaal vlak door dankzij de creatie van een viertal interieurs voor de galerie 'Maison L'art-nouveau' van Samuel bing te Parijs.


Een jaar later in 1896 stelde hij bovendien een vertrek tentoon op de Salon de la Libre Esthetique.

Aanvankelijk bouwde hij in de rijk versierde art nouveau-stijl. Pas later, toen het art-nouveau imago dat hem steeds achtervolgde begon te irriteren, koos hij voor de meer sobere architectuur van het modernisme.

Internatonale Kunstausstellung Dresden 1897
In 1897 opende hij het atelier Societe de Henry van de Velde in Ixelles (Brussel), waar hij de meubelontwerpen maakte die op de 'Internatonale Kunstausstellung' van Dresden (1897) te bewonderen waren. De presentatie van zijn meubelen op deze tentoonstelling was zo'n groot succes dat hij in de periode 1898-1914 talrijke opdrachten voor ontwerpen van meubels en gebruiksvoorwerpen uit Duitsland kreeg. Een jaar later zet hij naast die in Brussel een meubelwerkplaats op in Berlijn.

Er kwam ook scherpe kritiek op zijn werk. Zijn meubelen werden vergeleken met instrumentering van een tandarts, de bedden met matrassen op grafzerken. Uit de reacties op zijn expositie in het Duitse Dresden blijkt echter dat het publiek rijp was voor vernieuwing.

Zo werd Henry Van de Velde naast Victor Horta de belangrijkste Belgische vertegenwoordiger van de art nouveau, al konden de twee elkaar op persoonlijk vlak niet uitstaan. Horta bouwde zijn carrière vooral in eigen land uit. De minder ornamentele stijl van Henry Van de Velde viel dan weer bij een rijk Duits cliënteel in de smaak. Het is de paradox van zijn tijd: socialistische vormgevers werkten hoofdzakelijk voor de hoge bourgeoisie.

Gordelgesp: Spreken over Art Nouveau zonder de verfijnde juwelenkunst te vermelden, zou een niet te rechtvaardigen tekortkoming zijn. Van de Velde heeft ook in deze kunsttak grote vernieuwingskracht, zijn veredeld lijnenspel, zin imposante vormentaal, en zijn grote materiaalgevoeligheid getoond. Zijn gordelgesp dateert van omstreeks 1898. (Museum Hagen)

1898 Schrijftafel voor de redactie van de Revue Blanche
De Jugendstil was niet alleen een richting in de beeldende kunst, maar ook een geestelijke beweging met een eigen programma, een groep pioniers, eigen tijdschriften en met de opzet niet alleen de beeldende kunst, maar het gehele moderne leven een andere vorm te geven. Het sprak voor een vooraanstaand tijdschrift als de Revue Blanche vanzelf dat het de vertrekken van zijn redactie liet inrichten door een ontwerper als Van de Velde, die een leidende plaats innam. De functie van het meubel wordt door hem ook uitgedrukt in het ornament. Het was noodzakelijk dat de decoratie met het gebruiksvoorwerp een onverbreekbare eenheid vormde. (Darmstadt, Hessisches Landesmuseum)


Van de Veldes ontwerpen waren meer 'verengelst' dan die van zijn landgenoot Victor Horta, wiens werk in de Europese Art-Nouveau zich meer op de Belgische smaak richtte. Meer dan bij Horta en de andere kunstenaars uit deze tijd houdt het lijnenspel van Van de Velde het midden tussen decoratie en structuur. Dat wordt goed geïllustreerd met zijn bureau uit 1899, gemaakt voor de Sezession in München. Het meubel wordt door golvende bewegingen gestructureerd, terwijl het beslag subtiele, maar spanningsvolle accenten geeft.

In 1899 ontwierp hij het interieur en de facade van 'La Maison Moderne', de winkel van Meier-Graefe in Parijs.

Van de Veldes werk stond in het paviljoen van Bing op de Wereldtentoonstelling in 1900 in Parijs.

Hij verhuist naar Berlijn en werkt voornamelijk in Duitsland waar zijn minder decoratieve, maar functionelere ontwerpen, die door het Hohenzollern Kunstgewerbehaus van Willem Hirschwald werden gemaakt, zeer gewaardeerd werden. Hij ontwierp o.a. het interieur van het Folkwang-museum in Hagen (1900-1902). In Berlijn ontwierp hij interieurs voor het tabaksbedrijf Havana (1900) en de Keizerlijke herenkapper Francois Haby (1901) waarin hij een balans vindt tussen expressie en functionaliteit.

Kandelaar, 1900: Deze kandelaar is een meesterstuk van de Art Nouveau, maar welke verschillende werelden, welke verschillende levensvormen spreken er niet uit! Van de Veldes beroemde kandelaar met de zes armen dateert uit 1900, nauwelijks een jaar eerder dus dan de tweearmige kandelaar van Olbrich. De uitwerking is buitengewoon sierlijk. In het midden een opstekend gedeelte. (Museum Hagen)

Huis Leuring (1903) te Scheveningen.


Kunstgewerbeschule 1904-11
Architect Henry van de Velde

Weimar, Kunstgewerbeschule, 1902 - 1914
In 1902 werd hij door Wilhelm Ernst, de groothertog van Saksen-Weimar, gevraagd de kunstnijverheidsschool van Weimar te organiseren. Hij richtte de entree en leeszaal van de Nietzsche bibliotheek (1903) opnieuw in en ontwierp de Kunstgewerbeschule (1906). Later zou hieruit het vermaarde Bauhaus ontstaan. Van de Velde was een toonaangevend vertolker van de jugendstil in Weimar en werd bij de opening van deze nieuwe School voor Toegepaste Kunsten in 1908 dan ook benoemd tot directeur. Het innoverende pedagogische model dat hij tien jaar lang als een 'apostolaat' uitdroeg, werd na W.O. I door zijn opvolger walter gropius voortgezet. Zo geldt Henry van de velde als de stamvader van het inmiddels tot Bauhaus herdoopte instituut dat de Europese avant-garde blijvend zou bepalen.

Hij werkte samen met enkele plaatselijke handwerkslieden en atreliers, met name meubelmakerij Scheidemantel en juwelier Theodor Müller, die zijn opvallend vloeiende zilverontwerpen produceerde. In 1903 ontwierp Van de Velde een elegant en toch functioneel servies voor de Staatliche Porzellan, manufaktur Meissen, waarin hij ook abstracte organische vormen en motieven had verwerkt.

Leraar van Max Ackermann, Invloed op Peter Behrens,
Van 1901 tot 1914 verbleef hij in Duitsland waar hij veel invloed had door zijn werk en geschriften. Met de architecten Behrens en Poeltzig behoorde Van de Velde tot de belangrijkste figuren van zijn tijd.

Deutscher Werkbund
In 1907 richtte hij samen met anderen de Deutscher Werkbund op. Hij was het echter oneens met Hermann Muthesius hang naar industriele standaardisering en verliet de Werkbund in 1914.


'Hohenhof', Hagen 1908

Villa Hohenhof
Ook Villa Hohenhof in Hagen is gebouwd naar ontwerp van Henry van de Velde. Maecenas Karl ernst Osthaus was de opdrachtgever voor deze villa die een oord van kunst en cultuur moest worden. Villa Hohenhof is een monument van Europees belang want het is één van de weinige bewaard gebleven gesamtkunstwerke uit de tijd van de jugendstil. Henri van de Velde ontwierp Villa Hohenhof als totaalkunstwerk, wat wil zeggen dat interieur en exterieur (inclusief tuin) als totaal zijn ontworpen en op elkaar zijn afgestemd. In samenspraak met Osthaus ontwierp Van de Velde zo het interieur met alles wat daar in hoorde: meubels, muurdecoraties, vloerbedekking, lampen, stoffen, servies en bestek. Bepalend voor de 'compositie' van de inrichting van de hoofdvertrekken waren diverse kunstwerken: Ferdinand Holders 'Auserwählter'in de salon, Edouards Vuillards 'Herfst van Parijs' in de damessalon. henri matisse maakte voor de wintertuin een tegelwerk. Van Jan Thorn-Prikker is de beglazing van het trappenhuis en de felgekleurde sjablonenschildering in de werkkamer. Zandstenen relíëfs van Hermann Haller flankeren de hoofdingang. Tegenwoordig maakt Villa Hohenhof deel uit van het Karl ernst Osthaus-Museum voor kunst en toegepaste kunst.

Werkbundtheater in Keulen (1914; in 1920 afgebroken)

Zwitserland/Nederland 1914 - 1925
Tijdens de eerste Wereldoorlog was de socialist Van de Velde niet langer gewenst in Duitsland. Hij moest zijn functie van docent in Weimar neerleggen en hij verhuisde in 1917 eerst naar Zwitserland waar hij als zelfstandig architect ging werken en toen een intense intellectuele en artistieke bedrijvigheid heerste. Hij vond er de Belgische graficus Frans Maasereel, de grote Franse auteur Romain Rolland en vele anderen. Hij omringde er zich met een groepje jongeren voor zie hij een vaderlijk leraar werd.

Dan vertrok hij in 1921 naar Nederland, waar hij voor het echtpaar Kröller-Müller het gelijknamige huis en privé-museum op de Hoge Veluwe ontwierp. Van de Velde werkte van 1937 tot 1954 aan het Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterloo.

Bouwde zijn eigen huis de Aent (1921) te Wassenaer.

Definitief terug in België (1925) ontwikkelde hij een grote activiteit, o.m. als regeringsadviseur van belangrijke openbare gebouwen. Hij schreef ook verschillende wetenschappelijke werken over kunst.

Gent, hoogleraar aan de Universiteit
Na WO I werd hij professor aan de universiteit van Gent (1926-1936), waar hij ook de bibliotheek met de boekentoren ontwierp.
Tevens was hij directeur van het Hoger Instituut voor architectuur en Sierkunsten aan de abdij Notre Dame de la Cambre te Elsene (1926-1935) die hijzelf had opgericht.

Brussel 1926 - 1935
Oprichter en directeur van het Instituut voor Bouwkunde en Sierkunsten, (Institut des Arts Décoratifs (ISAD)), in de abdij Ter Kameren in Brussel, waar naast de bouw-, beeldhouw- en schilderkunst, alle takken van kunstnijverheid werden beoefend.


Bibliotheek met de Gentse Boekentoren
In 1933 werd de 70-jarige henry van de velde belast met de bouw van de nieuwe universitaire bibliotheek en het HIKO. Het oorspronkelijke ontwerp, voorgesteld met de maquette van 1934, omvatte ook gebouwen voor de instituten van Dierkunde en Farmacie. Die vleugels werden niet gerealiseerd, evenmin als de vervangende plannen van Van de Velde voor Letteren en Wijsbegeerte (1944-1954). Het originele meubilair, eveneens ontworpen door Van de velde, werd slechts gedeeltelijk uitgevoerd. Tussen 1933 en 1935-1936 moest Van de Velde heel wat aan zijn plannen wijzigen, vooral onder druk van de hoofdbibliothecaris, die helemaal niet voor het idee van een torenmagazijn te vinden was. Toch slaagde Van de Velde er in om aan Gent een 'vierde' toren te schenken. Zijn Boekentoren, de 'toren van de wijsheid', was één van de laatste kwalitatief waardevolle beeldbepalende ingrepen in het stadsbeeld. Voor de constructie en afwerking in gewapend beton kon Van de Velde rekenen op de steun van de universitaire ingenieurs Jean N. Cloquet (1885-1961) en Gustave Magnel (1889-1955). De 64 meter hoge toren werd opgetrokken met de innoverende techniek van glijdende bekisting. Rechte hoeken, afrondingen, grote metalen ramen en het grondplan van toren en vijver (een Grieks kruis) zijn kenmerkend voor de taal van Van de Velde in de jaren dertig. De nadruk ligt op de rustgevende gaafheid van de lijn.

Zijn laatste grote opdrachten waren de Belgische paviljoens op de Wereldtentoonstelling van 1937, 1939 en 1940.

Zwitserland 1947 - 1957
Toen hij na de Tweede Wereldoorlog wegens zijn Duitsgezindheid beschuldigd werd van collaboratie - een beschuldiging die nooit in een gerechtsdossier werd hardgemaakt - konden Zwitserse vrienden hem ertoe overhalen, zich in hun land te vestigen, in een villa in het Zwitserse plaatsje Oberägeri die uitzag over het meer van Zürich. Daar overleed hij in 1957, een aartsvaderlijke figuur die drie generaties lang had geijverd voor vernieuwing waarin hij zelf tot op hoge leeftijd aan de spits had gestaan.

In Zwitserland schreef hij zijn memoires welke in 1956 gepubliceerd werden.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 664.