kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 28-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Jacob van Campen

Nederlands kunstenaar uit de Gouden Eeuw, 2 februari 1596 Haarlem – 13 september 1657 Amersfoort.

Jacob van Campen was een geleerd man die zich in de hoogste kringen bewoog. Hij was in Haarlem opgeleid als schilder en architect en trad in 1614 toe tot het Haarlemse schildersgilde. Hij was echter vooral actief als architect.

Belangrijke werken van Jacob van Campen zijn onder andere het Mauritshuis in Den Haag (1633), de Nieuwe Kerk in Haarlem, de Meisjesbinnenplaats van het Burgerweeshuis (1632/35) en de (inmiddels afgebrande) Amsterdamse Schouwburg. Van de Nieuwe Kerk in Haarlem maakte Pieter Saenredam niet minder dan drie schilderijen en acht prenten. Wereldfaam verwierf hij met het stadhuis van Amsterdam, nu het Paleis op de Dam.

De Westertoren (1638) wordt soms aan Jacob van Campen toegeschreven: de toren is in een veel classicistischer stijl dan de kerk en is dan ook waarschijnlijk niet door Hendrick de Keyser ontworpen. De enige (bekende) voorbeelden van Amsterdams woonhuizen ontworpen door Jacob van Campen zijn Keizersgracht 177 (de Coymans-huizen, 1625/26).

Van Campen werkte in een classicistische stijl. Zijn werk was beïnvloed door de architectuur van Palladio, die hij had bestudeerd tijdens zijn verblijf in Italië (ca. 1615-1621). Net als Palladio gaf hij zijn gebouwen een strak symmetrische opbouw en gebruikte hij pilasters die over enkele verdiepingen doorlopen.

Van Campen werkte zowel als architect, kunstschilder en ontwerper van decoratie-programma’s, zoals voor het kerkorgel in Alkmaar of die van de Oranjezaal in Huis ten Bosch te Den Haag.

Er is slechts een tiental schilderijen van Van Campen bekend. Twee daarvan bevinden zich in de collectie van het Mauritshuis. Zijn schilderijen en wanddecoraties o.a. voor Paleis Huis ten Bosch zijn enigszins verwant met die van Paulus Bor, een van de oprichters van de Bentvueghels.

Zijn kunst had ook een invloed op de beeldhouwkunst.

Bij zijn werken werd hij geassisteerd door Pieter Post, Daniël Stalpaert, Matthias Withoos, Philips Vingboons, Artus Quellinus, Tielman van Gameren en Rombout Verhulst.

Op Johan Maurits van Nassau-Siegen, de ontwerper van de De Kleefse tuinen en de Grote Keurvorst in Berlijn had Van Campen zelfs na zijn dood veel invloed.
Frederik Willem van Brandenburg wenste koste wat het kost een boek door Van Campen geschreven te bezitten.
Het stadhuis en het stadspaleis in Potsdam zijn op de ideeën van Van Campen gebaseerd.

Biografie
Hij stamde uit een welgestelde familie en bracht zijn jeugd door in zijn geboortestad Haarlem. Van Campen was van adel en ging, vooral bij wijze van tijdverdrijf, schilderen.

Over zijn leertijd is niets bekend. Lange tijd werd aangenomen dat Frans Pietersz de Grebber zijn leermeester was en ook Pieter Paul Rubens is door enkele 18de- en 19de-eeuwse biografen als leermeester genoemd, maar hiervoor is geen bewijs. Evenmin is een reis naar Italië zeker, die Van Campen volgens Houbraken gemaakt zou hebben. In 1614 werd Van Campen als meesterschilder ingeschreven bij het Haarlemse St. Lucas-gilde.

Hollands Classicisme
Na een vermoedelijk verblijf in Italië van 1617 tot 1624 keerde hij terug naar Nederland, waar hij de ideeën van Andrea Palladio, Vincenzo Scamozzi en de klassieke architectuur van Vitruvius combineerde met de inheemse baksteenbouw. Het resultaat was het Hollands classicisme, een classicistische bouwstijl die behalve in Nederland ook internationaal van invloed was.
Onder het Hollandse Classicisme wordt de classicistische variant van de Barok verstaan, die rond 1630 in de Republiek tot ontwikkeling komt en halverwege de 17de eeuw immens populair wordt. Het Hollandse Classicisme had een uitstraling naar Noord-Duitsland, Engeland en Scandinavië. Tot de school van Jacob van Campen behoren Pieter Post en de gebroeders Philips en Justus Vingboons.

Jacob van Campen was in tegenstelling tot bijvoorbeeld Hendrick de Keyser een erudiet man die zich in de hoogste kringen bewoog. Architectuur was voor hem een hobby. In 1625 erfde hij het landgoed Randenbroek bij Amersfoort beleend. Sindsdien wordt hij in documenten vaak aangeduid als 'Heer van Randenbroek'. Vanaf de vroege jaren 1630 werd Randenbroek zijn thuisbasis.

In 1625 kreeg Van Campen in Amsterdam zijn eerste bouwopdracht; deze vormde het begin van vele opdrachten.

Keizersgracht 177, de Coymans-huizen (1625/26), Amsterdam.
Bij de verbouwing van het Rembrandthuis aan de Jodenbreestraat (1627/28) en het ontwerp van het kasteel Drakensteyn wordt zijn hand vermoed.
Meisjesbinnenplaats van het Burgerweeshuis (1632/35), Amsterdam.

Het Mauritshuis in Den Haag (1633),
In Den Haag zorgde zijn in 1632 begonnen vriendschap met Constantijn Huygens ook voor veel opdrachten. Behalve een huis voor en in samenwerking met Huygens zelf (1634-1637), bouwde hij er het Mauritshuis (1634-1644) voor Johan Maurits van Nassau-Siegen. Via Huygens, de secretaris van stadhouder Frederik Hendrik, verkreeg Van Campen ook opdrachten aan het hof. Voor diverse stadhouderlijke paleizen ontwierp hij de decoratieprogramma's. Met Huygens gaf hij van 1647 tot 1652 leiding aan het decoratieprogramma van de Oranjezaal in Huis ten Bosch.

De Schouwburg van Van Campen (1637/38) naar het voorbeeld van Teatro Olimpico in Vicenza, (de eerste stadsschouwburg) in Amsterdam, waarvan alleen nog het poortje rest (Keizersgracht 384)
Accijnshuis, Oudebrugsteeg (1638), Amsterdam, wordt soms ook toegeschreven aan Jacob van Campen
Westertoren (1638), Amsterdam, wordt soms ook toegeschreven aan Jacob van Campen
Het paleis Noordeinde in Den Haag (1640).
Nooit gebouwde toren van de Nieuwe Kerk (1645) Amsterdam.

Mercurius, Argus en Io, ca. 1635, Olieverf op doek, 204 x 193 cm, Den Haag, Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis
Afgebeeld is het verhaal van 'Mercurius, Argus en Io' beschreven door Ovidius in de Metamorfosen.
De dartele Jupiter vergreep zich aan de waternimf Io. Uit vrees dat zijn vrouw Juno hem met haar zou betrappen, veranderde hij Io in een koe. Juno voelde aan hoe de vork in de steel zat en vroeg Jupiter haar de koe cadeau te geven. De god raakte in tweestrijd. De schaamte raad het aan, de liefde raad het af. Met tegenzin gaf hij tenslotte de koe aan Juno, redenerend dat zij anders kon denken dat het om meer ging dan om alleen een koe. De wantrouwige Juno droeg toen aan de waakzame Argus op om de koe dag en nacht scherp in de gaten te houden. Jupiter op zijn beurt, stuurde zijn listige zoon Mercurius naar de plek waar Argus Io liet grazen. Mercurius nam daar de gedaante aan van een herder, sneed een fluit uit riet en speelde daarop zo meeslepend dat Argus hem uitnodigde bij zijn vee te komen. Mercurius floot voor Argus en verteld hem vervolgens een boeiend verhaal, totdat Argus tenslotte in slaap viel. Toen Mercurius zeker wist dat Argus diep in slaap was, trok hij zijn zwaard tevoorschijn en hakte Argus' hoofd er af.

Het Koninklijk Paleis, Amsterdam, voormalig stadhuis. (1648-1655)
Het belangrijkste werk van Jacob van Campen is zonder enige twijfel het stadhuis op de Dam, thans Paleis (1648/65), de indrukwekkendste schepping van het Hollandse Classicisme. In 1647 duikt zijn naam voor het eerst op in verband met het ontwerp van het nieuwe stadhuis. Het moest een volmaakt gebouw worden, met een volmaakte maatvoering, volmaakte verhoudingen en een volmaakte boodschap aan de toeschouwer. Zijn kracht lag in de strenge proporties en de zeer matige versiering. Critici verafschuwden de eenvoudige entree - zonder trappen - op de begane grond.
Tijdens de bouw van het stadhuis woonde Van Campen in het duurste logement in de Kalverstraat en zijn verteringen waren navenant. In 1654 is Van Campen met ruzie vertrokken naar zijn buiten bij Amersfoort, waarschijnlijk in verband met het ontwerp van de tongewelven. Daniël Stalpaert voltooide het werk met enkele onbelangrijke wijzigingen. Na voltooiing was het stadhuis van Amsterdam het grootste stadhuis ter wereld.

Het Koninklijk Paleis werd tussen 1648 en 1665 gebouwd als stadhuis van Amsterdam. De ontwerper was Jacob van Campen, maar de technische uitvoering werd verzorgd door stadsbouwmeester Daniël Stalpaert. Jacob van Campen kwam in 1654 in conflict met het stadsbestuur, waarna Daniël Stalpaert de volledige leiding kreeg. Het beeldhouwwerk werd gemaakt door Artus Quellijn en zijn medewerkers. In 1655 werd het stadhuis feestelijk ingehuldigd, maar was toen nog niet voltooid: pas in 1665 was het gebouw gereed, terwijl aan de inrichting van de vertrekken tot aan het begin van de 18de eeuw werd gewerkt.

Voor de vervanging van het bouwvallig geworden gotische stadhuis waren verschillende ontwerpen ingediend. De Vrede van Münster in 1648 bracht zo'n euforie met zich mee dat het meest ambitieuze plan werd uitgevoerd. Het stadhuis werd gebouwd op een schaal die in Europa nog niet eerder was vertoond. Het werd het grootste bestuurlijke gebouw van het toenmalige Europa. Het gebouw rust op 13.659 palen ("de dagen van het jaar, een één ervoor en een negen erachter", hebben generaties schoolkinderen geleerd). Het "achtste wereldwonder" werd de parel in de kroon van Amsterdam. Het gebouw moest de rijkdom en het aanzien van de stad Amsterdam weerspiegelen. Het gebouw werd geheel opgetrokken uit Bentheimer zandsteen (oorspronkelijk zeer licht gekleurd) en met name in het interieur veel marmer. Jacob van Campen liet zich inspireren door de Romeinse bestuurlijke paleizen. Voor de burgemeesters van Amsterdam, die zich de consuls van een nieuw Rome waanden, werd een nieuw Capitool gebouwd. Het stadhuis van Jacob van Campen is 's lands belangrijkste historische en culturele monument van de 17de eeuw, de glorietijd van Nederland in het algemeen en van Amsterdam in het bijzonder. Het gebouw is dan ook op zeer veel oude afbeeldingen te zien.

Het gebouw is tot 1808 stadhuis gebleven. Daarna werd het door koning Lodewijk Napoleon veranderd in een paleis. De galerijen werden door houten wanden in vertrekken verdeeld. Aan de voorzijde werd een balkon aangebracht. Uit deze periode stammen ook de fraaie Empire meubelen die in het paleis zijn te zien. In de 20ste eeuw werd het gebouw meerdere malen gerestaureerd, waarbij de verbouwingen van Lodewijk Napoleon ongedaan werden gemaakt. Het gebouw werd in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht, waardoor we het gebouw weer kunnen ervaren als een bestuurlijke tempel in klassieke traditie. Na de restauratie in 1960 werd het gebouw beperkt opengesteld voor het publiek.

Het Hollands classicisme in de trant van Jacob van Campen heeft een monumentaal gebouw opgeleverd, eenvoudig van vormen, sober van versiering, maar helder van opzet. Het beeldhouwwerk mocht nergens de aandacht afleiden van het grootse geheel. De compositie van de gevel is harmonieus en voldoet aan de ideale klassieke verhoudingen. De zware sokkel draagt twee pilasterorden die beide een hoog en een laag venster beslaan, overeenkomend met een hele en een halve verdieping erachter. In navolging van Vincenzo Scamozzi is een Corinthische orde boven een Composiete geplaatst. De middenpartij met het fronton komt iets naar voren, evenals de hoekpaviljoens. De heldere structuur van het gebouw is zo overheersend dat het fraaie beeldhouwwerk nauwelijks opvalt. De kapitelen, festoenen enzovoort zijn weergaloos en het hoogste wat men in de lage landen heeft weten te bereiken. We zien de festoenen op grachtenhuizen overal in de stad nagevolgd.

Het meest indrukwekkend zijn de timpanen met beeldhouwwerk in marmer en de bronzen beelden op de frontons.
Het gebouw heeft zowel aan de voorgevel aan de Dam als aan de achtergevel aan de Nieuwezijds Voorburgwal een groot fronton met een timpaan met marmeren beeldhouwwerk. Het reusachtige beeld bovenop het fronton stelt de Vrede voor. Het beeld refereert aan het vredesjaar 1648, tevens het stichtingsjaar van het gebouw. Zij draagt twee vredessymbolen: de olijftak en de staf van Mercurius. De Vrede wordt geflankeerd, op de hoeken van het fronton, door de Voorzichtigheid (Prudentia) en de Gerechtigheid (Justitia). Het timpaan laat de welvaart zien die uit de vrede voortkomt. Zeegoden waaronder Neptunus, omringd door zeewezens waaronder zeepaarden, betuigen hulde aan de Amsterdamse stedemaagd, uitgebeeld als een antieke godin, met een keizerskroon op het hoofd.
Op het fronton aan de achtergevel aan de Nieuwezijds Voorburgwal staat torst Atlas de wereldbol. Op de hoeken staan de Gematigdheid (Temperantia) en Waakzaamheid (Vigilanza). In het timpaan is opnieuw de stedemaagd uitgebeeld. Aan haar voeten zitten de de riviergoden Amstel en IJ. De stedemaagd strekt haar armen uit om de schatten van de vier, toenmalig bekende, werelddelen in ontvangst te nemen. Europa staat links, Azië rechts, Afrika helemaal links en Amerika helemaal rechts. Om duidelijk te maken hoe de handelsgoederen Amsterdam, het middelpunt van de wereld, bereikten, is achter de stedemaagd een handelsschip te zien.
Vroeger werd aan kinderen verteld dat als Atlas zijn bol zou laten vallen, Amsterdam ten onder zou gaan! (vorm van een koggeschip, het oude symbool van de stad Amsterdam. Volgens het oorspronkelijke plan zou de koepel bekroond worden door acht beelden: de acht windrichtingen. Dit plan is niet uitgevoerd.

Boven de middenpartij rijst een hoge koepel op, van waaruit men de aankomst van de schepen op het IJ kon zien. Opvallend is het ontbreken van een monumentale ingangspartij. De zeven onversierde bogen op straatniveau (zonder stoep) was letterlijk een lage drempel, om duidelijk te maken dat het stadhuis van iedereen was.

De exterieur van het gebouw is sober en ingetogen, maar het interieur is oogverblindend. Een bezoek aan Amsterdam is dan ook niet compleet zonder een bezoek aan het Koninklijk Paleis, het voormalige stadhuis van Jacob van Campen.
Het gebouw is een rechthoek bestaande uit twee kleinere rechthoeken met elk een binnenplaats. In het midden van het gebouw ligt een gigantische ruimte, de Burgerzaal (1), precies in de spiegelas van het gebouw. De Burgerzaal ligt tussen de vooruitspringende middenpartijen van de voor- en achtergevel.
De indeling is functioneel. Rondom de binnenplaatsen liggen de galerijen (2), waarop de deuren naar de vertrekken uitkomen. Alle belangrijke vertrekken zijn op de eerste verdieping (de hoofdverdieping): de Burgemeesterskamer (3), de Oud-Raadzaal (4), de Vroedschapszaal (5) en de Schepenzaal (6). De Vierschaar (7), waar doodvonnissen werden uitgesproken, ligt echter op de begane grond. Daar zijn ook de stadsboeien (de gevangenis). - (Amsterdam het boek "Bouw-, Schilder- en Beeldhouwwerk van het Stadhuis van Amsterdam" met ontwerptekeningen.

Websites Stadhuis Amsterdam: Jacob van Campen in 1657 bij Amersfoort op de buitenplaats Randenbroek, dat hij had geërfd van zijn moeder. Het was door hemzelf verbouwd en door Caesar van Everdingen gedecoreerd. Van Campen is nooit getrouwd geweest, maar had wel een zoon. Onder de begrafenisgasten brak ruzie uit, waarbij harde klappen vielen, zodat een aantal voor het gerecht werd gedaagd.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 34.