kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 20-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Jean Bethune

Jean-Baptiste Charles François (Jean) Bethune, na zijn overlijden de Bethune, (Kortrijk, 25 april 1821 - Marke, 18 juni 1894) was een architect, stichter van architectuurscholen en pionier van de neogotiek in België.

Familie en jeugd
De familie Bethune werd voor het eerst in de adelstand opgenomen door de adelsverheffing van Félix de Bethune (1789-1880), op 25 maart 1845. Hij was lid van het Nationaal Congres, senator en burgemeester van Kortrijk. In 1855 kreeg hij de titel van baron. In 1866 kreeg hij de titel van pauselijke graaf. In 1871 werd de baronstitel overdraagbaar op alle afstammelingen Bethune. Door verschillende vonnissen tussen 1903 en 1907 werd de naam 'Bethune' gerectificeerd in 'de Bethune' voor alle overleden en levende leden van de familie vanaf de stamvader Pierre de Bethune (1672-1735). Dit betekent dat de hier behandelde persoon door het leven ging als 'Jean Bethune' en pas na zijn dood de naam werd hersteld in 'de Bethune'.

In 1848 trouwde Jean-Baptiste met Emilie van Outryve d'Ydewalle (1826-1894), dochter van ridder Eugène van Outryve d'Ydewalle en Clemence van Severen. Hij kwam in Brugge wonen bij zijn schoonouders, in het Huis Casselberg, Hoogstraat. Het gezin kreeg 9 kinderen. Zoals zijn vader werd hij pauselijke graaf (titel niet erkend in België).

Hij kreeg zijn eerste vorming van de Ierse priester Michael Breen, die bij hem de belangstelling voor de Angelsaksische cultuur opwekte. Van 1837 tot 1842 volgde Bethune cursussen in Leuven aan de faculteiten Rechten en Wijsbegeerte & Letteren. Hij nam er deel aan het vrolijke studentenleven, samen met Ernest van Huele, Charles en Louis van Caloen, Auguste van den Peereboom en de wat oudere Engelsman George Mann (1804-1874) die in de relaties met Engeland zijn mentor zou worden. Zwakke gezondheid verhinderde Bethune examens af te leggen en weldra onderbrak hij de studies.

Bethune kreeg een artistieke basisopleiding aan de Kunstacademie van Kortrijk met leraars zoals L. Verhaegen en Jules Victor Génisson (1805-1860. Bij Paul Lauters (1806-1875) leerde hij landschappen schilderen en de beeldhouwer Charles Henri Geerts (1807–1855) ― pionnier van de neogotiek ― leerde hem beeldhouwen.

In 1842-43 deed hij een reis door Engeland, samen met zijn broer, Felix, onder de leiding van de gecultiveerde George Mann. Hij werd geïntroduceerd bij Augustus Welby Pugin (1812-1852) en bij de glazenier John Hardman (1811-1867). Deze en andere contacten wakkerden bij hem de belangstelling en weldra de liefde aan voor de middeleeuwse kunst en zouden van hem de vaandeldrager van de neogotiek in België maken.

Brugse periode
Van 1845 tot 1848 was Bethune de secretaris van provinciegouverneur Felix de Mûelenaere. Op 12 juli 1848 werd hij verkozen tot provincieraadslid van West-Vlaanderen en bleef dit tot in 1858.

In 1849 werd hij lid en in 1858 proost van de Edele Confrérie van het Heilig Bloed. In 1850 ontwierp hij de jubelprocessie van het H. Bloed en werd hij medestichter van de Société d'archéologie du diocèse. In 1851 stichtte hij de Brugse afdeling van het Genootschap van de H. Vincentius à Paulo en in 1858 werd hij ondervoorzitter van de Hoge Raad voor België van dit genootschap.

In 1852 werd hij secretaris van de Commissie van Burgerlijke Godshuizen in Brugge. In 1854 werd hij lid van de katholieke kiesvereniging La Concorde.

Tijdens zijn Brugse periode begon Bethune zich actief te interesseren aan architectuur en aan artisanale kunstproductie. In de tuin van het huis Casselberg bouwde hij een klein atelier met oven om zijn glasramen in te bakken. In 1847 ontwierp hij zijn eerste bouwwerk, de kapel van Milanen in Zwevegem. In 1851 toerde hij opnieuw uitgebreid door Engeland en bestudeerde er de neogotische stijl.

In Brugge maakte hij kennis en sloot hij vriendschap met onder meer James Weale, John Sutton en Thomas Harper King (1822-1892). In de Brugse middens ondervond hij ook steun vanwege zijn oom, bisschop Joannes Baptista Malou en van kanunnik en historicus Charles Carton (1802-1863)

Gentse periode
Begin 1859 verhuisde het gezin Bethune naar Gent. Hij werd er onmiddellijk secretaris van de Sint-Pieterspenning. In 1862 was hij medestichter van het Werk der Vlamingen in Frankrijk en in 1863 van de Gilde van Sint-Thomas en Sint-Lucas en van de Gentse afdeling ervan. Vanaf 1873 was hij voorzitter van deze Gilde tot aan zijn dood.

In Gent nam zijn atelier voor glasramen een hoge vlucht.

Bethune werd bestuurslid van de Messager des sciences historiques en werkte actief mee aan de Revue de l'art chrétien. Hij werd ook lid van de Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen, afdeling Oost-Vlaanderen.

Stichter van de Sint-Lucasscholen
In 1861-62 stichtte Bethune samen met de Broeders van de Christelijke Scholen, de Sint-Lucasschool in Gent. Er zouden nog verschillende scholen volgen, onder meer in Brussel (Schaarbeek), Antwerpen, Luik en Doornik. Deze scholen wilden een alternatief zijn voor het classicisme en de officiële kunstacademies. Zij moesten vakbekwame ambachtslieden en kunstenaars afleveren, trouw aan de christelijke neo-middeleeuwse kunstvisie van baron Jean Bethune, geïnspireerd door wat A.W.N. Pugin had voorgedaan. Gent werd de bakermat van waaruit men een nationaal net van katholieke kunstscholen wilde tot stand brengen. De inspiratiebron was de neogotische beweging, met aandacht voor de grootse synthese van de westerse christelijke cultuur, waarin alle kunsten en ambachten dienden te worden geïntegreerd.

De Broeders ontwikkelden een eigen pedagogiek, afgestemd op het opleiden van ambachtslui en beoefenaars van de nijverheidskunst, twee beroepscategorieën waar grote nood aan was tijdens de eerste jaren van de zich ontwikkelende industriële maatschappij.

Behalve een 'stijl' betekende de neogotische beweging ook een visie op mens, kunst en ambacht en gaf ze ook de aanzet tot latere moderne kunststromingen.

Bethune predikte het gebruik van streekeigen architectuur, op basis van een typisch Vlaams vocabularium, met onder meer het gebruik van baksteen. Zijn gezag en zijn onderwijs slaagden erin deze zienswijze door zijn leerlingen te doen delen. Deze zienswijze, gekoppeld aan de sterk religieuze inspiratie en de affiniteiten met de 'Gothic Revival' maakten het verschil uit tussen het onderricht in de Sint-Lucasscholen en dat in de officiële kunstacademies, die eerder in de voetsporen liepen van Viollet-le-Duc. Deze school had meer belangstelling voor restauratie van oude gebouwen of desnoods voor het identiek heropbouwen. Als ze iets nieuws ontwierpen, was dit vooral geïnspireerd door de Franse en Brabantse gotiek. Daarbij kwamen hun creaties zelden voort uit een religieuze of sociale inspiratie en veeleer uit een soort burgerlijk romantisme.

Publicaties
Restauration mosaïque de la coupole du dôme d'Aix la Chapelle, 1871.
Un testament du XIVe siècle : Marguerite Van Machline, 1375, Gent, 1879
Cartulaire du Béguinage de Sainte-Elisabeth à Gand, Brugge, 1883
L'ancien couvent des carmes chaussés à Gand, Gent, 1884
Het godshuis van Sint-Jan en Sint-Pauwel te Gent, bijgenaamd de Leugemeete: Oorkonden, Gent, 1902 (samen met A. Van Werveke)
L'église de Messines, Brugge, z. d.
L'église de Tourhout, Brugge, z. d. [1900]

Architectuurontwerpen
Onder de vele door Jean Bethune ontworpen en onder zijn leiding opgerichte gebouwen vermelden we er hier enkele. In de meeste gevallen was hij ook de ontwerper van de binnenaankleding en van het meubilair.

Kasteel van Loppem (aanvankelijk in samenwerking met Edward Welby Pugin, de zoon van Augustus Pugin, 1859-1862.
Kerk, scholen, pastorie en klooster van Vivenkapelle (Damme), 1860-1870.
Abdij van Maredsous, 1872-1889.
Kerk van het Begijnhof, Sint-Amandsberg bij Gent, 1874.
O. L. Vrouwkapel in het klooster van de Jezuieten, Drongen, 1877.
Klooster van de "Clarisses de l'Épeule" in Roubaix, Frankrijk.
Sint-Lucasschool, Doornik.
Sint-Jozefskerk in Roubaix, Frankrijk.
Kerk van Fontenoy, Henegouwen
Kerk van Marke
Kasteel van de familie Van Caloen in Loppem
Kasteel van de familie van Outryve d'Ydewalle, Sint-Andries.

Ontwerpen Toegepaste Kunst
Bethune heeft voor talrijke vormen van plastische of decoratieve kunsten ontwerpen gemaakt. Die ontwerpen vonden hun weg in zowat geheel Europa. Hij leverde vooral grote kwaliteit af wanneer hij zijn toegepaste kunst kon integreren in zijn bouwwerken (Loppem, Maredsous, Vivenkapelle, enz.) Al deze ontwerpen hadden een uitgesproken architecturaal, archeologisch en didactisch karakter.

Dit was ook het geval met de glasramen die hij ontwierp voor de kathedralen van Brugge, Gent, Antwerpen en Doornik. Door hen, door zijn muurschilderingen (bvb. in het kasteel Maaltebrugge, 1862–1864) en door zijn mozaieken (kathedraal van Aken) heeft hij sterk bijgedragen tot het herleven van deze kunstvormen.

Enkele voorbeelden:

Ontwerp voor de Tiara die in 1871 werd aangeboden aan paus Pius IX.
Mozaiek decoratie van de koepel van de kathedraal van Aken 1871-1881.
Grafmonumenten voor Monseigneur Gravez, bisschop van Namen en voor de familie Lefèvre in Sclayn.
Ontwerp van een rijve voor de relikwie van Karel de Goede in de Sint-Salvatorkathedraal, 1883-1885.
Ontwerp van een rijve voor de relieken van Sint Lambertus in de kathedraal van Luik, 1884.
Collegiale kerk van Dinant: het retabel op het hoofdaltaar en meubilair.
Ontwerpen voor aankleding van kastelen in Denée, Gesves en Spontin.

Eerbetuigingen
Jean Bethune werd erelid van

het lerarenkorps van de Academie in Antwerpen
de Keizerlijke en Koninklijke Commissie in Oostenrijk
de Société archéologique de France
de architectenvereniging van Groot-Brittannië
de Bernulphgilde in Utrecht
de Gilde van Sint Joris en Sint Lucas in Londen
de Eendrachtige broederliefde in Kortrijk

Hij was:

Commandeur in de Orde van Gregorius de Grote
Ridder in de Leopoldsorde
Medaille Pro Ecclesia et Pontifice

Nazaten
De nakomelingen van Jean Bethune zijn in grote mate trouw gebleven aan West-Vlaanderen, meer bepaald aan Marke. Onder hen:

Kinderen van Jean Bethune:
- Jean-Baptiste de Bethune (1853-1907) was, naast historicus, burgemeester van Oostrozebeke, bestendig afgevaardigde en vervolgens gouverneur van de provincie West-Vlaanderen.
- Felix de Bethune (1855-1922), eerst benedictijn in Maredsous, ging over naar het protestantisme en speelde een rol in de Franse sociale beweging van 'le christianisme social'.
- Joseph de Bethune (1859-1920) was provincieraadslid in West-Vlaanderen en vervolgens substituut-procureur en onderzoeksrechter.
- François de Bethune (1868-1938) was hoogleraar KU Leuven en burgemeester van Marke.
- Emmanuel de Bethune (1869-1909) was burgemeester van Oostrozebeke en van Marke.

Kleinzoon van Jean Bethune:
- Jean-Baptiste de Bethune (1900-1981) was provincieraadslid van West-Vlaanderen en schepen van Marke.

Achterkleinkinderen van Jean Bethune:
- Emmanuel de Bethune (1930) was burgemeester van Marke en schepen en burgemeester van Kortrijk.
- Guy de Bethune (1934) is arts en was lid van de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen.

Achterachterkleinkinderen van Jean Bethune:
- Sabine de Bethune (1958) is senator en ondervoorzitter van de Senaat.
- Jean de Bethune (1959) is schepen van Kortrijk en voorzitter van de provincieraad van West-Vlaanderen.

Verder nog:

Broers van Jean Bethune:
- Felix de Bethune (1824-1909) was numismaat en als priester werd hij aartsdiaken van de Brugse kathedraal en huisprelaat van de paus.
- Paul de Bethune (1830-1901) werd schepen van Aalst en ondervoorzitter van de Belgische senaat.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Jean-Baptiste_B%C3%A9thune_(architect)
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2093.

Tweets by kunstbus