Le Corbusier





INSCHRIJVEN
NIEUWSBRIEF


OF WEBFEED!


Tip: klik op Le Corbusier voor andere pagina's over dit onderwerp.





Index lexicon: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z 0-9

Deze pagina is 24-01-2009 voor het laatst bewerkt.


Le Corbusier foto van Walter Limot, 1934

Le Corbusier

Zwitsers-Franse architect, meubelontwerper, schilder, graficus, beeldhouwer, fotograaf, textielontwerper en auteur, geboren op 6 october 1887 in het Zwitserse La Chaux-de-Fonds - overleden 27 augustus 1965 Cap Martin.

'Le Corbusier', het pseudoniem van Charles Edouard Jeanneret, werd afgeleid van 'Lecorbésier', de naam van zijn overgrootmoeder. Het werd door hem vanaf 1920 gebruikt als auteur, vanaf 1922 als architect evenals in het burgerlijk leven en vanaf 1928 als schilder. In de jaren '20 nam hij de Franse nationaliteit aan.

Le Corbusier was met zijn voorkeur voor geometrisch formalisme een van de invloedrijkste architecten, ontwerpers en ontwerp­theoretici van de 20e eeuw. Helaas hebben de in de jaren '60 vaak slecht uitgevoerde gebouwen en projecten in de trant van Le Corbusier het Modernisme in een slecht daglicht gesteld.

Biografie
Jeannerets vader werkte als emailleerder van wijzerplaten voor de beroemde horloge-industrie in La Chaux-de-Fonds, zijn moeder was muzieklerares. Dankzij hun beroep kenden beide ouders de lust tot abstraheren. De jonge Jeanneret kreeg het met de paplepel ingegoten.

Het begin van Jeanneret loopbaan als architect en kunstenaar vormde het onderwijs aan de School voor Kunstnijverheid in zijn Zwitserse geboorteplaats vanaf 1901. Aanvankelijk volgde hij hier alleen een opleiding als graveur. Later werd hij opgenomen in de zogenoemde 'Cours Superieur'. Deze cursus was gevestigd door het schoolhoofd, Charles L'Eplattenier, met de bedoeling, zijn beste leerlingen vertrouwd te maken met het terrein van architectuur en woninginrichting. Hierbij gaf hij vooral onderwijs in de theorieën van het Jugendstil en de Arts en Crafts beweging. Bovendien leerde L'Eplattenier de jongeren de natuur en haar structuren door het tekenen van geometrische ornamenten zichtbaar te maken. Hij propageerde een architectuur te scheppen, die zich aan de landschap van het eigen Jura gebergte aanpast.


Villa Fallet, 1905
Om zijn getalenteerde leerling te bevorderen verschafte L'Eplattenier Le Corbusier zijn eerste opdracht: Het ontwerp van de Villa Fallet voor een werknemer van de school in La Chaux-de-Fonds. In deze villa waren de beïnvloeding van de Jugendstil-principes en de traditionele bouwwijze van de Jura regio inderdaad duidelijk aanwezig.

In 1905 en 1906 reisde Jeanneret over de Balkan, door Klein-Azië, Griekenland en in 1907 samen met de beeldhouwer Léon Perrin door Italië.

Jeanneret verwierf zijn praktische en artistieke vakkennis dus niet door een akademische opleiding, maar aanvankelijk in de School voor Kunstnijverheid en in aansluiting daarop door studiereizen en ontmoeting respektievelijk samenwerking met belangrijke architecten: In Wenen maakte hij bijvoorbeeld kennis met Josef Hoffmann (1870-1956) en in februari 1908 kwam hij naar Parijs waar hij werkte als tekenaar bij Gustave- en Auguste Perret (1874-1954), familie van zijn moeder Marie-Charlotte Amélie Perret (1860-1960), van wie hij veel over het bouwen met gewapend beton en staal leerde. Gelijktijdig volgde Jeanneret cursussen aan de Sorbonne en de Ecole des Beaux-Arts. Ook bezocht hij de musea en bibliotheken van Parijs. Tijdens zijn verblijf in Parijs ontmoette hij ook directeur van de Dresdner Werkstätten für Handwerkskunst Wolf Dohrn, de Duitse ontwerptheoreticus Hermann Muthesius (1861-1927) en de Duitse architect en industrieel ontwerper Peter Behrens.

Terug in La Chaux-de-Fonds reisde hij in juni 1910 al snel weer door naar Duitsland voor een opdracht om een rapport te schrijven over de stand van zaken van de decoratieve kunst aldaar. Van half oktober 1910 tot eind maart 1911 vond hij daar een aanstelling in het atelier van Peter Behrens (1868-1940). In Berlijn ontmoette Jeanneret o.a. Mies van der Rohe via wiens werk hij bekend raakte met de Deutscher Werkbund en de Deutsche Werkstatten.

Na zijn verblijf in Berlijn maakte Jeanneret een reis door centraal en Zuid-Europa. Hij bezocht o.a. Boekarest, Constantinopel (=Istanbul), Athene en Rome.

Door al zijn ervaringen was Jeanneret in staat zich van de lessen van zijn Zwitserse school los te maken. Norbert Huse schrijft hierover: 'Le Corbusier werd door zijn nieuwe contacten met het fundamentele probleem van de moderne architectuur geconfronteerd, namelijk zich in functionaal, constructief en bovendien ook artistiek opzicht aan de belangen van de gëindustrialiseerde maatsschappij aan te passen.'


Villa Jeanneret / Maison blanche
In oktober 1911 keerde Jeanneret voor twee jaar terug in Zwitserland om les te geven op zijn oude school en werkte hij als architect. Voor zijn ouders ontwierp hij in 1912 de Villa Jeanneret-Perret.

Tracés régulateurs
De architect Jeanneret voelde bij het ontwerpen van gebouwen enerzijds een dringende behoefte aan regels die sturing aan een ontwerp konden geven. Tot die maatgevende regels behoren zijn 'controlelijnen' en later het maatsysteem van de Modulor. Anderzijds wilde hij er ook weer van af, als hem dat beter uitkwam.
Jeanneret beschouwde zijn 'tracés régulateurs' of corrigerende controle- of hulplijnen niet als vooraf vastgestelde rasters waarop het ontwerp gebaseerd moest worden. Ze werden alleen gebruikt nadat het ontwerp klaar was, om de verhoudingen preciezer te maken. Hij ontdekte de noodzaak van zulke diagrammen aan het begin van zijn loopbaan.
'Ik bouwde mijn eerste huis toen ik zeventien was; het zat vol decoraties. Ik was vierentwintig toen ik mijn tweede huis bouwde; het was wit en kaal: ik had tussendoor gereisd. De tekeningen van dit tweede huis lagen op mijn tekentafel. Het was in 1911. Ik werd plotseling getroffen door de willekeurige plaatsing van de openingen in de gevel (de vensters). Ik maakte ze zwart met houtskool; de zwarte vlekken spraken nu de een of andere taal, maar een onsamenhangende. Opnieuw werd ik getroffen door het ontbreken van een regel of wetmatigheid. Verbijsterd realiseerde ik me dat ik in een totale chaos werkte. Toen ontdekte ik voor mijn eigen gebruik de noodzaak van een regulerend instrument. Deze obsessie zou voortaan in mijn hoofd blijven hangen.( ...)
Er is geen harde en snelle, gemakkelijk toepasbare formule om 'tracés regulateurs' te gebruiken; het is echt een zaak van inspiratie, van echte creativiteit. Je moet de verborgen geometrische wet ontdekken die het karakter van een ontwerp bepaalt en beheerst. Op een gegeven moment wordt het ineens duidelijk en worden alle delen tot een geheel gebracht. Dan volgen er een paar correcties, enkele aanpassingen en tenslotte zal een volmaakte harmonie heersen.
'

Tijdens de hierop volgende periode hield hij zich enerzijds vooral bezig met vragen over de constructie van woonhuizen en met revolutionaire vernieuwingen in de stedebouwkundige planning. Anderzijds engageerde Jeanneret zich ook in de schilderkunst, maakte grafieken en ontwierp meubelen.

Maison Domino
Met de overtuiging, dat het één taak van de moderne architectuur zou zijn, onder andere ook de elementen van een huis te herzien, ontwikkelde Jeanneret in 1914 het zogenoemde 'Maison Domino', een concept voor de in serie geproduceerde woningpakketten van gewapend beton. Dit model bestaat uit twee horizontale platen van gewapend beton en trappen, welke door steunpilaren worden gedragen, waarbij de delen allemaal combineerbaar zijn met elkaar.

Hij bouwde Villa Schwab in La Chaux-de-Fonds (1916).

In januari 1917 vestigde Jeanneret zich weer in Parijs waar hij werkte als een consulterende architect bij de Société des applications du béton armé (SABA).


1920, olie op doek, 81x100 cm
Purisme
In 1918 leerde Jeanneret de kunstenaar en theoreticus Amédé Ozenfant (1886-1966) kennen waarmee hij een nieuwe schildermethode ontwikkelde, het 'Purisme'. Zij schreven samen het manifest Après le Cubisme, le purisme, dat 15 oktober 1918 verscheen. Hierin kwamen ze op voor eenvoudige, geometrische vormen en voor de integratie van objecten in de kunst. In zijn puristische schilderijen beeldde Jeanneret vooral gebruiksvoorwerpen en muziekinstrumenten af.

In 1920 ontmoette Jeanneret de schilder Fernand Léger en richtte hij samen met Ozenfant en de dichter Paul Dermée (1886-1951) het tijdschrift L'Esprit Nouveau op. In dit tijdschrift werden de theorieën van De Stijl, het Italiaanse Futurisme en die van architect Adolf Loos naar voren gebracht. Jeanneret schreef voortaan onder het pseudoniem Le Corbusier.

Le Corbusier ontwikkelde een systeem van bouweenheden om van het eenvoudige huis een industrieel product maken: de Citrohan-huizen (1920-1922). Ook werkte hij verder aan plannen voor een grote utopische stad van gestandaardiseerde hoge blokken, 'Moderne stad voor drie miljoen inwoners' (1922), die in 1922 op de Salon d'Automne tentoongesteld werden.

In 1922 ontwierp hij een atelierwoning voor Ozenfant.

Samen met zijn neef Pierre Jeannneret (1896-1967) begon hij eind 1923 aan de Rue des Sèvres in Parijs een architectenbureau dat in september 1924 de naam Atelier 35S kreeg. Ze bouwden diverse particuliere woningen en woonwijken. Gezamenlijk propageerden zij zijn ideeën, waarbij hij uitging van een mechanisering van het leven. Hij noemde het woonhuis een machine die zo weinig mogelijk inbreuk mocht maken op de individuele vrijheid van de mens en de omringende natuur.

Vanaf 1923 publiceerde Jeanneret vooral artikelen over architectuur.

Vers une architecture
In 1923 publiceerde Le Corbusier "Vers une architecture" ("Naar een architectuur"), waarin hij een nieuwe bouwkunst voorstelt, die past in het gemechaniseerde tijdperk. In het boekje zijn de zeer invloedrijke artikelen gecondenseerd die in het tijdschrift "L'Esprit Nouveau" verschenen. Zijn interesse voor de klassieke Griekse architectuur en de aantrekkingskracht die het machinale concept op hem had kwamenhierin duidelijk naar voren. In "Vers une architecture" herinnerde hij zijn collega-architecten ook aan drie, in zijn ogen, voor de architectuur en het ontwerpen belangrijke begrippen:
- Volume of bouwmassa's (le volume)
Architectuur wordt beschouwd als een weloverwogen compositie van volumes die wij dank zij het spel van licht en schaduw ervaren. De primaire vormen kubus, kegel, bol, cilinder en piramide zijn volgens hem mooie vormen omdat ze makkelijk "afleesbaar" zijn.
- Vlak of gevel (la surface)
Ten opzichte van het volume mogen de vlakken niet overheersen. De vlakken hebben een eigen, nuttige functie die in de gevel herkenbaar moet zijn. Niet de ramen en deuren zijn van belang, dat zijn slechts gaten die het volume aantasten, maar de meetkundige wetten dienen als vormgevend beginsel te worden gehanteerd. Voor de gevels zijn die wetten net zo maatgevend als voor het volume. Met andere woorden, volgens Le Corbusier dient er een direct verband te zijn tussen volume en begrenzende vlakken, zowel wat betreft de vorm als functioneel.
- Plattegrond (le plan)
Over de plattegrond, de situatie, het stadsplan merkt hij op dat dit de basis is waarop alle architectuur berust. Zonder plan heerst slechts wanorde en willekeur. Het plan is allesbepalend.

In oktober 1924 kwam een gebouw met ateliers voor Lipchitz en de beeldhouwer Mieschaninoff klaar in Boulogne-sur-Seine. Ondertussen was Le Corbusier bezig met het ontwerpen en bouwen van een dubbelwoning voor de Zwitserse verzamelaar en bankier Raoul La Roche en zijn broer Albert Jeanneret, die getrouwd was met de Zweedse Lotti Raaf, dat bekend werd onder de naam Villa La Roche-Jeanneret, (nu thuisbasis van La Corbusier Foundation).

Voor Michael en Sarah Stein ontwierp Jeanneret in 1926 een grote villa in de Rue du Professeur Victor-Pauchet te Vaucresson, waar ook Gabrielle de Monzie een gedeelte van bewoonde.

Voor de 'Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes', geopend op 28 april 1925, ontwierp hij het Pavillon de L'Esprit Nouveau. Het was een ingericht huis en een expositieruimte. Het paviljoen, een modelbouweenheid voor een later appartement, werd zowel bejubeld als bekritiseerd en de kritiek leidde er uiteindelijk toe dat Le Corbusier zich terugtrok uit de conservatieve Société des Artistes Décorateurs en in 1929 de UAM (Union des Artistes Modernes) oprichtte. Op de expositie was ook zijn stadsplan Comtemporary City for Three Million Inhabitants uit 1922 en Voisin Plan of Paris te zien. Het Plan Voisin uit 1925 voorzag in het slopen van een groot deel van Parijs.


Maison Citrohan, Stuttgart 1927
In coöperatie met zijn neef ontwierp Le Corbusier een groot aantal woonhuizen, bijvoorbeeld het beroemde Citrohan-huis in 1927 voor de Weissenhof-siedlung in Stuttgart.
Bij gelegenheid van deze Werkbund-tentoonstelling publiceerde Le Corbusier een boekje, waarin hij zijn bouwprincipes als 'Vijf punten voor een moderne architectuur' codificeerde, welke voor het bouwen met gewapend beton geldig zijn:
1. Het huis ligt op zuilen (pilotis) waardoor de woning boven de vochtige grond ligt en de tuin tot onder het huis kan doorlopen.
2. Het dakterras (toît-jardin) maakt maximaal gebruik van het oppervlak om zo de ingenomen ruimte terug te kunnen gebruiken.
3. Door het ontbreken van draagmuren is de woning vrij indeelbaar (het zogenoemde "plan libre")
4. Horizontale ramen (fenêtres en longueur)(bandramen) over de volle breedte zorgen voor een gelijkmatige verlichting en ventilatie, transparantie, gerichtheid op het landschap, licht en horizontaliteit van de opbouw.
5. De vrije facade (façade libre), zonder beperkingen door draagstructuren. De gevel is geen strak masker meer maar een vlies rond de constructie
Een belangrijke voorwaarde om deze punten te kunnen realiseren was de toepassing van een zelfdragend staalskelet dat de muren van hun dragende functie bevrijdde en voor vrij invulbare plattegronden en gevels zorgde.
(www.cvogodelieve.be/voorbeeldenindesign/artikel.pdf)

CIAM
In 1927 naam Le Corbusier deel aan de architectuur-prijsvraag voor het Palais des Nations in Genève. Zijn ontwerp gold weliswaar als uitstekend en eindigde op de eerste plaats, maar leden van de jury, die de oude, traditionele belangen van de academie behartigden, verhinderden de realisatie van Le Corbusiers project.
Uit kritiek en verontwaardiging over het onrechtvaardig resultaat van deze prijsvraag vestigde Le Corbusier met een aantal architecten van naam, zoals Walter Gropius (1883-1969) en Hugo Haering (1882-1958), in 1928 in La Sarraz (Zwitserland) de 'Congrès Internationaux d' Architecture Moderne' CIAM. Deze vereniging hield zich vooral bezig met stedebouwkundige planningen en formuleerde in 1933 de beroemde 'Charta van Athen'. Haar oertekst werd door Le Corbusier opnieuw bewerkt en in 95 paragrafen ingedeeld.


voorgevel (noorden)




achtergevel
1927 Villa Stein of Villa Garches
Over het gebruik van 'tracés regulateurs' voor een villa in Garches zegt hij:
'Het ontwerp van het hele huis werd beheerst door strenge 'tracés regulateurs' die het effect hadden dat ze de dimensies van de verschillende delen veranderden. Soms maar met een enkele centimeter. In zo'n geval zijn wiskundige wetmatigheden geruststellend: als het klaar is weet je dat het helemaal goed zit. De noordgevel wordt bepaald door diagonalen. Maar er zijn drie horizontale stroken van gesloten muur tussen de openingen. Hun respectievelijke breedte leek een numerieke progressie te vormen. Bij nadere beschouwing bleek dat het in feite een 1,2,4 progressie was. Een kleine wijziging van de tekening maakte de progressie beter. Dit is een voorbeeld van een numeriek schema. Bovendien waren om constructieve redenen de betonnen pijlers op regelmatige afstand geplaatst. Naar de gevel kijkend is men zich steeds bewust van de numerieke maten die deze structuur beheersen. In Garches is dus, in aanvulling op de twee voorgaande diagrammen (de diagonalen en de 1,2,4 progressie) een derde zogezegd ingebouwd diagram dat door het structureel skelet wordt aangegeven. Het is een cadans van 2-1-2-1-2. De zuidgevel is ook gebaseerd op diagonalen. Dit leidde tot een interessante bijstelling van de tekening. Ik heb het over de leuning van de trap naar de tuin die parallel is aan de diagonaal van de gevel. Om dit resultaat te krijgen moest ik de grond aan het eind van de trap een beetje ophogen. Zulke subtiliteiten tellen.

Tenslotte verleent nog een andere, bijzonder belangrijke 'tracé regulateur' in het schema strenge precisie aan het dominante ritme van deze gevel. Ik spreek over de relatie die de breedte van de westzijde van de gevel aan die van de aangrenzende zijde bindt. De twee belangrijkste elementen van de compositie. Deze betrekking is gebaseerd op de beroemde verhouding die in alle belangrijke historische perioden gebruikt werd: de gulden snede. Als ik de lengte van het gebouw in twee delen wil verdelen, biedt de gulden snede een punt dat wiskundig exact is. Het enige punt dat zo'n subtiele verdeling kan scheppen. Ik zou bijvoorbeeld de gevel in twee gelijke delen kunnen verdelen of het een 1:2 of 2:3 verhouding kunnen geven, maar deze verdelingen lijken soms banaal of slap. Maar niet altijd. Ook hier moet je op je eigen oordeel afgaan.
'
www.architectureweek.com

Gulden snede
Le Corbusier gebruikte regelmatig de gulden snede. Hij suggereert dat het dezelfde eenheid schept van eenheid en verscheidenheid die ook in natuurlijke organismen bestaat: 'Natuurlijke organismen leren ons een belangrijke les: eenheid in vorm, zuivere silhouetten. De secundaire elementen zijn verdeeld op een verlopende schaal die zowel eenheid als verscheidenheid verzekert. Het systeem is tot in zijn verste vertakkingen een geheel.'

Le Corbusier bracht van 10 tot 30 oktober 1928 zijn eerste bezoek aan Moskou, waar hij o.a. een lezing gaf in het Polytechnische museum en zijn ontwerp voor het hoofdkwartier van de Centrosoyuz besprak.


Chaise Longue, 1928
Jeanneret/Le Corbusier/Perriand
Le Corbusiers opvatting over het huis als woonmachine hield functioneel meubilair, "équipment de l'habitation", in. In 1928/29 creërde Le Corbusier dan ook in samenwerking met Pierre Jeanneret en Charlotte Perriand - die zich in 1927 als ontwerpster en architecte bij Pierre en Le Corbusier aansloot - tafels en zitmeubels van chroom, staal en leder, welke in de 'Salon d' Automne' in 1929 getoond werden. De stoel Basculant Model nr. 8301 (ca. 1928), de chaise longue Model nr. 8306 (1928) en de fauteuil Grand Confort Model nr. LC2 (1928), toonden een nieuwe esthetische zuiverheid en waren de belichaming van de International Style. Le Corbusier heeft verschillende meubels gemaakt, zoals onder andere de stoelen LC1, LC2 en LC3. Zijn meest bekende meubels zijn de LC4 en LC7.

Beinvloed door Fernand Leger (1881-1955) en Pablo Picasso (1881-1973) oriënteerde hij zich steeds meer op het Kubisme en vanaf 1929 schilderde hij ook menselijke figuren.

Le Corbusier richtte zich op bouwkundige opdrachten, waaronder Cité du Refuge in Parijs (1930-1933), het Pavillon Suisse, Cité Universitaire in Parijs (1930-1931) en utopische bouwkundige concepten, moderne projecten die de ontwikkeling van de architectuur in hoge mate hebben beïnvloed, vooral in stedelijke gebieden met veel huizen en kantoorgebouwen.


1928-1931 Villa Savoye in Poissy-sur-Seine nabij Parijs
Enige elementen, die Le Corbusier in zijn kunstwerken kenbaar maakte, gebruikte hij eveneens voor zijn architectuur, onder andere bij de conceptie van de Villa Savoye. De door Le Corbusier ontworpen Villa Savoye - ook bekend als Villa les Heures Claires - is exemplarisch voor zijn vooroorlogse architectuur- en kleurideaal.
Het geheel ligt midden op een grasveld, oorspronkelijk omzoomd door bomen. Op de begane grond liggen de hal, de dienstvertrekken en de garages. De ingang ligt aan de achterkant van het gebouw, het keert zich van de straat af. Achter de brede raamstroken op de eerste verdieping bevinden zich de woonruimten die via glazen schuifwanden toegang geven tot de terrastuin. De etages kan men via zachte hellingen en wenteltrappen bereiken. Het dak met de gewelfde wandschermen en het "ingekaderd" uitzicht dient als zonneterras.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw verwoest; na de oorlog is het gerestaureerd en voor bezichtiging opengesteld.

Précisions sur un état présent de l'architecture et de l'urbanisme
Corbusier begaf zich van 27 september tot 7 december 1929 op een studie- en voordrachtsreis naar Zuid-Amerika. In Buenos Aires gaf Le Corbusier een serie lezingen, waarin hij voor het eerst sprak over de vier composities. In 1930 werden zij beschreven in Précisions sur un état présent de l'architecture et de l'urbanisme. Op de terugreis met de S.S. Lutetia was hij veel in gezelschap van Josephine Baker. Een reeks van reizen in de jaren hierop volgden, onder andere naar Moskou, Zweden, Noorwegen, Engeland, Spanje, Italie, Noord-Afrika, Griekenland en de Verenigde Staten van Amerika.

In 1930 deed Le Corbusier mee aan de tentoonstelling van Cercle et Carré en op 19 september werd hij Frans staatsburger. Op 18 december 1930 trouwde Jeanneret met Yvonne Gallis (1892-1957), waarmee hij tot haar dood op 5 oktober 1957 te Parijs lief en leed deelde. In 1933 gingen zij wonen in het penthouse van het door Le Corbusier ontworpen gebouw in de Rue Nungesser-et-Coli.

1935 Stadsplan 'La Ville Radieuse'
Nadat hij al in 1922 het model van de 'Ville Contemporaine' en in 1925 de 'Plan Voisin' had uitgewerkt, publiceerde Le Corbusier in 1935 een verder stedebouwkundig project, de 'Ville Radieuse'. Deze modellen concipieerde hij allemaal met de bedoeling, de bruutheid en onmenselijkheid van de steden te bestrijden, bijvoorbeeld door het scheppen van groenvoorzieningen en gemeenschappelijke huizen, daarnaast door het voorleggen van oplossingen voor de problemen met het verkeer. Le Corbusiers sterk becritiseerde stedebouwkundige planningen bleven meestal visioenen en werden bijna nooit gerealiseerd.

Zijn eerste reis naar de Verenigde Staten in 1935 werd een teleurstelling.

Vanaf 1936 ontwierp Le Corbusier wandtapijten voor de tapijtweverijen van Aubusson.

Toen Duitse troepen in 1940 Parijs bezetten beeïndigde Le Corbusier de samenwerking met zijn neef Pierre Jeanneret, sloot hun atelier en verhuisde naar Zuid-Frankrijk, waar hij en Auguste Perret door de Vichy-regering ondersteund werden.

Le Modulor
Rond 1946 ontwierp Corbusier een op de gouden snede en de rijen van Fibonacci stoelende architectuur onder de naam Le Modulor, een harmonieus verhoudingssysteem dat de gemiddelde lengte van de mens als uitgangspunt neemt. Het woord Modulor is opgebouwd uit module (=maat) en section d'or (= gulden snede). Met Le Modulor wilde Le Corbusier de gulden snede in ere herstellen.
Le Modulor betekent: ‘een harmonische maat van de menselijke schaal universeel toepasbaar op architectuur en mechanica’. In 1946 schreef professor Albert Einstein aan Le Corbusier: “Het is een reeks dimensies die het slechte moeilijk maken en het goede gemakkelijk”.
In 1948 verscheen het Le Modulor, in 1954 verscheen een tweede volume genaamd Modulor 2.

Le Modulor voorzag in de behoefte naar een reeks dimensies voor problemen met massaproductie, standaardisering en industrialisatie. Le Modulor verzoent ook de feet en de inches met het metrisch systeem door automatisch het decimaal systeem voor berekening in feet en inches te introduceren.
In november 1950 werd de ware lijn van Le Modulor in Le Corbusiers atelier gevonden. Sindsdien werd een lijst van deze maten van Le Modulor naast elk tekenbord in verschillende ateliers geplakt.

Aanleiding voor de ontwikkeling van Le Modulor was het probleem van een groeiende markt voor onder architectuur gebouwde bouwwerken. Er ontstonden problemen door het gebruik van twee verschillende systemen van schaalverdelingen.
De ene, het Amerikaanse systeem van feet en inches,(welke overigens in lichte mate al op het menselijk lichaam is gebaseerd) en de andere met het metrisch stelsel. Om hiervoor een oplossing te zoeken ging hij terug naar de Griekse oudheid en het idee van de Gulden Snede. In het begin ging hij uit van een hypothetische man van 1.75 meter, ook wel een Franse lengte genoemd. Le Corbusier werkte een tijdje met deze lengte maar zonder veel succes. Totdat een van zijn medewerkers hem er op wees dat de Franse lengte nogal klein was en dat in Engelse detectives the held altijd six feet tall is. Op die manier ontstond de bijnaam voor deze figuur; ‘the six feet detective’.




Le Modulor bestaat uit twee schalen, een rode en een blauwe. De maten van deze schaalverdelingen zijn gebaseerd op π ratio’s en de basis van de gulden snede. De maten in de tekening van Le Modulor komen overigens overeen met de reeks van Fibionacci. Het is dus niet alleen maar een instrument voor architectuele maatstaven maar het betekent ook dat de bouwwerken die ermee worden ontworpen volgens menselijke schaal zijn. Deze module is succesvol gebruikt bij het ontwerpen van verschillende designmeubelen alsmede gebouwen.

Le Corbusier beschrijft het systeem van verhoudingen de 'Modulor' als volgt:
'De modulor is een maatsysteem gebaseerd op het menselijk lichaam en de wiskunde. De hoogte van een man met opgeheven arm kan in delen worden verdeeld op punten die zijn positie in de ruimte bepalen: zijn voeten, zijn navel, zijn hoofd, zijn vingertoppen. Deze drie intervallen leveren een reeks uit de gulden snede.'
Het principe van de gulden snede is hier gebruikt om twee reeksen met afmetingen van de menselijke figuur op te stellen. De ene (blauwe reeks) is gebaseerd op de hoogte van een staande man met opgeheven arm: 2.26 meter. De andere (rode reeks) is gebaseerd op de hoogte van deze man gemeten van zijn voet tot zijn kruin: 1.83 meter.
Le Corbusier geloofde dat deze maten, direct gerelateerd aan het menselijk lichaam, architecten zouden helpen bouwwerken aan de behoefte van de mens aan te passen.
'De getallen van de Modulor, die uit een oneindig aantal mogelijke waarden gekozen wordt, zijn maten, dat wil zeggen, echte lichamelijke feiten. Ze horen bij een systeem van getallen en hebben daar ook het voordeel van. Waarschijnlijk kiezen we eerder de beste maten als we ze kunnen zien, met uitgestrekte handen kunnen schatten, niet alleen voorstellen (tenminste voor maten die dicht bij ons eigen postuur liggen). Het modulor-meetlint moet daarom op het tekenbord van de architect liggen naast zijn passer, zodat dit hem een direct zicht kan bieden op de maten en bijgevolg een concrete keus kan bieden. Architectuur (ik pas die term toe op bijna elk object dat door de mens gemaakt is) moet onze lichamelijke zinnen aanspreken evenzeer als onze geest.'
'De modulor is een stuk gereedschap, een precisie-instrument. Je kunt het zien als een klavier, een piano, een piano die gestemd is. De piano is gestemd, hoe goed je erop speelt hangt van jou af. De modulor verschaft geen talent of, nog minder, genialiteit. Hij scherpt een saaie geest niet aan. Wel geeft hij de gebruiker de voldoening met maten te werken die principieel goed zijn. Maar uit het onbeperkt aantal combinaties van de modulor moet je zelf een keus maken.'

Al vanaf ongeveer 1935 veranderden langzaam Le Corbusiers denkbeelden en voorstellingen, die dan vooral voor zijn werk na de Tweede Wereldoorlog gevolg hadden. In die tijd begon een nieuwe fase in zijn loopbaan, in welke niet meer zo sterk de aanpassing aan de technieke beschaving in de voorgrond stond, maar hoofdzakelijk de terugkeer naar het oorspronkelijke, eenvoudige leven. Niet alleen om die reden is Le Corbusiers later werk aan de ene kant gekarakteriseerd door het gebruik van natuurlijke materialen en van een onbewerkte béton brut, maar aan de andere kant ook bestemd door een plastische, meer monumentale stijl.

In de jaren '50 keerde Le Corbusier het formalisme van de International Style de rug toe en stortte hij zich op vrijere en expressievere vormen.

Unité d'Habitation
Zijn grootste tot dan toe uitgevoerde project was een wooncomplex in Marseille (1947-1952), de Unité d'Habitation (la cité radieuse): een flatcomplex met 337 appartementen, voorzien van binnengelegen winkelstraten en diverse faciliteiten.
Het ontwerp van de Unité d' Habitation ontstond uit de idee, een gebouw te scheppen, zoals het Kartuizerklooster in Galluzzo, dat op Le Corbusier sterke indruk gemaakt heeft, waarin vele mensen in een gemeenschap kunnen samenleven. Omdat hij van mening was, dat de grote steden brut en erg onmenselijk zijn, concipieerde hij hier een huis, welk na het voorbeeld van de kloosterlijke levensgemeenschap een zogenoemd "cel" voor iedere familie voorzag en evenwel een bouwlaag met winkels en cafés en een daktuin voor sportieve activiteiten. Zoals te zien wordt het gebouw weliswaar door pilotis getild, die echter nu meer plastisch gemodelleerd en robuuster zijn. Het sterkere gebruik van krachtige kleuren, de onbewerkte "béton brut" en de bescherming tegen de zon zijn kenmerken voor de realisatie van Le Corbusiers nieuwe ontwerpen.


1950, Notre Dame du Haut, Ronchamps
In 1950 bouwde hij de kapel Notre-Dame-du-Haut in Ronchamp en vanaf 1951 realiseerde hij als 'Government Architectural Adviser' het project voor de indische stad Chandigarh.

Bovendien mogen ook het klooster Sainte-Marie-de-la-Tourette in Eveux-sur-l'Arbresle bij Lyon (vanaf 1953) en het Carpenter Center of Visual Arts in Cambridge, Massachusetts (1961-1964), niet ongenoemd blijven, omdat ze belangrijke werken van zijn laatste scheppingsperiode zijn.

Tijdens een vakantieverblijf in Cap Martin, waar hij sinds 1952 een door hem ontworpen woning had, overleed Le Corbusier op 27 augustus 1965 aan een hartaanval. Op 1 september eerde de minister voor Cultuur, André Malraux, hem door een uitvaartdienst in de Cour Carrée van het Louvre.

Naast het terugbrengen van complexe theorie tot eenvoudige principes ('vijf punten voor een nieuwe architectuur') liet Le Corbusier elk artikel of boek dat hij schreef onmiddellijk vertalen van het Frans naar het Engels en het Duits. Daarmee verspreidde zijn gedachtegoed zich razendsnel over de hele wereld en verwierf hij grote bekendheid. Toch is Le Corbusier niet alleen beroemd: het strakke regime van zijn architectuur leidde tot wooncomplexen die terug te vinden zijn in de voorsteden van Parijs, maar ook in de Bijlmer in Amsterdam Zuidoost. De problemen die tegenwoordig in deze wijken bestaan worden deels toegeschreven aan de manier waarop deze complexen ontworpen en gebouwd zijn, en daarmee aan Le Corbusier.
Het NAi zegt hierover: “Le Corbusier had zeer uitgesproken ideeën over de manier waarop steden ontworpen moesten worden. Onder meer in Parijs en Marseille bouwde hij wooncomplexen waarin alle benodigde functies (zoals winkels en recreatieruimten) waren ondergebracht en de verkeersstromen streng geregisseerd werden.”
Le Corbusier legde heel erg de nadruk op een collectief gebruik van ruimten. Zijn ideeën vonden volgens het NAi veel navolging, maar de grootschaligheid van de (voor)steden en het ontbreken van de zorg, die Le Corbusier wél had, voor de publieke ruimte, maakten dat zijn ideeën niet altijd succesvol waren.

Websites: www.cultuurnetwerk.org


Werken:
Le Corbusier bouwde op 17-jarige leeftijd zijn eerste huis, daarna talrijke afzonderlijke woonhuizen in Frankrijk en elders. In 1908 werkte hij o.a. met Auguste Perret samen. In 1917 vestigde hij zich te Parijs en begon daar een samenwerking met zijn neef Pierre Jeanneret. Hij ontwierp stedenbouwkundige plannen o.m. voor Buenos Aires, Stockholm, Antwerpen, Algiers, Nemours (Afrika) en Bogota.

Te Parijs bouwde hij voor de wereldtentoonstelling het Pavillon de l'Esprit nouveau (1925), het gebouw van het Leger des Heils (1929) en het Zwitserse paviljoen voor de Cité Universitaire (1932). In 1931 werd hij door de Russische regering naar Moskou uitgenodigd om stedebouwkundige plannen te bestuderen. Samen met Oscar Niemeyer bouwde hij het Ministerie voor Opvoeding te Rio en van 1948-52 werkte hij aan de Unité d'habitation te Marseille. Grote verbazing wekte zijn kapel te Ronchamp (zomer 1955). Sinds 1951 was hij als ontwerper en uitvoerder betrokken bij de bouw van de nieuwe stad Tsjandighar voor de Indiase regering. In 1958 ontwierp hij het Paviljoen voor Philips op de wereldtentoonstelling te Brussel.

Zijn architectonische credo legde hij aanvankelijk in vijf punten neer:
Kolom- en skeletconstructies maken dragende muren overbodig en veroorloven vrijheden (vb. tuin onder de gebouwen doorlopend).
Skeletbouw geeft gelegenheid tot een vrije opstelling op de vloeren.
Onbeperkt lange vensters, soms als glazen wand.
De niet-dragende gevel wordt vrij op de overstekende vloer opgesteld.
Gelegenheid tot aanleg van daktuinen.

Ronchamp betekende een keerpunt. De typische rechtlijnigheid, voortkomend uit een gekozen constructiesysteem, maakte hier plaats voor een vrije plastische vormgeving. Niet de puur technische functie ging hem boeien, maar de ideële functie van het bouwwerk die tot uitbeelding gebracht moest worden: Ronchamp als centrum van bedevaartgangers sedert vele eeuwen. Uit dezelfde versie ontstond zijn laatste belangrijke werk op dit gebied, het Klooster Sainte-Marie te Evreux-sur-l'Arbrèle. Zie bij functionalisme. (Summa)

Viool, glas en fles, 1925, olieverf op doek, 100x81, Luik, Musée d'Art Moderne
De puristische esthetiek gaat uit van typevoorwerpen als glas, vaas, viool, die tot abstracte beelden worden in een geometrische taal. Typisch voor het purisme is de voorkeur voor glas, metafoor van transparantie, helderheid en een kristallijne orde. Op basis van een mathematische universele orde kan harmonie tot stand komen. De puristen werken onder meer met de gulden snede om ideale proporties te bereiken.

In het werk van Le Corbusier, die in 1918 samen met Ozenfant aan de oorsprong staat van het purisme in het tijdschrift L'Esprit nouveau, is de ordening veel complexer en meer bestudeerd dan bij Marthe Donas, die intuïtiever te werk gaat. (exp 220)

Villa Savoye, 1929-31, Poissy-sur-Seine
De rand van vensters komt naar voren als de bepalende indeling van het kubusvormige geheel dat op deze wijze volkomen van de bodem losgemaakt wordt. Le Corbusier zet zijn bouwsels bij voorkeur op palen, waardoor de benedenverdieping naar achteren wordt gedrukt of, wanneer dat om technische redenen gewenst is, geheel wegvalt. De bouwwerken van Le Corbusier zijn altijd sociaal of functioneel gericht. (KIB 20ste 124)

Le Corbusier noemde zijn woningen machines à habiter, woonmachines, een term waarmee hij zijn bewondering wilde uitdrukken voor de heldere, duidelijke vormentaal van de moderne machine, en niet een verlagen naar "gemechaniseerd wonen" (de schilderijen van zijn vriend Léger tijdens dezelfde periode geven blijk van een soortgelijke opvatting). Misschien wilde hij er ook mee suggereren dat zijn huizen zo sterk van het conventionele soort verschilden, dat ze niet meer met de oude naam konden worden aangeduid. Die indruk krijgen we inderdaad bij het bekijken van het vermaardste ontwerp, het Savoyehuis: dit lijkt een lage, vierkante doos, die rust op stelten - pijlers van gewapend beton die horen tot de draagconstructie en tevens een verdeling aanbrengen in het "glazen lint" van ramen dat langs de zijden loopt. De ongedeelde, gladde oppervlakken, die elke suggestie van zwaarwichtigheid vermijden, laten zien hoe Le Corbusier in abstracte "ruimteblokken" wist te denken. Als we willen onderzoeken hoe de doos is onderverdeeld, moeten we naar binnen gaan; dan beseffen we dat deze simpele structuur woonruimten bevat die tegelijk open en gesloten zijn, gescheiden door glaswanden. Binnenshuis staan we nog steeds in contact met de buitenwereld (overal zijn nog gedeelten van de lucht en het omringende terrein te zien). Toch is er geen hinder van nieuwsgierige blikken, want iemand die buiten op de begane grond staat, kan ons alleen zien als we vlak voor een raam gaan staan. Het functionalisme van het Savoyehuis wordt dus geleid door een "leefplan", niet door kille, mechanische efficiency. (Janson 710-711)

Dreiging, 1938, olieverf op doek, 162x130, Zwitserland, privé-verzameling

Unité d’habitation (flatgebouw), 1947-1952, Marseille
In tegenstelling tot Mies van der Rohe heeft Le Corbusier het geometrische purisme van de “internationale stijl” verlaten. Zijn werk van na de jaren ’30 toont een voorkeur voor plastische, soms antropomorfe effecten. Dit grote flatgebouw is als een doos op stelten (cfr. Savoyehuis), maar deze pijlers zijn geen dunne spijlen meer, hun vrom is nu de expressie van hun gespierde kracht, zodat we bijna aan Dorische zuilen zouden denken. De vrij aangebouwde trap (niet zichtbaar op deze foto) tegen de zijgevel is ook heel plastisch, terwijl de vlakke, volledig glazen gevel een honingraatachtig scherm van louvres en balkons heeft meegekregen dat een zonnewering vormt, maar tegelijk duidelijk het driedimensionale van deze constructie doet uitkomen. Dit scherm is een vernieuwing van grote betekenis, zowel praktisch als esthetisch: in alle tropische gebieden maakt de moderne architectuur gebruik van deze wafelstructuur, die door Le Corbusier zelf in India en Brazilië is ingevoerd. (Janson 711)

Gebouwen te Ronchamp, 1950

Woonwijk voor Straatsburg, 1951

Chapelle de Ronchamp (Notre-Dame-du-Haut), 1950-1955, Ronchamp
Onregelmatige structuur binnenin. Twee overhangende bruine betonnen schelpdaken (cfr. rechts om buiten altaar te beschermen). Asymmetrisch geplaatste vensters. Torens uit stenen met beton. Gewijde ruimte in de bouwgeest van onze tijd.

Het meest revolutionaire gebouw van het midden van de 20ste eeuw. Het verheft zich als een middeleeuws fort op een bergtop en heeft een zo irrationeel ontwerp (Le Corbusier verlaat hier immers de oude indeling in koor en lekenruimte), dat het zich onttrekt aan een analyse, zelfs met behulp van perspectivische tekeningen. Het spel van curven en tegencurven is hier even opvallend als bij Gaudi's Casa Milà, hoewel de vormen nu eenvoudiger en dynamischer zijn.

De massieve muren schijnen te gehoorzamen aan een onzichtbare kracht die ze uit het lood trekt en doet oprollen alsof ze van papier waren. Het overhangende dak wekt de indruk de brede rand van een enorme hoed te zijn, of de bodem van een schip, in het midden gespleten door de scherphoekige pijler die het ondersteunt. Als de Casa Milà doet denken aan de geërodeerde soepele contouren van Henry Moores liggende figuur, dan heeft Ronchamp de megalithische kracht en forsheid der Twee vormen van dezelfde kunstenaar.

Deze evocatie van een vaag prehistorisch verleden is volkomen opzettelijk. Toen hem was gevraagd op een bergtop een heiligdom te bouwen, moet Le Corbusier dit hebben opgevat als een oeroude bouwkundige opdracht, die hem in directe lijn tot opvolger maakte van de mannen die Stonehenge hebben gebouwd, de zigoerats van Mesopotamië en de Griekse tempels. Hij vermeed dan ook bewust elke invoerende lijn van exterieur naar interieur. De deuren zijn verborgen: we moeten ze opzoeken als spleten in een berghelling en als we naar binnen gaan, krijgen we het gevoel een heilige grot te betreden.

Pas bij het betreden van de kerkruimte voelen we het specifiek christelijke aspect van dit bouwwerk. Het licht, dat binnenvalt door gekleurde glasramen van zo kleine afmetingen dat ze niet meer dan spleten of speldenprikken in de constructie schijnen, snijdt zich breder uitlopende banen door de zware, dikke muur en wordt zo opnieuw tot wat het eens in de bouwkunst van de Middeleeuwen was geweest, zichtbaar symbool van het hemelse licht. Er is daarnaast nog een Benedictieloggia en een buitenkansel, die verwijzen naar ouditaliaanse lokale voorbeelden.

Het interieur van Ronchamp heeft een betoverende magie, maar is daarbij op een eigenaardige manier verontrustend door de voelbare heimwee naar de zekerheden van een geloof dat niet langer onaantastbaar is. Ronchamp weerspiegelt zo de ware geesteshouding van de moderne mens - en dit geeft de maat aan van de grootsheid van deze artistieke schepping. (Janson, 712; ggk 12-39)

Dominicanenklooster La Tourette, 1958-1959, Lyon
Door het beklemtonen van bepaalde bouwonderdelen, zoals gesloten zijgevels en horizontale middengedeelten met sterk naar voren tredende rijen vensters - dus zuivere contrasten in de vorm - kan men een klooster maken tot een gebouw dat iets te zeggen heeft. Ook de klemtoon op het gebezigde materiaal, zoals bvb. het laten staan van de gietvorm in het beton - kan aan een gebouw een ongewone uitdrukkingskracht verlenen. Deze door de Fransen brutisme genoemde techniek werd aanvankelijk toegepast om het verloop van de werkzaamheden bij de bouw duidelijk aan te geven, want dit mocht, evenmin als de onderdelen van de bouw, niet verborgen worden. Hierdoor ontstaat een blijvende uitdrukkingskracht die volkomen verwant is aan de rustica van het maniërisme. Een sociaal voelende, theoretische architect als Le Corbusier moest natuurlijk de bouw van een klooster bijzonder aantrekkelijk vinden en hij is er op meesterlijke wijze in geslaagd zich niet alleen naar het uiterlijk aan te passen aan de ascetische functies die een kloostergemeenschap met zich brengen. (KIB 20ste 207)











privacybeleid