kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 20-01-2016 voor het laatst bewerkt.

JJP Oud

J.J.P. Oud

Nederlands architect, geboren 9 februari 1890 in Purmerend - overleden 5 april 1963 in Wassenaar.

JJP (Bob) Oud was lid van kunstbeweging De Stijl en één van de belangrijkste vertegenwoordigers van het 'Nieuwe Bouwen' in Nederland. Hij was de belangrijkste Nederlandse vertegenwoordiger van de International Style, op het gebied van zowel architectuur als design.

Overziet men Ouds werk dan ligt de creatiefste produktie in de jaren '20. Later en vooral na de oorlog komt zijn talent als schrijver over architectuur meer naar voren. Zijn grootste verdiensten zijn dan zijn kranteartikelen voor een lekenpubliek, dat hierdoor misschien voor het eerst tot het besef komt hoezeer architectuur de kwaliteit van de omgeving bepaalt en dus van belang is voor het menselijk welzijn.

Oud heeft na de Tweede Wereldoorlog altijd gestreden tegen nieuwe ontwikkelingen die de in zijn ogen onmisbare autonome positie van de architect bedreigden. Vooral op woningbouwgebied kwam de overheid met steeds meer wet- en regelgeving. Daarnaast moesten architecten steeds meer samenwerken met technisch specialisten, projectmanagers en kunstenaars. Oud wilde wel contact met andere kunstenaars, maar de architect moest het laatste woord hebben bij het toepassen van beeldende kunsten in zijn gebouwen. Zijn manier van dingen uitproberen bracht hem vaak in conflict, zowel met opdrachtgevers als met degenen met wie hij samenwerkte.

Oud was een solist en is nooit lid geworden van enige vakorganisatie. Zijn autoriteit en gezag in vakkringen was echter onomstreden. Tekenend hiervoor is dat hij wel eens 'het geweten van de Nederlandse architectuur' werd genoemd, zoals zijn broer als staatsman door sommigen als 'het geweten van de Nederlandse politiek' werd beschouwd.

Opleiding bij de bureaus van P.J.H. Cuypers en Jan Stuyt te Amsterdam en bij Theodor Fischer te München. Hij was enige tijd gemeentearchitect te Rotterdam (1918-33). Sinds 1933 was hij zelfstandig architect te Hillegersberg, vanaf 1954 te Wassenaar. Uit zijn vroege werken blijkt een grote bewondering voor het werk van Berlage. In 1917 was hij medeoprichter van De Stijl, die hij in 1921 weer verliet. Sinds 1924 werd Oud ook internationaal erkend als representant van het Europese functionalisme. Algemeen bekend werd de woningbouw te Hoek van Holland (1925) en de woonwijk De Kiefhoek te Rotterdam (1925). Ook zijn meubelontwerpen kregen naam. Van 1939-42 ontstond het Shellgebouw te ’s-Gravenhage, waarmee hij alle beginselen van zijn aanvankelijk zo sterk functionalistische architectuur scheen te verloochenen. Begrippen als monumentaliteit, ornament, symmetrie e.d. kwamen hierin weer tot uiting. Hierdoor taande de waardering in binnen- en buitenland. Oud keerde zich tegen de architectuur als ’teamwork’, die juist toen tot ontwikkeling kwam. Voor hem was een gebouw in zijn totaliteit slechts mogelijk als het werk van één persoon. Hij beheerste zijn métier dan ook tot in de geringste details.

Werken:
. Boerderij 'Tusschen Laenen' Tusschenlanen 11-13 Bergambacht
. D.S.S. 'Nieuw Amsterdam'
. Gebouw 'Leidsch Dagblad' Witte Singel 1 Leiden
. Hotel Savoy Boulevard 1 Katwijk
. Kantoorgebouw De Utrecht Rotterdam
. Woningbouwcomplex Pankokweg 5-9 Weissenhofsiedlung Stuttgart

. Woningbouw Tusschendijken (Rotterdam, 1920)
. Kerk van de Hersteld Apostolische Gemeente (Kiefhoek, Rotterdam, 1928)
. Nationaal Monument op de Grebbeberg (1948)
. Nationaal Monument op de Dam (Amsterdam, 1949 met beeldhouwwerk van de Raedeckers)
. Tweede Vrijzinnig Christelijk Lyceum (’s-Gravenhage, 1950)
. Bio-herstellingsoord (bij Arnhem, 1952)
. Kantoor van de levensverzekeringsmaatschappij "Utrecht" (Rotterdam, 1954)
. Congresgebouw te ’s-Gravenhage (1956)
. Raadhuis te Almelo (1962).

Biografie
Jacobus Johannes Pieter Oud werd geboren als zoon van Hendrik Cornelis Oud (1861-1939), tabaks- en wijnhandelaar, later makelaar in effecten, en Neeltje Theodora Janszen. Zijn broer Pieter Oud werd burgemeester van de gemeente Rotterdam. JJP Oud groeide op in een vooruitstrevend liberaal milieu.

Oud bezocht de lagere en de zg. Franse school (HBS) in zijn geboorteplaats. Hij wilde aanvankelijk schilder worden, maar koos op aandringen van zijn vader de architectenloopbaan. Daartoe werd een opleiding gevonden die hem snel in de praktijk zou kunnen brengen: achtereenvolgens de Kunstnijverheidsschool Quellinus te Amsterdam (1903-1906). In de jaren 1907/1908 liep hij stage als opzichter-tekenaar op het architectenbureau J.Th.J. Cuypers en Jan Stuyt te Amsterdam. Van 1908 tot 1910 vervolgde hij zijn opleiding op de Rijks Normaalschool voor Teekenonderwijs, die was ondergebracht in het Rijksmuseum in Amsterdam waar hij in contact kwam met Berlage, De Bazel, Kromhout en Lauweriks.

Intussen begon Oud met het ontwerpen en bouwen van zijn woonhuizen en openbare gebouwen en gaf hij tekenonderwijs. Zijn vroege werk laat de invloed van H.P. Berlage zien, die hij gedurende zijn studietijd persoonlijk had leren kennen. Het streven van Berlage de bouwkunst te zuiveren van de 19e-eeuwse eclecticistische vormentaal vond in Oud een enthousiaste aanhanger.

Oud rondde zijn studie af door in de jaren 1910/1911 als toehoorder een aantal colleges te volgen aan de Technische Hoogeschool te Delft.

Hij werd depressief en vertrok vervolgens als tekenaar-stagiaire naar München om enkele maanden praktijkervaring op te doen bij de onorthodoxe architect en stedenbouwkundige Theodor Fischer (1862-1938). Fischer overtuigt Oud van de betekenis van proporties en het 'ontwerpen op systeem', wat later het fundament van Ouds architectuuropvatting zou worden. Net als Berlage kon Fischer hem echter niet helpen een consistente theorie van de nieuwe richting te formuleren. 'Die Richting', aldus Oud, 'is reeds te zien en dit geeft ons een heel, heel groot voordeel boven de bouwmeesters van eenige tientallen jaren terug, daar wij reeds vanaf het begin onze studies daarnaar kunnen tegelen'.

Tijdens een dia-avond in 1912 bij Berlage thuis maakt hij kennis met de Amerikaanse architectuur van Louis Sullivan en Frank Lloyd Wright.

In 1913 vestigde hij zich voor korte tijd in zijn geboorteplaats Purmerend als architect waar hij een groot aantal woonhuizen ontwierp, voornamelijk voor familieleden in Purmerend en omgeving. J.J.P. Oud kon hierdoor zijn eigen architectonische idioom ontwikkelen dat vaak wat verder ging dan zijn grote voorbeelden Berlage en Kromhout.

Oud verplaatste zijn werkzaamheden in 1913 naar Leiden om daar een woningbouwproject te realiseren samen met architect W.M. Dudok, die daar plaatsvervangend directeur van gemeentewerken was. Zij ontwierpen in 1914-1915 een kleine 'arbeiderswijk' in Leiderdorp, geïnspireerd door de tuinsteden van Raymond Unwin (1863-1940) en Hermann Muthesius (1861-1927).

1916-1917 Kantoorgebouw 'Leidsch Dagblad' Witte Singel 1 Leiden; architecten W.M. Dudok, J.J.P. Oud; beeldhouwwerk, W.C. Brouwer
De gevels vormen verwantschap met de vroege Amsterdamse School. Vele van de ornamenten zijn ontworpen door de bekende beeldhouwer W.C. Brouwer uit Leiderdorp.

1917 - verbouwing Hotel Savoy Boulevard 1 Katwijk; 1957 - uitbreiding en verbouwing tot hotel door A.F. Aalbers
Deze villa staat bekend als het beroemde 'Huize Allegonda', in 1917 verbouwd door architect J.J.P. Oud. Tegenwoordig is van het functionalistische interieur van Oud alleen nog de wit marmeren trap met zijn metalen leuning naar de eerste verdieping overgebleven.
Aalbers maakte het ontwerp voor de verbouwing rond 1957, die ondermeer bestond uit het maken van een aanbouw en het plaatsen van een verdieping op een bestaande villa aan de Boulevard in Katwijk. Oud leefde nog toen Aalbers de opdracht voor de verbouwing kreeg en heeft zich daar sterk tegen verzet o.a. met een artikel in de Groene Amsterdammer 'Is architectuur vogelvrij?'

Hij werd in Leiden ook lid van kunstenaarsvereniging "Kunst om de Kunst", waar hij bevriend raakte met Harm Kamerlingh Onnes, die hem toegang gaf tot de gegoede, artistieke milieus van Leiden, Katwijk en Noordwijk. Ook raakte hij in deze periode in de ban van de keramist Willem Brouwer (1877-1933) en zijn op de Arts-and-craftsbeweging gebaseerde ideeën over een terugkeer naar een ambachtelijke samenleving.

In Leiden ontmoette Oud in 1916 ook de schilder Theo van Doesburg wat direct leidde tot samenwerking voor het Geuze-huis. Doesburg bracht hem de ideeën van het kubisme bij en liet Oud met het artikel 'De nieuwe beweging in de schilderkunst' het licht zien. Oud vond hierin de consistente theorie waar hij naar op zoek was. Van Doesburgs observaties van de moderne kunst zetten Oud aan tot het nadenken over 'de toekomstige bouwkunst en hare architectonische mogelijkheden'. Op 30 mei 1916, twee dagen na publicatie van Van Doesburgs artikel, schreef Oud hem een brief, die later gepubliceerd werd als 'Over cubisme, futurisme, moderne kunst, enz.'. Hierdoor kwam het tot een breuk met Brouwers, en ook Berlage en Muthesius behoorden niet meer tot zijn voorbeelden.

Door Van Doesburg raakte Oud overtuigd van de noodzaak van een moderne architectuur, maar over hoe die eruit moest komen te zien, liepen de meningen uiteen. Oud hield vast aan het Gesamtkunstwerk, waarin de toegepaste kunst en zelfs de schilderkunst ondergeschikt waren aan de architectuur, terwijl Van Doesburg het had over gemeenschapskunst, waarin alle beeldende kunsten gelijk waren. Oud riep architecten echter wel op de moderne kunst op de voet te volgen en vroeg Van Doesburg één dag voor de opening ook architecten op te nemen in Leidsche Kunstclub De Sphinx.

De Leidsche Kunstclub De Sphinx was een vereniging voor moderne kunstenaars in Leiden. De Sphinx werd eind mei 1916 opgericht door kunstenaars Theo van Doesburg, J.G. Kesler, J.P. Kriest, Dick Roggeveen en Kees van Urk. Onder de leden bevonden zich onder meer de architecten J.J.P. Oud en Jan Wils en de kunstschilder Hendrik Valk (1897-1986). De kunstenaarsvereniging organiseerde voordrachten en lezingen, bijvoorbeeld die op 29 december 1916 en heeft ook tenminste één tentoonstelling georganiseerd, die van 18 tot 21 januari 1917 in 'De Harmonie' aan de Breestraat in Leiden plaats vond.

Via Van Doesburg kwam hij ook in contact met Piet Mondriaan, met wie hij van gedachte wisselde over de relatie tussen schilderkunst en architectuur. Oud wilde 'niets bouwen dat (...) geen kunst zou zijn', terwijl Mondriaan vond dat architectuur alleen kunst kon zijn als deze aan de Nieuwe Beelding voldeed. Oud verzette zich hiertegen en zou tegen Mondriaan gezegd hebben: 'Jouw leven is schilderen, het mijne bouwen'.

Nieuwe Beelding: Een kunsttheorie ontwikkeld door met name de kunstenaars Theo van Doesburg en Piet Mondriaan met als doel de kunst te zuiveren van elementen die daar volgens hen niet in thuis hoorden en het voor elke kunstvorm vaststellen van haar eigen beeldingsmiddelen.

In 1916 gaf J.J.P. Oud aan Van Doesburg opdracht een glas-in-loodraam te ontwerpen voor zijn burgemeesterswoning in Broek in Waterland.

In 1917 ontwierp hij, als oefening in de kubistische werkwijze, het huizencomplex Strandboulevard. In 1917 ontwierpen Oud en Van Doesburg gezamenlijk Vakantiehuis De Vonk in Noordwijkerhout.

De ideeën van Van Doesburg vonden onder beeldende kunstenaars veel weerklank en leidden in 1917 tot de oprichting van het blad 'De Stijl' door de schilders Theo van Doesburg, Piet Mondriaan, Bart van der Leck en Vilmos Huszar, de dichter A. Kok en de architecten R. van 't Hoff, J. Wils en Oud zelf. Oud streeft in deze periode naar de toepassing van de strenge regels van De Stijl in de architectuur, een voorbeeld hiervan is de terrasvormige huizenrij langs de Boulevard in Scheveningen.

Nog voordat het eerste nummer van De Stijl uitkwam, lag Oud al onder vuur, omdat het geld uit Duitsland zou hebben ontvangen om de Duitse invloed in het neutrale Nederland te bevorderen. Oud reageerde hierop door te schrijven dat er geen steun in het buitenland was gezocht of ontvangen en dat stukken van buitenlandse medewerkers zouden worden geplaatst om tot meer internationale samenwerking te komen en niet om nationalistische ideeën te promoten. Toch ontbreekt Ouds naam onder het eerste manifest van De Stijl uit november 1918.

Toen Henry van de Velde van 1917 tot 1926 in Wassenaar woonde, zocht Oud hem daar regelmatig op. Hij deelde zijn mening dat vernieuwende architectuur alleen maar revolutionair kon zijn. Van de Velde was voor Oud wat Berlage voor de meeste van zijn tijdgenoten was, geen theoreticus, maar een activist.

Hoewel Oud zich in De Stijl uitspreekt voor de moderne architectuur, en dan in het bijzonder de richting die Frank Lloyd Wright eerder insloeg, zijn Ouds werken uit de periode tot 1924 sterk beïnvloed door het baksteentraditionalisme van bijvoorbeeld Grandpré Molière en had hij een sterke neiging naar symmetrie. Ook was Oud, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Rietveld zeer spaarzaam in zijn gebruik van glas. Dit beschouwde hij in zijn vroege artikelen als een luxe.

Oud was in dienst van de Gemeentelijke woningdienst Rotterdam in de periode 1918-1933 door bemiddeling van Berlage. Mede door de snelle ontwikkeling van de haven was er een grote vraag naar woningen om de toestromende arbeiders te kunnen huisvesten. Zijn taak was om de woongebouwen vorm te geven in de stedenbouwkundige uitbreidingsplannen van Berlage en Grandpre Moliere.
Oud probeerde in zijn nieuwe functie zijn idealen met betrekking tot de relatie tussen het individu en de maatschappij, die hij deelde met andere leden van De Stijl, in de praktijk te brengen in sociale-woningbouwprojecten in onder meer Spangen, de Kiefhoek en het Witte Dorp. Zijn officiële positie maakte zijn relatie met De Stijl echter wel vaak moeilijk.

In de architectuur van de door Oud ontworpen woonblokken is wel veel te herkennen uit de Stijlbeweging. Oud voelde zich tot De Stijl aangetrokken door het streven naar zuivering van de kunst. Vooral de projecten in de sociale woningbouw in Spangen en de wijken de Kiefhoek en het Witte Dorp hebben hem bekendheid gegeven. Deze worden gekenmerkt door helderheid en geraffineerde eenvoud met ingenieuze plattegronden zonder ruimteverlies. De kracht van Oud werd gevormd door de vasthoudende nauwgezetheid van detailleren. Het pionierswerk dat Oud hierbij verrichtte, kan slechts begrepen worden wanneer men dit vergelijkt met de woningbouw die terzelfder tijd in Amsterdam werd gerealiseerd door de aanhangers van de toentertijd zeer bewonderde 'Amsterdamse School'. Was bij de laatstgenoemden uitsluitend doel het componeren van boeiende, rijk gedecoreerde gevelwanden met negatie van de plattegronden, bij Oud was een zorgvuldig uitgekiende plattegrond uitgangspunt voor een tevens esthetisch bevredigend totaalontwerp.

In 1918 vroeg hij Van Doesburg zijn toch wat solide en eentonige bakstenen woningenblokken I en V in Spangen te verlevendigen door middel van glas in loodramen en kleurontwerpen van in- en exterieur. Najaar 1920 vroeg hij Van Doesburg, die inmiddels naar Weimar verhuisd was, ook kleurontwerpen te maken voor woningblok VIII en IX. Deze ontwerpen waren nog radicaler en 'destructiever' dan de eerste en hoewel Oud enthousiast was, kon hij zijn werkgever niet zover krijgen ze ook uit te voeren. Toen Oud hem vroeg ze aan te passen schreef Van Doesburg op 3 november 1921 boos terug 'Entweder so - oder nichts'. Een jaar na deze brief gaf hij te kennen niet met Van Doesburg, of welke beeldend kunstenaar dan ook, samen te willen werken, omdat hij van mening was dat de kleur in de architectuur niet al te overheersend moest zijn. Bovendien kon hij zich niet meer vinden in Van Doesburgs niets en niemand ontziende vezet tegen het leven. Als de moderne architectuur door zou breken dan zou dit volgens Oud op een natuurlijke manier gebeuren vanuit het leven, en dus stopte hij met het 'kubistisch experiment'. Oud geloofde niet in een revolutionaire architectuur met een programma. Net als Mondriaan geloofde Oud in een soort spirituele evolutie van de mens. De hieropvolgende bitterheid tussen beiden leidde ertoe dat Oud niet meer aan De Stijl bijdroeg.

JJP Oud trok zich in 1922 terug uit de redactie van De stijl omdat hij het niet eens was met de dogmatische benadering van de kubistische vormentaal, die door de schilders werd gedomineerd. Vooral vreesde hij de architectonische vertaling van Mondriaans neoplasticistische theorieën: composities van elkaar snijdende horizontale en verticale bouwdelen, die z.i. snel tot manierisme zouden leiden.

Oud bleef echter gefascineerd door de onopzettelijkheid van de vormgeving van industriële techniek, zoals fabrieken en oceaanstomers, en zag hier een voorbode van hoe de architectuur zich zou gaan ontwikkelen. Net als de composities van Mondriaan, mocht de architectuur geen enkel spoor van opzettelijkheid vertonen en vooral niet krampachtig en behaagziek zijn als de Amsterdamse School. Ook beperkte de rol van de architect zich volgens Oud tot 'onderworpenheid aan de opgave tot aan de grens van zelfverzaking'.

In het Witte Dorp staat sinds 1989 een replica van de directiekeet die vanaf 1922 in de wijk had gestaan totdat deze in de hongerwinter werd afgebroken in de jacht naar stookhout. De directiekeet is een klein, maar fraai voorbeeld van de architectuur van Oud en de invloed die hij ondervond van De Stijl.

Door De Stijl kreeg Oud contact met een groep verwante kunstenaars verbonden aan 'Staatliches Bauhaus Weimar' (later gevestigd te Dessau). Dit leidde tot een geïnspireerde wederzijdse beïnvloeding, waardoor het 'Nieuwe Bouwen' - de aanduiding waarmee deze moderne stroming in de bouwkunst steeds sterker naar voren trad - internationaal bekendheid verkreeg.

Begin 1921 hield Oud voor architectuurvereniging Opbouw, waar hij later enige tijd voorzitter van was, een lezing, die als 'Over de toekomstige bouwkunst en hare architectonische mogelijkheden' verscheen in het Bouwkundig Weekblad (zie Publicaties). Dit artikel werd een jaar daarop dor Bauhaus-docent Adolf Meyer in het Duits vertaald en gepubliceerd in het tijdschrift Frühlicht. Ook gaf Oud in augustus 1923 een lezing in het kader van de 'Bauhaus week', die later opgenomen werd in Ouds boek Hollandische Architektur uit de serie Bauhausbücker. Na 1921 vond hij echter dat theoretiseren over architectuur geen zin heeft, wel het bespreken ervan, wat hij in de hieropvolgende periode dan ook vaak deed.

Ook onderhield Oud begin jaren '20 intensief contact met de Duitse architectuurcriticus Adolf Behne, van wie hij in oktober 1921 de opdracht een villa in Grunewald te ontwerpen te danken had. Moholy-Nagy fungeerde daarbij als tussenpersoon. Toen Behne in 1923 in Rotterdam een lezing gaf, stelde hij hem voor aan geestverwant Otto Bartning (1883-1959).

In 1921 reisde hij naar Weimar, waar hij Walter Gropius en Lásló Moholy-Nagy ontmoette.

Voorjaar 1923 ontmoette hij de Russische kunstenaar El Lissitzky, die in Nederland was voor een lezingentour. Eind dat jaar nam hij met minstens één ontwerp (fabriek met ingebouwde kantoren; zie Ontwerpen) deel aan de architectuurtentoonstellig van De Stijl in Parijs. Omstreeks die tijd vond ook het eerste contact met Bauhaus-directeur Walter Gropius plaats, die hem op 15 oktober 1923 met een verzoek hem op de hoogte te stellen van de moderne architectuur in Nederland.

Omstreeks 1924 ontwierp hij in Hoek van Holland een rij betonnen 'arbeiderswoningen'. Deze zijn sterk gestandaardiseerd en konden oneindig herhaald worden. Beton bleek echter veel duurder dan baksteen. In de huizen zijn veel kenmerken van de De Stijl-beweging terug te vinden. De woningen in Hoek van Holland zijn tegenwoordig een rijksmonument.

Ouds Café De Unie werd in 1925 gebouwd op een braakliggend terrein in het centrum van Rotterdam op voorwaarde dat het na 10 jaar weer afgebroken werd. Het bleef er uiteindelijk 15 jaar staan tot het in mei 1940 verwoest werd in het Bombardement op Rotterdam.

In 1925 riep Adolf Behne op tot een boycot van het tijdschrift Wasmuths Monatshefte van Werner Hegeman, vanwege zijn vernietigende kritiek op Berlage en Van de Velde. Oud zag dit als tijdverspilling en weigerde hieraan deel te nemen, waardoor zijn contact met Behne bekoelde.

Zijn boek over de Nederlandse architectuur werd in twee delen door het Bauhaus uitgegeven (1926 en 1929).

Werkmanshuizen, 1926-27, Hoek van Holland
Ronde hoekgevels zijn een echo van de Jugendstil, opgenomen in klaarheid en eenvoud van stereometrisch ontwerp. Vormelijk een meesterwerk. (?)

In 1926 werd Oud in Rotterdam voorgesteld aan Siegfried Giedion. Oud had stevige kritiek op zijn boek Bauen in Frankreich en verweet hem formalisme, romantisch effectbejag en een totaal gebrek aan oog voor volkshuisvesting. Oud en Giedion bleven bevriend, maar over architectuur werd niet meer gesproken.

Eveneens in 1926 werd Oud door Arthur Lehning gevraagd als redacteur voor het op te richten tijdschrift i10. Oud had zijn reserves. 'Het zou mij [...] zeer onaangenaam zijn in een politiek verbond gestopt te worden [...], waar ik niets voor voel [...] ik voel ten slotte niets voor welke politieke partij dan ook', schreef hij op 7 oktober 1927 aan Lehning. Hij was per slot van rekening nog steeds gemeenteambtenaar van Rotterdam. Na een geruststellend antwoord van Lehning, verscheen in 1927 het artikel 'Richting' in i10. In 1929 ging het blad echter al ten onder.

Oud was van mening dat hij het representatieve gebouw op dezelfde manier kon vernieuwen als de woning. Voorbeelden hiervan zijn de ontwerpen van een volksuniversiteit (1924-1927) en de beurs aan de Coolsingel in Rotterdam (1926). Ouds prijsvraagontwerp voor een nieuwe beurs werd afgewezen door jurylid Berlage. Dit was een grote teleurstelling voor Oud, temeer omdat Berlage wél altijd de Amsterdamse School gesteund had, en Oud van mening was dat niet zij, maar toch vootal hij Berlages werk voortzette. 'Het is mij steeds diep-in een schrijnende teleurstelling U te zien bewegen, als voelde U er zich thuis, tussen een categorie van architecten, waar ik niets anders tegen heb dan het allerergste, n.l. dat zij ons vak, waarvan ik bovenal door U het mooie leerde zien, neerhalen tot op een niveau, waarop het de naam bouwkunst in geen enkel opzicht meer verdient', schreef hij op 11 oktober 1927 aan Berlage. Tegen 1933 beschouwde hij Berlage als overwonnen geschiedenis.

Zijn internationale faam groeide echter. In mei 1927 werd hij gevraagd Wilhelm Kreis op te volgen aan de Staatliche Kunstakademie in Düsseldorf. In overleg met de gemeente Rotterdam sloeg hij het aanbod echter af.

Arbeiderswoning Weissenhofsiedlung Stuttgart

Arbeiderswoning Weissenhofsiedlung Stuttgart (1927 Bureau Oud)
Een uitnodiging aan JJP Oud om deel te nemen aan de woningbouw-tentoonstelling op de Weissenhof te Stuttgart (1927) zou zijn reputatie bevestigen: met Le Corbusier, Mies van der Rohe en W. Gropius ging hij toen zelf gelden als een van de Grote Vier van de moderne bouwkunst. In de Verenigde Staten wordt deze richting de International Style genoemd met als hoofdkenmerken platte daken, geometrische bouwmassa's, witte gepleisterde muren en afwezigheid van ornament.
In de Weissenhofsiedlung stond een nieuwe manier van wonen centraal. Er werden nieuwe bouwconstructies en materialen toegepast en moderne, industrieel vervaardigde producten gepropageerd. Voor het interieur was licht, lucht, zon, ruimte, gezondheid en efficientie belangrijk.
In 1927 ontwierp hij voor de Weissenhofsiedlung in Stuttgart een rijtje modelwoningen. Net als de woningen in Hoek van Holland konden deze oneindig herhaald worden. Ida Falkenberg-Liefrinck was bij hem in dienst en maakte tekeningen voor het interieur.
Voor deze woningen ontwierp JJP Oud ook een set buismeubelen, die de basis vormden voor meubels die hij speciaal voor Villa Allegonda ontwierp. In de jaren '30 ontwierp hij meubels voor Metz & Co met bekleding ontworpen door Bart van der Leck.

De Weissenhofsiedlung markeerde het begin van de Internationale Stijl. Oud heeft de Internationale Stijl, of het Nieuwe Bouwen, zoals de Nederlandse variant heet, nooit helemaal aangenomen, maar hij werd als pionier van deze richting wel zeer gerespecteerd. Zijn oplossingen voor het woningbouwvraagstuk werden in het buitenland, met name in Duitsland en de Verenigde Staten, maar ook in Engeland en Frankrijk, gepubliceerd en besproken.

De Weissenhofsiedlung leidde ook tot de oprichting van de CIAM. Oud was aanvankelijk enthousiast over dit intiatief. Toen bleek dat organisator Giedion ook Wils en Dudok uitgenodigd had voor het eerste congres in La Sarraz in juni 1928, grepen Oud en Van Eesteren in en werden Wils en Dudok van de gastenlijst geschrapt. Uiteindelijk waren zowel Oud, Stam als Van Eesteren verhinderd, waardoor Berlage de enige was die Nederland in La Sarraz vertegenwoordigde. Giedion probeerde Oud via Karl Moser (1860-1936) te bewegen alsnog te komen, maar toen Oud vernam dat Giedion het congres op bijna militairistische manier had georganiseerd en zijn eigen opvattingen eraan oplegde, waardoor sommige modernistische stromingen uitgesloten werden, zag hij alsnog van deelname af. Oud had het zich allemaal heel anders voorgesteld. 'U weet met welke bewondering ik het congres van Sarraz begroet heb: een keer vrolijk met mijn collega's samen zijn, een beetje praten (niet teveel en niet te zwaar), een beetje wandelen in de mooie omgeving, een beetje dansen, enkele conclusies van algemene strekking en dan: einde', schreef hij op 18 augustus 1928 aan Giedion. Ook van de leden van de CIAM was Oud niet onder de indruk. 'Wat heb ik eigenlijk met een onbegaafde meeloper als Hoste te maken? Wat met Häring? Wat eigenlijk met de Quantitätspesser May? Wat met het kasplantje Corbusier?'.

Hoe gevoelig Oud was voor waardering was gebleken, toen hij (eveneens op uitnodiging) meedeed aan de prijsvraag voor de nieuwe Rotterdamse Koopmansbeurs. De jury onder voorzitterschap van Berlage bekroonde het ontwerp van de Amsterdamse architect J.F. Staal. Oud, die overtuigd was van de superieure kwaliteiten van zijn eigen inzending, kon de nederlaag niet verkroppen en deed zijn beklag met een verzoek om bemiddeling te zijnen gunste bij de Duitse architecten Gropius en M. Taut. Beiden schreven Berlage, maar konden de beslissing niet wijzigen. Dit incident was geen uitzondering. Ook uit andere reacties bleek Ouds kwestbaarheid, en periodiek werd hij geplaagd door aanvallen van zwaarmoedigheid, die hem verhinderden normaal te functioneren. Rust en studiereizen konden hem dan weer in balans brengen, maar een voortdurende vrees voor zijn labiele gezondheidstoestand belette hem grotere verantwoordelijkheden, zoals bijv. professoraten, te aanvaarden (aanbiedingen voor Düsseldorf 1927, Zürich 1928, Bauhaus 1929, Harvard 1936 werden alle afgewezen).

Oud had stevige kritiek op Le Corbusiers bijdrage tot de Weissenhofsiedlung. Hij omschreef het in 1927 een brief aan Giedion als 'Theater, af en toe, zeker, maar voor de ontwikkeling [van de moderne architectuur] zinloos en gevaarlijk. Ernstigste [vorm van] romantiek'. Oud vond het bouwen op 'pilotis' onzinnig, omdat de zo ontstane ruimte onder het gebouw geen duidelijk nut heeft, maar bovenal vond hij dat Le Corbusiers 'zwevende' architectuur niet meer in het moderne leven wortelde. Zijn ontwerpen waren immers alleen betaalbaar voor de rijken. Hierdoor nam Oud nog geen jaar na de bouw van de Weissenhofsiedlung afstand van Le Corbusier.

In 1928 werd hij gevraagd Karl Moser op te volgen als professor aan de Eidgenössische Hochschule in Zürich. Ook ditmaal sloeg Oud af, omdat zijn passie voor het bouwen hem niet vereenigbaar leek met een positie in het onderwijs. Ook werd hij dat jaar gevraagd als zelfstandig architect, zoals voor een Dreifamilienhaus in Brno en een tweede verbouwing van Villa Allegonda in Katwijk.

Omstreeks 1929 hernieuwde hij zijn contact met Van Doesburg. Na zijn dood hielp hij Van Doesburgs weduwe Nelly van Doesburg met de redactie van het dernier numero van De Stijl, dat in 1932 uitgegeven werd ter nagedachtenis aan Van Doesburg.

In 1930 kreeg Oud bezoek van architect Philip Johnson en architectuurhistoricus Henry-Russell Hitchcock. Beiden waren vooral onder de indruk van Ouds wonigen in Hoek van Holland. Hitchcock schreef de eerste monografie van Oud, J.J.P. Oud (Parijs, 1931), en Johnson bezorgde hem een ereplaats in de tentoonstelling The International Style: Architecture since 1922 in het MoMA in 1932, die zijn naam in de Verenigde Staten vestigde als één van de prioniers van de nieuwe architectuur.

In 1931 maakte hij een groot ontwerp voor woonhuizen in de wijk Blijdorp, bestaande uit verschillende langgerekte, vier verdiepingen tellende apartementengebouwen in stroken met vrijdragende balkons en voor Oud ongewoon grote ramenrijen. Het is geheel in overeenstemming met de uitgangspunten van het Nieuwe Bouwen, hoewel de meest militante architecten van die stroming mogelijk bezwaar hadden tegen de privétuintjes op de begane grond. Misschien daardoor ging de opdracht naar Jo van den Broek.

In 1933 verliet Oud het inmiddels gereorganiseerde Gemeentelijk Woningbedrijf Rotterdam en vestigde zich als zelfstandig architect. Al eind jaren '20 had hij meer dan genoeg van de volkshuisvesting. 'Graag zou ik [...] een station of iets anders gemeenschappelijks, groots maken: weet U wat voor mij?', schreef hij in 1928 aan Giedion. Later erkende Oud het bestaan van een architectonische hiërarchie, die hij met het gezin vergeleek. 'Zo weinig als het kind in het gezin gelijke rechten bezit als de vader (en dit zal zich weldra weer als iets goeds bewijzen!), zo weinig heeft de woning in de architectuur dezelfde rechten als het raadhuis (dat zich eveneens spoedig weer zal bewijzen)', schreef hij Alfred Roth op 5 augustus 1946.

Oud raakte in een crisis. Jarenlang beperkte hij zich tot losse opdrachten (meubels voor Metz & Co.), het schrijven van artikelen en commissies.

Oud zag een principieel onderscheid tussen de termen 'bouw' en 'architectuur'. Hij was dan ook niet gelukkig met de naam 'het nieuwe bouwen'. Op 11 maart 1934 schreef hij Rietveld dat hij het maar een 'een laf en rot woord voor 'nieuwe architectuur', als ik het zeggen mag'. Oud had ook grote problemen met de vereenzelviging van Opbouw met het socialisme. Dit leidde ertoe dat hij op 25 mei 1933 het bestuur van Opbouw het volgende schreef: 'De beginselen op esthetisch gebied, waarvoor het Bestuur wenscht op te komen, zijn van een te breede strekking dan dat ze in bepaalde politieke constellaties - welke dan ook - ondergebracht zouden kunnen worden. De koppeling van deze aard, die het Bestuur in den laatsten tijd tracht door te voeren, leidt tot een beperking van de bedoelde geestelijke opvattingen, die ik niet door mijn medelidmaatschap als juischt wensch te erkennen', waarmee hij zijn lidmaatschap opzegde.

Oud zette zich niet alleen in voor de moderne architectuur. In 1935 volgde hij Berlage op als lid van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg.

Oud plaatste zich hoe langer hoe meer buiten de moderne beweging en verwerd een eenzame profeet in zijn eigen land. Zijn opvatting dat architectuur uit het moderne leven voortkwam, stond haaks op materialistisch-functionalistische ideeën van de Internationale Stijl en 'dit heeft me een wat eigenaardige en geïsoleerde positie opgeleverd onder de moderne architecten en het is ook om die reden dat ik nooit heb kunnen besluiten aan het "Cirpac" [comité van de CIAM] deel te nemen, omdat deze mijns inziens te zuiver materialistisch ingesteld is' (brief aan Fred Forbat, 7 december 1935).

In juni 1936 kreeg hij bezoek van MoMA-directeur, A.H. Barr, die hem een functie aanbood aan de Graduate School of Design van de prestigieuze Harvard-universiteit en hem vroeg een uitbreiding van het MoMA te ontwerpen. Maar ook dit keer sloeg Oud af, omdat hij liever in Nederland wilde blijven, 'waar zijn positie, als profeet in zijn eigen land, zich snel ontwikkelt', aldus Barr. Oud stelde Mies van der Rohe voor als onderwijsvernieuwer aan de Graduate of Design, die het omvormde tot een 'Harvard Bauhaus'.

Midden jaren '30 zag Oud de nieuwe architectuur als voltooid en vond hij dat het 'doorzeuren over reeds gevonden beginselen nu eens plaats moest maken voor het doorwerken op bereikte resultaten', zoals hij op 3 december 1935 schreef. Hierin stond hij niet alleen. Ook andere architecten hadden moeite met het gebrek aan een artistieke dimensie van het functionalisme. Sybold van Ravesteyn ging hierin het verst door de architectuur te 'verrijken' met barokke elementen. Oud zag hier echter niets in en vond dat Van Ravensteyns interieurs 'de geest van mijn oude tante' uitstraalden, in plaats van een 'vruegd-vol vormgeven van het leven van onze tijd'.

Poëtisch functionalisme
Oud brak met het Modernisme van de jaren twintig en bouwde in een stijl die hij zelf Poëtisch Functionalisme noemde.
Bij zijn interieurs voor passagiersschepen (Nieuw Amsterdam, Holland Amerika Lijn) en ander werk uit dezelfde tijd (prijsvraag-ontwerpen voor het Stadhuis te Amsterdam en het BIM-gebouw - Bataafse Import Maatschappij, een dochter van de Shell - in Den Haag) bleek dat Oud in een nieuwe fase van zijn creativiteit was gekomen. De plannen waren gebaseerd op klassieke symmetrie en traditionele materialen (zoals natuur- en baksteen), en een duidelijke drang tot versiering door middel van abstracte ornamenten manifesteerde zich.

Ouds eerste 'doorgewerkte' ontwerp was een prijsvraagontwerp in 1937 voor een nieuw stadhuis in Amsterdam: symmetrisch van opzet en bekroond met een hoge zuil met daarop een allegorische vrouwenfiguur. Giedion, die hem in juli 1938 in Rotterdam opzocht was teleurgesteld en schreef op 29 juli 1938 aan Moholy-Nagy dat Oud zich 'op een gevaarlijke weg der reactie' bevond, en op 31 augustus aan Cor van Eesteren: 'Het was een zware avond. [...] We moeten ons zorgen om hem maken!'
De prijsvraag voor het stadhuis van Amsterdam werd een krachtmeting tussen de diverse architectuurstromingen in ons land. De uitslag riep bij moderne architecten weerstand op. Onder invloed van de voorzitter van de jury, prof. M.J. Granpré Molière, de geestelijke vader van de traditionele 'Delftse School' waren de plannen van aanhangers van het 'Nieuwe Bouwen' van tafel geveegd. Le Corbusier, die te hulp geroepen werd, vond het ontwerp van W. van Tijen en H. Maaskant het beste, maar oordeelde over het plan-Oud niet erg vleiend.

Nog uitbundiger was Ouds ontwerp voor het hoofdkantoor van Shell in Den Haag uit 1938. De monumentale, symmetrische opzet en de toepassing van ornamenten betekenden een breuk met het Nieuwe Bouwen. Het is bijna een manifest tegen de orthodoxie van het functionalisme, maar 'beter verkeerd geprobeerd dan werkelijk verstard', schreef hij op 16 juni 1946 aan Alfred Roth.

In de Verenigde Staten waarheen Mies van der Rohe en Gropius waren gevlucht na Hitlers verbod van het Bauhaus, werd zijn gewijzigde koers gezien als een verraad aan de strakke 'International Style'.
In Nederland werd het in de pers aanvankelijk nog geprezen, maar in het buitenland had men er geen goed woord voor over en werd Oud prompt van zijn voetstuk gehaald. Door de toepassing van hiërarchische proporties, symmetrische verhoudingen en het ornament zou hij de moderne principes hebben verloochend. 'Boerenkunst', luidde het onverbiddelijke oordeel van het Amerikaanse tijdschrift Architectual Record.
Oud werd onaangenaam verrast door deze Amerikaanse afwijzing en voelde zich te kort gedaan. Hij trachtte te bewijzen dat er een rechte lijn liep door de ontwikkeling van zijn eerdere naar zijn nieuwe vormentaal. Hij stond daarin overigens niet alleen, want functionele architecten als Staal en S. van Ravesteyn waren hem voorgegaan op de weg naar een 'neobarok' of 'Beton-Rococo'

Gelukkiger was Oud bij de besloten prijsvraag voor het BIM-gebouw aan de Wassenaarseweg in Den Haag, want hier werd zijn ontwerp voor uitvoering aangewezen. Dit werd zijn lievelingsgebouw, waaraan hij van 1937 tot 1942, toen het in gebruik genomen werd, heeft gewerkt. Nadat het gebouw door een Engels bombardement beschadigd was volgde onder leiding van Oud het herstel, dat na de oorlog in enigszins gewijzigde vorm zijn voltooiing vond.

Oud vond dat de Internationale Stijl de artistieke beginselen van de avant-garde verkwanseld had. 'Laat men al die theorie, al die reclame, al dat cijferen en verantwoorden; kortom: laat men al die remmen eens loslaten en gewoon doen. Laat men het nu eens 'lekker' doen. Een huis bouwen, eenvoudig weg, zooals men het plezierig zou vinden om in te wonen. Niet denken aan het goede gedrag als theoreticus en desnoods dwars tegen het beginsel in, maar gewoon echt: van binnen uit', schreef hij op 28 mei 1941 aan Opbouw.

Wederopbouw Rotterdam
In 1941 was Oud intussen benoemd tot supervisor herbouw binnenstad Rotterdam (Coolsingel en omgeving). Uit die periode dateert zijn niet uitgevoerde ontwerp voor het Hofplein. In het algemeen zou zijn aandeel in de herbouw van de stad gering blijven, ook na de bevrijding van Nederland. Dit was gedeeltelijk te wijten aan het feit dat in die jaren zijn oudste broer, de bekende liberale staatsman P.J. Oud, burgemeester van Rotterdam was (1938-1941 en 1945-1952), om iedere verdenking van protectie te vermijden wenste deze dat zijn broer geen opdrachten van enige betekenis binnen zijn ambtsgebied zou krijgen. Mede als gevolg daarvan voelde Oud zich op den duur miskend in Rotterdam en verhuisde hij in 1953 naar Wassenaar.

Oud vs Delftse School
In Ouds carrière werd de periode in en direct na de oorlog bovendien gekenmerkt door een vinnige pennestrijd tegen de aanhangers der traditionele 'Delftse School'. Deze hadden het leeuwedeel van het wederopbouwwerk naar zich toe weten te trekken en werden daarom bij voortduring door Oud (samen met de architectuurcriticus J.J. Vriend) kritisch begeleid. Op den duur groeiden deze stromingen weer naar elkaar toe, en de strijdbijl werd in 1955 definitief begraven, toen Oud door de TH Delft tot doctor honoris causa werd benoemd met als promotor prof. J.F. Berghoef.

Oud vs functionalisme
Gedurende en na de oorlog brak het functionalisme van Giedion en Gropius in met name de Verenigde Staten definitief door. Er ontstond een soort universeel modernisme. Hierdoor liet hij zich, tegen zijn principes, verleiden tot het schrijven van een manifest. In dit manifest, gedateerd 11 mei 1946, staat onder meer: 'Tot nu toe was het probleem van de moderne architectuur: 1. Het duidelijk en zonder voorwaarde vastleggen van de eisen waaraan een bouwwerk moet voldoen wat betreft practisch gebruik en constructie. 2. Deze vereisten tot stand brengen zonder tussenkomst van het verleden in een vorm die een directe uitdrukking is van het op te lossen vraagstuk. Zoals ingenieurs dat doen; zoals de bouwkunde dit doet! Op die manier hebben we nu, in de beste kantoren en woonhuizen, vormen bereikt op het niveau van een goede locomotief, een goede auto of een goede tandartsboor. Degelijke technische vormen, die in hun eerlijkheid van culturele waarde werden! [...] Het is een begin: niet, zoals sommige architecten lijken te denken, reeds een einde. Het vormt de basis voor een nieuwe architectuur: een aanzienlijk deel van haar grondbegrippen, maar waar nog zeer weinig literatuur over bestaat! Het is goed bouwen, maar nog geen emotioneel bouwen. Nog geen: architectuur!'.

Ook keerde hij zich tegen het binnen het functionalisme veel gepractiseerde teamwork, zoals het geval was bij het hoofdkantoor van de Verenigde Naties in New York. Hierin vond hij een medestander in de persoon van Frank Lloyd Wright, aan wie hij in 1952 een tentoonstelling in het Ahoy wijdde. 'Ik maakte zelf al bezwaar tegen de manier waarop het gebouw op bureaucratische wijze is geconcipieerd en tot mijn tevredenheid vernam ik dat U in een artikel ook uw onvrede hebt geuit', schreef hij op 1 juni 1948 aan Wright.

Oorlogsmonumenten
Belangrijke projecten van Oud, waarin hij zijn ideeën tot uitdrukking probeerde te brengen, zijn de nationale monumenten op de Dam (1949-1956) en bij de Grebbeberg (1948-1953). Bij het monument op de Dam miste de Centrale Commissie voor Oorlogs- en Vredesgedenktekens een 'groots element'. Oud en de beeldhouwer Raedecker, met wie hij samenwerkte, verwierpen echter elke bemoeienis van de Commissie en beriepen zich op hun artistieke onafhankelijkheid. Bij de Grebbeberg had met name de legerleiding graag een stoer, martiaal monument gezien, om het destijds lage imago van het Nederlandse leger op te vijzelen. Ouds ontwerp verwees evenwel niet zozeer naar strijd en soldaten, als naar de waarde van de bevochten vrijheid.

1950 prijs voor vooraanstaande plaats in het Nederlandse culturele leven

De kritiek op zijn neobarokke experimenten was kennelijk niet vergeefs geweest, want Oud was terug bij de strakke vormen van de jaren '20. Dit is ook te zien aan zijn andere werk uit dezelfde tijd: het Tweede Vrijzinnig Christelijk Lyceum in Den Haag (1949), het Bio-vakantie Oord te Arnhem (1952) en het kantoorgebouw der Levensverzekeringmaatschappij 'Utrecht' te Rotterdam (1954). Deze gebouwen munten uit door zorgvuldig ontworpen plattegronden en minutieus uitgewerkte details. De spontaniteit van de inspiratie is echter aan het verdwijnen, en het lijkt erop dat de toenemende nauwkeurigheid innerlijke onzekerheid moet camoufleren.

1954-1961 Kantoorgebouw De Utrecht Rotterdam. De door Quist uitgevoerde renovatie van de gevel (1987-1989 ) bestond onder andere uit de toepassing van nieuwe kozijnen.

Het succes van het naoorlogse 'universeel modernisme' was vooral te danken aan de propaganda van het MoMA. Het MoMA organiseerde ook een overzichtstentoonstelling, waarvan Oud zich buitengesloten voelde. 'Ik erger me [...] heel erg aan de moderne architectuur, waarin het emotionele element zo sterk verloren gegaan is en daarvan vind ik de Amerikanen de typische representanten, die het nog goed hebben ook, omdat ze schijnbaar - door hun frisheid - het gelijk aan hun zijde hebben. [...] De architectuur [is] fris, maar leeg', schreef hij op 14 april 1956 aan J.J. Vriend.

In 1956 ontwierp hij in samenwerking met zijn zoon Hans Oud (1919-1996) het Nederlands Congresgebouw in Den Haag. Zijn laatste ontwerpen waren het Congresgebouw en het Stadhuis in Almelo.

Oud overleed op 73-jarige leeftijd.

Zijn zoon Hans, de Italiaan Veronesi, de Duitser Stamm en de Nederlandse Italiaan Barbieri publiceerden monografieën over Oud. In 2001 werd Oud geëerd met een overzichtstentoonstelling in het NAi en een lijvige monografie van Dolf Broekhuizen.

Websites: GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/J.J.P._Oud.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 10.