kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 28-08-2008 voor het laatst bewerkt.

Jan Duiker

Nederlands architect, 1 maart 1890 Den Haag - 23 februari 1935 Amsterdam.

Gedurende vijftien jaar, van ongeveer 1920 tot 1935, het jaar van zijn vroegtijdige dood, behoort het werk van Duiker tot het beste wat in de Nederlandse architectuur tot stand komt. Aldo van Eyck plaatst hem bij de meest vindingrijke architecten ooit. Duiker was een belangrijke vertegenwoordiger van de Nieuwe Zakelijkheid of het Nieuwe Bouwen van de jaren '20-'40. Kostbaarheden in zijn nalatenschap zijn het Sanatorium Zonnestraal in Hilversum (1926-1928) en de Openluchtschool in Amsterdam (1927-1930), twee constructivistische bouwwerken van beton en glas.

Door Duiker werden ontwerp- en technische problemen op papier en in de bouw schijnbaar moeiteloos opgelost. Grote persoonlijke deskundigheid is te zien in vondsten voor de kleine onderdelen. Opvallend is het grote aantal werken tot stand gekomen in een tijd van malaise; behalve een tijdelijke kracht werkte Duiker zonder hulp.
Uit de stukken van Duiker blijkt zijn grote belangstelling voor de ontwikkeling der techniek, meer op samenhang dan op specialisme gericht.
Zijn "kolommen" over verschijnselen, werk van anderen en het bij herhaling wijzen van de overheid op haar taak, getuigen van een journalistieke scherpzinnigheid. Duiker wordt eerder als liberaal dan als socialist gezien.
Jan van Zutphen meende: "Stellig behoorde hij tot de groten van geest, een strijder zonder arrogantie, maar met een vastberadenheid en een geestdrift die meeslepend waren".

De heldere en functionele architectuur van Duiker is transparant, streng, helder, zo mooi mogelijk met bijna niets. Verschillende, inmiddels gerestaureerde gebouwen van hem zijn nog steeds in gebruik door tevreden bewoners.

Hield zijn compagnon Bijvoet zich volgens een tijdgenoot bezig met visie en esthetische opzet, Duiker beschouwde architectuur als wetenschap. Duiker in 1933: 'Nu zijn we er: er moest een architectuurwetenschap ontstaan, een wetenschap die behalve gewone technische, wiskundige en natuurkundige vakken, ook de medische, filosofische, economische, biologische enz. bevat, dan durfde tenminste die vervelende krantenman of iedere willekeurige principaal ook niet meer zijn mond open te doen. Hij kon dan nog wel zeggen: "ik vind het niet mooi", maar die uitspraak zou ons even koud laten als die van den patiënt dat hij zijn drankje niet lust. Bij den dokter durft hij immers ook niet weg te blijven. Deze architectuurwetenschap zou wel natuurlijke historie, maar vooral geen kunsthistorie mogen omvatten en geen boetseren, geen ornamentenleer geen architectonische vormleer, geen decoratieve kunst.' Opvallend mag worden genoemd dat Duiker zich als 'bouwkundig ingenieur' afficheert en niet als architect.

Jan Duiker was een bijzonder produktieve architect, die in een beperkt aantal jaren een relatief groot aantal ontwerpen op zijn naam heeft gebracht. Zijn snelle en efficiënte manier van werken stelde hem daartoe in staat. Gesloten en enigszins verlegen, maar ook idealistisch en bevlogen was hij steeds onvermoeibaar met zijn ontwerpen bezig: 'Wanneer hij op zijn bureau bezoek kreeg ... , werkte hij gewoon door. Problemen werden aan de tekentafel opgelost, maar meestal op de bouwplaats zelf' (Zoetbrood, Sanatorium Zonnestraal, 12).

Biografie
Johannes Duiker werd geboren te Den Haag, als zoon van de hoofdonderwijzer Fokke Duiker en Frederika Adriana Rosenveldt. Hij volgde de HBS en deed in 1907 eindexamen, waarna hij twijfelde tussen bouwkunde en een opleiding tot concertpianist aan het conservatorium.

In 1908 begon hij aan zijn studie bouwkunde aan de Technische Hogeschool Delft, waar hij bevriend raakte met de Amsterdamse koopmanszoon Bernard Bijvoet; ook een muziekliefhebber en een getalenteerde pianist. In 1913 studeerden beiden af. Ze werkten enkele jaren op het bureau van hun Delftse leermeester prof. H. Evers, die onder andere toezicht hield op de bouw van het door hem ontworpen stadhuis van Rotterdam.

In 1916 begonnen Duiker en Bijvoet in Den Haag hun eigen architectenbureau.

Al sinds hun afstuderen hadden Duiker en Bijvoet meegedaan aan verschillende prijsvragen. In 1917 behaalden zij daarbij hun eerste grote succes, toen ze de opdracht verwierven voor een complex bejaardenwoningen, de Karenhuizen, in Alkmaar.

Kunsten in Amsterdam. Duiker en Bijvoet hadden zich geleidelijk losgemaakt van de traditionele opvattingen uit hun Delftse studiejaren en waren gefascineerd geraakt door de architectuur van H.P. Berlage en van de Amerikaan Frank Lloyd Wright. Vooral de originele en eigenzinnige vormgeving van de laatste maakte diepe indruk op hen. In het plan voor de Rijksacademie, met de massale rechthoekige muurvlakken, waarmee onderling contrasterende, horizontale en verticale accenten worden gecreëerd, komt Wrights invloed voor het eerst duidelijk tot uiting. In 1920 werd de eerste paal geslagen, doch daar bleef het bij. Het ontbrak de jonge architecten aan voldoende ervaring om hun plannen voor het monumentale bouwwerk tijdig bestekklaar te maken, zodat van uitstel ten slotte afstel kwam.

Ook al werd hun ontwerp voor de Rijksacademie dan niet uitgevoerd, toch was het van beslissende betekenis voor de carrière van Duiker en Bijvoet. Het geldbedrag dat zij met de prijsvraag hadden gewonnen, stelde hen in 1919 in staat naar Zandvoort te verhuizen en daar een nieuw architectenbureau te openen. Met hun bekroning hadden zij bovendien nationale bekendheid gekregen - 'Architect van de Rijksacademie' vermeldde Duikers visitekaartje aanvankelijk trots - en dat leverde hun de nodige opdrachten op.

Gehuwd op 23-5-1919 met Hermina Jacoba Bernardina Valken, onderwijzeres. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

Berlage, die als jurylid het Academie-ontwerp mede had helpen bekronen, bracht Duiker en Bijvoet reeds hetzelfde jaar in contact met het tuberculosebestrijdingsfonds van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB). Het bestuur van dit fonds wilde op een daartoe aangekocht landgoed bij Hilversum een arbeidskolonie voor herstellende tbc-patiënten laten verrijzen, met als naam 'Zonnestraal'. Duiker en Bijvoet aanvaardden de opdracht en gingen enthousiast aan het werk. In juni 1920 konden zij de eerste plannen presenteren, maar opnieuw kwamen deze niet verder dan de tekentafel. Een plotseling optredende crisis in de Amsterdamse diamantnijverheid leidde ertoe dat voorlopig van de bouw moest worden afgezien.

Zowel de niet verwezenlijkte plannen voor 'Zonnestraal' als een aantal kleine, minder kostbare bijgebouwen die beide architecten als 'bouwkundige raadslieden' van het tbc-bestrijdingsfonds vanaf 1920 voor het terrein van de nazorgkolonie ontwierpen, laten zien dat Duiker en Bijvoet nog steeds sterk onder de invloed stonden van Wright en Berlage. Deze invloed is ook terug te vinden in andere ontwerpen van hun hand die in het begin van de jaren twintig - vooral in Den Haag en omgeving - tot stand kwamen. De in Kijkduin gebouwde villa's, bijvoorbeeld, vertonen met hun muurtjes, terrassen en overstekken veel overeenkomsten met Wrights befaamde 'prairie houses'.

Hadden Duiker en Bijvoet aanvankelijk weinig behoefte hun denkbeelden uit te dragen - in architectenkringen noemde men hen de 'zwijgende ingenieurs' -, vanaf 1924 kwam daarin verandering. In het Bouwkundig Weekblad (45 (1924) 22-25) publiceerden zij toen een korte bijdrage over de een jaar tevoren voltooide Middelbaar Technische School in Groningen. Dit door hun oud-studiegenoot J.G. Wiebenga samen met L.C. van der Vlugt ontworpen gebouw zorgde voor een ommekeer in de Nederlandse architectuur: het stond aan het begin van een richting die bekend zou worden als het 'Nieuwe Bouwen'. In hun artikel gaven Duiker en Bijvoet blijk van hun bewondering voor de hier in praktijk gebrachte denkbeelden. Architectuur diende volgens hen in overeenstemming te zijn met de eisen èn de mogelijkheden van de moderne tijd. Zij bepleitten daarom de toepassing van de nieuwste bouwtechnieken en -materialen, waarmee 'een nieuwe moderne schoonheid' moest worden nagestreefd.

De vroegste poging de beleden idealen te verwezenlijken vormde de wasserij te Diemen, die Duiker en Bijvoet nog in 1924 ontwierpen voor het tbc-bestrijdingsfonds van de ANDB. In navolging van Wiebenga en Van der Vlugt pasten zij hier voor de eerste maal een skeletconstructie van gewapend beton toe, waardoor de buitenmuren niet langer een dragende functie hadden en een overvloedig gebruik van glas in de witte, decoratieloze voor- en zijgevel mogelijk werd. Met dit bouwwerk bleek duidelijk dat de aan Wright en Berlage ontleende stijlmiddelen voorgoed hadden afgedaan.

Omstreeks het midden van de jaren twintig was er niet alleen sprake van een keerpunt in de artistieke opvattingen van het architectenduo; ook in hun persoonlijke leven voltrok zich toen een ingrijpende verandering. In de zomer van 1925 kwam er zowel aan Duikers huwelijk als aan zijn jarenlange intensieve samenwerking met Bijvoet een einde. Duiker vestigde zich met zijn Zandvoortse buurvrouw Lucie Küpper en haar twee kinderen in Amsterdam. Bijvoet vertrok naar Parijs om daar in samenwerking met Franse architecten, waaronder Pierre Chareau, zijn carrière te vervolgen. Het einde van hun compagnonschap was het gevolg van financiële problemen, niet van een artistiek meningsverschil. Aan hun vriendschap kwam dan ook geen einde; Duiker zou Bijvoet blijven raadplegen.

Na echtscheiding (9-9-1926) gehuwd op 23-11-1926 met Rosa Katharina Lucie Küpper. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.
Duiker zette het architectenbureau alleen voort, in een kamer van de Amsterdamse bovenwoning waar hij met Lucie en haar kinderen zijn intrek had genomen; 'het zaakje' noemde hij het relativerend. Duikers tweede echtgenote was hem daarbij tot grote steun: zij verzorgde de administratie en regelde de financiën, waardoor hij zich geheel op zijn werk kon richten. Het was een harmonieus huwelijk, waarin de geldzorgen echter steeds dreigend aanwezig waren. Toen de economische depressie het vanaf het einde van de jaren twintig steeds moeilijker maakte opdrachten binnen te halen, zagen Duiker en zijn vrouw zich zelfs genoodzaakt naar een grotere woning te verhuizen om een gedeelte daarvan aan 'paying guests' te verhuren.

Nazorgkolonie Sanatorium Zonnestraal Hilversum (1926-1928)
Inmiddels was het 'Zonnestraal'-project nieuw leven ingeblazen. De diamantindustrie had zich van haar inzinking hersteld, en het tbc-bestrijdingsfonds van de ANDB had in zijn streven het oude plan te verwezenlijken samenwerking gezocht met andere instellingen en verenigingen. Nadat aldus de financiële problemen waren opgelost, kon Duiker opnieuw aan het werk, en in september 1926 werd zijn definitieve ontwerp voor de Nazorgkolonie 'Zonnestraal' - waarin ook Bijvoet nog een aandeel had gehad - aanvaard. Dit ontwerp voor een hoofdgebouw, geflankeerd door twee los staande patiëntenpaviljoens, leek in geen enkel opzicht meer op de niet verwezenlijkte plannen uit 1920; met 'Zonnestraal' ging Duiker verder op de eerder ingeslagen weg van het 'Nieuwe Bouwen'. Bepalend voor de drie in 1928 in gebruik genomen gebouwen is wederom het betonskelet, dat zowel grote glazen gevelwanden als een vrije ruimte-indeling mogelijk maakt, waardoor licht, lucht en zon onbelemmerd toegang hebben. Deze open constructiewijze in combinatie met het klinisch witte uiterlijk van ieder bouwwerk zorgt voor een transparante architectuur, 'zo ijl en dun, dat het gebouw lijkt te zweven' (Bak, 88).

Websites: Documentaire van Kiki Amsberg over het voormalige sanatorium Zonnestraal te Hilversum, ontworpen door architect Jan Duiker. Aan de orde komen ondermeer de techniek van het zogenaamde nieuwe bouwen, zoals door Duiker toegepast bij dit gebouw. ingenieur en specialist op het gebied van de betontechniek. Deze samenwerking werd in de daaropvolgende jaren geïntensiveerd, waarbij Wiebenga voor Duiker min of meer de plaats van Bijvoet innam.

Nirwanaflat, Den Haag (1927-1930) (eerste flatgebouw van Nederland; ontworpen samen met J.G. Wiebenga.)
Wiebenga, in 1926 teruggekeerd van een anderhalfjarig verblijf in de Verenigde Staten, wist Duiker enthousiast te maken voor zijn plan om - in eigen beheer - naar Amerikaans voorbeeld 'apartment-houses' te bouwen, moderne serviceflats met een groot aantal centrale voorzieningen en technische nieuwigheden die bedienend personeel overbodig maakten. Overtuigd van de potentie van de woontoren schreef Duiker het boek Hoogbouw en in 1927 ontwierpen zij een complex van vijf geschakelde woontorens van elk zestig meter hoog, dat zou moeten verrijzen aan de Haagse Benoordenhoutseweg. Uiteindelijk zou van dit ambitieuze project slechts één gebouw worden verwezenlijkt: de zeven verdiepingen tellende Nirwâna-flat, die in 1930 werd opgeleverd. Voordat het zover was, hadden beide architecten een lange lijdensweg moeten afleggen met talmende financiers, belemmerende bouwvoorschriften, onvoorziene technische problemen en veeleisende aspirant-bewoners. Maar terwijl Duiker zich steeds weer bereid toonde het ontwerp hieraan aan te passen - zelfs nadat al met de bouw was begonnen -, kon Wiebenga hiervoor gaandeweg geen enkel begrip meer opbrengen. In februari 1929 kwam het ten slotte tot een breuk en gingen Duiker en Wiebenga uiteen.

'De 8'
Met de Nirwâna-flat hadden beide architecten ervaring kunnen opdoen met de problemen verbonden aan hoogbouw, in hun ogen dè woonvorm van de toekomst. Tegelijkertijd werkte Duiker, met medewerking van Wiebenga, zijn denkbeelden dienaangaande nader uit in het boekje Hoogbouw, dat in 1930 op naam van de eerste verscheen. Het is een van de vele publikaties over onderwerpen uit de moderne architectuur die Duiker vanaf het begin van de jaren dertig het licht deed zien, vooral in het vernieuwingsgezinde bouwkundige tijdschrift De 8 en Opbouw. Dit blad was mede de spreekbuis van de Amsterdamse architectenkern 'De 8', waarbij Duiker en Wiebenga zich in 1928 hadden aangesloten. De leden van 'De 8' waren zowel idealistisch als pragmatisch. Zij streefden een geheel nieuwe, internationaal gerichte bouwkunst na, die echter verwezenlijkt diende te worden binnen de bestaande maatschappij. Men stelde zich daarbij objectief en waardevrij op: architectuur was voor hen een wetenschap en geen kunst; in de architectuur moest daarom doelmatigheid en niet schoonheid centraal staan.
Binnen 'De 8' nam Duiker al snel een leidende positie in: sinds 1932 trad hij op als voorzitter en als redacteur van het blad De 8 en Opbouw.

Openluchtschool Cliostraat, Amsterdam (1929-1930) (de gemeentelijke schoonheidscommissie verwees het "avant-gardistisch glaspaleis" naar een geheel door huizen omgeven binnenplein wegens te groot contrast met de overige bebouwing)
Zijn leidende positie binnen 'de 8' was een gevolg van het feit dat hij als architect de meeste projecten op zijn naam had staan. Zo werden er omstreeks 1930 twee door Duiker ontworpen schoolgebouwen voltooid die tot de fraaiste voorbeelden van het 'Nieuwe Bouwen' in Nederland mogen worden gerekend: de Derde Ambachtsschool te Scheveningen, opgeleverd in 1931 naar een ontwerp uit 1929, en de Openluchtschool voor het Gezonde Kind in Amsterdam-zuid, die in 1930, twee jaar na goedkeuring van het definitieve plan, gereed kwam. Dit laatste gebouw, met zijn heldere vormgeving en extreme openheid, wordt vaak gezien als Duikers meesterwerk. Op even originele als eenvoudige wijze heeft hij de leslokalen en terrassen zo over het drie verdiepingen tellende bouwwerk verdeeld dat hier een maximum aan licht en lucht toegang kan krijgen. Niet iedereen had overigens waardering voor Duikers schepping. De gemeentelijke schoonheidscommissie vreesde dat het moderne uiterlijk van het gebouw te zeer zou detoneren met de overige, in de stijl van de Amsterdamse school opgetrokken bebouwing en verwees het avantgardistische 'glaspaleis' daarom naar een geheel door huizen omgeven binnenterrein, zodat het vanaf de openbare weg nagenoeg onzichtbaar was.

De door Jan Duiker ontworpen school aan de Cliostraat maakt deel uit van een reeks "openluchtscholen" die vanaf het begin van deze eeuw in Nederland, evenals elders in Europa en de Verenigde Staten, werden gesticht. Waren de scholen in Den Haag (1908), Amsterdam (1925 en 1929), Arnhem (1930) en Haarlem (1931) bestemd voor zieke of zwakke kinderen en meestal gesitueerd buiten de stad of in een parkrijke omgeving, Duiker ontwierp de "Eerste Openluchtschool voor het Gezonde Kind" op het binnenterrein van een geprojecteerd bouwblok in Amsterdam-Zuid. Om tegemoet te komen aan de "sanitair-hygiënische" eisen van een optimale licht- en luchttoetreding week hij radicaal af van de "landelijke" bouwstijl die de Amsterdamse openluchtscholen aan de Frederikstraat bij het Vondelpark en het Oosterpark kenmerkte, en creëerde hij middels minimalisering van de constructie een maximum aan openheid.
Overeenkomstig de principes van het Nieuwe Bouwen is bij de Openluchtschool de betonnen draagconstructie geheel losgekoppeld van de ruimte-omsluitende delen en vormt een geometrisch patroon van in het zicht gelaten kolommen en balken. De buitenste kolommen verjongen zich naar boven, de randbalken zijn eveneens aangepast aan het krachtenverloop. De gevels liggen in één vlak met de vloer- en dakranden en bestaan uit een gestucte betonnen borstwering en een vliesgevel met aanvankelijk zes grote stalen draairamen aan de lange zijden van de lokalen. Op de hoeken springen de gevels terug over een afstand ter grootte van het vloeroverstek. Op de terrassen wordt de borstwering gevormd door betonnen bloembakken en een hekwerk met een aanvankelijke vierdeling, welke terugkwam in het in staal gevatte windscherm rond de twee buitenklassen op het dak.
Mogelijk wat later dan het hoofdgebouw werd de school, hoogstwaarschijnlijk in 1932, voorzien van een eveneens door Duiker ontworpen laag poortgebouw aan de Cliostraat. Hierin bevonden zich woningen voor de conciërge en voor het hoofd van de school. Boven de poortdoorgang bevond zich een handenarbeidlokaal; naast de doorgang was ruimte voor een rijwielbergplaats. - (Amsterdam (1934)
Sinds 1924 was Duiker bij al zijn bouwwerken uitgegaan van een draagconstructie van gewapend beton. Met de in 1933 ontworpen 'Cineac Handelsblad' aan de Amsterdamse Reguliersbreestraat kwam daarin verandering. Bij deze 'nieuwsberichtenbioscoop', waar ononderbroken journaalfilms werden vertoond, paste Duiker voor de eerste maal een skelet van staal toe. Deze lichte draagconstructie was noodzakelijk, omdat hij bij zijn ontwerp moest uitgaan van de bestaande funderingen. Verder vroegen de akoestiek en de temperatuurbeheersing in de paraboolvormige zaal om de toepassing van stalen wanden. De op dat moment zeer lage staalprijs werkte deze keuzes in de hand. Met de 'Cineac' bereikte Duikers vindingrijkheid een hoogtepunt: in zijn ontwerp loste hij niet alleen op ingenieuze wijze de uit de ongunstige vorm van het bouwterrein voortkomende ruimtelijke problemen op, maar zorgde hij tevens voor een hoogstmodern en markant uiterlijk. Duiker weet een zaalvorm te ontwerpen op een qua vorm zeer grillig terrein die de grenzen ervan als het ware weet te negeren.

Recht tegenover het Tuschinski theater staat een voormalige bioscoop van een geheel ander karakter. Stond in Tuschinski de "droomwereld van het luxueuze leven" centraal, in de Cineac ging het vooral om de realiteit van het actuele nieuws. De naam Cineac is afgeleid van "cinema" en "actualité". In de Cineac vertoonde het Handelsblad korte doorlopende filmjournaals. De bezoekers konden op elk gewenst moment de bioscoop betreden of verlaten. Het is gebouwd in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid of het Nieuwe Bouwen en uitgevoerd in glas en staal. Omwille van het optimaal benutten van de beschikbare ruimte werd de zaal diagonaal geplaatst. Opmerkelijk is de van de rooilijn teruggeplaatste ingangspartij; de kolom op de hoek van de Reguliersbreestraat en Regulierssteeg is onderdeel van het dragende staalskelet. Onder de luifel in de steeg kon men zich opstellen voor kaartjes, die gekocht konden worden bij een op de straat opgestelde verrijdbare kassa. Het belang van de hoek werd nog extra benadrukt door de stalen constructie met lichtreclame op het dak.
De zaal had een paraboolvormige doorsnede, waartoe gebruik was gemaakt van een bijzondere schaaldakconstructie. Voor maximaal zicht op het doek waren een theatersgewijs oplopende vloer en een balkon aangebracht. De filmprojectoren op de eerste verdieping waren vanaf de straat zichtbaar.
In 1980 werd het hoge diagonaal geplaatste stalen staketsel met lichtreclame van het dak van het gebouw verwijderd. Hiermee verloor de Cineac niet alleen een middel tot advertentie, maar tevens een belangrijk architectonisch en functioneel onderdeel van de totale compositie.
Het gebouw deed de laatste jaren dienst als "riksbioscoop", maar moest nodig worden opgeknapt. Het was moeilijk te onderhouden als gevolg van een reeks constructieve gebreken. Een van die gebreken was het ophangsysteem van de gevelplaten. Bij de in 1994/96 uitgevoerde verbouwing/restauratie werd het vervangen door een ander systeem, waardoor de gevelplaten iets verder van het staalskelet zijn verwijderd en er tussen de platen meer ruimte voor ventilatie ontstond. De gevelplaten zijn allemaal vernieuwd, maar hebben nog wel de oorspronkelijke afmetingen. De ingenieuze luifel, die de bezoekersstroom begeleidde werd in gedeelten gedemonteerd en hersteld. Het interieur is zoveel mogelijk gespaard, waarbij de inbouw van vloeren op de balkons reversibel zijn. De Cineac heeft een nieuwe huid, in de oorspronkelijke kleuren geschilderd en is weer voorzien van neonbelijning. Het hoge verticale tekstbord aan de zijde van de Reguliersbreestraat ontbreekt, evenals enkele details. Na de verbouwing/restauratie werd op 11 november 1996 in de voormalige Cineac restaurant Planet Hollywood geopend, maar inmiddels is het restaurant weer gesloten. - (ir. B. Bijvoet)
In 1934 kreeg Duiker opdracht tot het ontwerpen van een hotel-theater in Hilversum. Het zou zijn laatste project zijn. Enkele maanden eerder was er bij hem namelijk een kankergezwel in de kaak ontdekt. Hoewel in toenemende mate uitgeput door de bestralingen die hij hiervoor moest ondergaan, kon Duiker het plan voor 'Gooiland', zoals het te bouwen complex intussen was gaan heten, in hoofdlijnen voltooien. Begin 1935 overleed hij, nog geen 45 jaar oud. Bijvoet, overgekomen uit Frankrijk, handelde samen met Duikers weduwe de lopende zaken op het architectenbureau af en zag toe op de uitwerking en uitvoering van het ontwerp voor 'Gooiland'.

Toen Duiker 23 februari 1935, nog geen week voor zijn vijfenveertigste verjaardag stierf, had hij de belofte die zijn bijdrage aan het ontwerp voor de Rijksacademie inhield, ruimschoots ingelost. Maar ook de bouwwerken die na dat ontwerp waren ontstaan, hadden even zovele nieuwe beloften ingehouden. Duiker leek zichzelf als het ware voortdurend in creativiteit, originaliteit en inventiviteit te overtreffen

In een beknopte necrologie schrijft de redactie van 'De 8 en Opbouw': 'Een ieder die het voorrecht heeft gehad met Duiker samen te werkenof met hem meer dan oppervlakkig in contact te komen, zal zijn gehele verdere leven een herinnering bewaren aan de open, eerlijke blik, zijn behoefte om op een open, eenvoudige wijze het wezen der dingen te benaderen die steeds verhelderend werkte. Alles aan hem was 'menselijk' in de beste zin van het woord, terwijl elke pose hem vreemd was. Nimmer ging eigen belang bij hem vóór en een zuiver geweten stelde hij boven goedkoop succes! Toen het Gemeentebestuur van Amsterdam hem uitnodigde voor het lidmaatschap van de schoonheidscommissie, bedankte Duiker. Een dergelijk erebaantje, waarnaar zoveel vakbroeder naar zaten en nog steeds zitten te smachten, kon hij niet verenigen met zijn eigen, zuivere opvattingen.' J.P. Kloos, enige jaren medewerker bij Bijvoet en Duiker schreef in augustus 1941 in 'De 8 en Opbouw', na enige historische afstand: 'Duiker kon zich de schoonheid niet denken als autonoom, uit het geheel gelicht element, en dus ook niet als doelstelling die belangrijker zou zijn als enig ander element van de architectuur.' En A. Boelen herinnert zich: 'Niet de problemen zelf bepalen het resultaat, doch de wijze van stellen en oplossen. En juist in het zuivere stellenen het compromisvrije oplossen der problemen lag Duikers groote en typische begaafdheid.'

Websites:
. A.J.C.M. Gabriëls, 'Duiker, Johannes (1890-1935)', in Biografisch Woordenboek van Nederland.

. Derde Ambachtsschool www.d3a.nl/duiker/index.html


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 98.