kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30-07-2008 voor het laatst bewerkt.

Michel de Klerk

Nederlandse kunstenaar, edelsmid, architect en vormgever van de Amsterdamse School, geboren 24 november 1884 Amsterdam - overleden 24 november 1923 Amsterdam.

Biografie
De Klerk was als zoon van diamantslijper Joseph Leman de Klerk en Rebekka Roeper afkomstig uit de doelgroep waar hij, overigens bij toeval, enkele van zijn meest vermaarde woningblokken voor ontwierp. Vader De Klerk was al 78 en had reeds 21 kinderen uit een vorig huwelijk toen Michel, de jongste van de vier kinderen bij zijn tweede echtgenote, werd geboren als vierde kind. Veel aandacht zal de kleine Michel dus niet hebben gekregen. Maar hij had het geluk dat hij erg goed kon tekenen.

Toen de moeder in 1887 weduwe werd, probeerde zij als wasvrouw de kost te verdienen. Michel groeide op in armoedige, onzekere omstandigheden, steeds opnieuw verhuizend in de Amsterdamse Jodenbuurt. Op de lagere school was hij geen uitblinker, hoewel hij daar al blijk gaf van tekentalent.

Hij mocht een vervolgopleiding doen, mogelijk een ambachtsschool, waar de Amsterdamse architect Eduard Cuypers (een neef van de architect P. Cuypers van het Rijksmuseum) zijn begaafdheid als tekenaar ontdekte en hem eind 1898 als hulpje op zijn architectenbureau annex kunstnijverheidsatelier binnenhaalde.

Cuypers was als een tweede vader voor De Klerk. Zo spoorde hij hem aan de vijfjarige avondopleiding voor bouwkundig tekenaar te volgen aan de Industrieschool van de Maatschappij voor den Werkenden Stand, een opleiding die hij in 1906 voltooide. De vrijere kanten van zijn tekentalent zou hij ontplooien door tussen 1908 en 1910 in Haarlem wekelijks sessies modeltekenen te bezoeken en vanaf 1912 lessen te volgen aan de School voor Kunstnijverheid aldaar.

Op het bureau werd hij intussen doorkneed in een zeer brede ontwerppraktijk, zowel op het gebied van de architectuur als de binnenhuiskunst. Beïnvloed door zijn leraren en door Cuypers' eclecticisme, ontwikkelde De Klerk zijn eigenzinnige vormgevoel en zijn voorkeur voor kostbaar en kleurig materiaalgebruik. Dit atelier, waar De Klerk zijn companen Chris la Croix, Jan van der Mey, Piet Kramer en André van Vlaanderen leerde kennen, is altijd afgeschilderd als de kweekvijver van de Amsterdamse School. Voor een groot deel blijkt dat ook het geval, maar de rol van Ed. Cuypers is dubieus, want hij was zelden aanwezig. De Klerk bleef er werken in steeds verantwoordelijker tekenaars- en opzichtersfuncties. In zijn vrije tijd deed hij mee aan prijsvragen en langzaam begon hij uit een veelheid van invloeden een eigen stijl te ontwikkelen. De jury's hadden trouwens veel lof voor zijn tekenkunst, maar vonden de detaillering eigenaardig.

Gehuwd op 31-3-1910 met Lea Jessurun (1881-1942). Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.
Hoewel joods opgevoed zal De Klerk zich, eenmaal volwassen, als 'geassimileerd' hebben beschouwd. Niettemin gaf men hem op het architectenbureau, waar een ongedwongen sfeer heerste, de bijnaam 'Sam', want 'Joden heten geen Michel'. De Klerk vond hier ook zijn vrouw in de secretaresse van Cuypers, de Portugees-joodse 'Lie'. Nadat hij was getrouwd ging hij weg bij het atelier van Cuypers.

Na een gecombineerde studie-huwelijksreis van bijna een jaar, eerst naar Engeland waar hij zich verdiepte in de Britse architectuur van Ashbee, Voysey en Charles Mackintosh, vervolgens naar Scandinavië waar hij zich interesserde voor de volkskunst. In deze periode ontwierp hij zijn eerste meubelen die geinspireerd waren op het boerenmeubel.

Na terugkeer vestigde hij zich in oktober 1911 als 'bouwkundig teekenaar' in het dorpje Sloten bij Amsterdam. Door toedoen van de architect en projectontwikkelaar H.A.J. Baanders kreeg De Klerk in 1911/1912 de opdracht een blok etagewoningen aan de Gabriël Metsustraat-Johannes Vermeerplein in Amsterdam te ontwerpen. Zijn eerste grote project waarmee hij zijn reputatie vestigde was het Hillehuis (1911-1912). Dit was ook in een ander opzicht van belang, want van de opdrachtgever mocht hij het eerste blok in de Spaarndammerbuurt ontwerpen, dat later in handen kwam van Eigen Haard. Het werd een succes en zou het begin vormen van De Klerks roem als architect voor volkswoningbouw.

Het vriendschappelijke contact met Baanders was van blijvende aard, en deze zou de jonge architect - bijna als een tweede Cuypers - blijven protegeren. Baanders verhuurde De Klerk een werkkamer met de mogelijkheid desgewenst gebruik te maken van de technische faciliteiten van zijn eigen bureau. Hiermee stelde hij hem in staat zijn werk zoveel mogelijk ongebonden te blijven verrichten. Van de leiding over een eigen bureau, met verantwoordelijkheid voor vaste medewerkers, wilde De Klerk weinig weten. Steeds was er bij hem blijkbaar de angst niet aan verplichtingen te kunnen voldoen, en hoewel hij later in aanmerking kwam voor vele opdrachten, nam hij alleen aan wat hij - liefst alléén - aankon. De overige opdrachten schoof hij door naar anderen, wat als zeer collegiaal gedrag werd gewaardeerd. Op deze solistische, los-vaste basis zou bijna al De Klerks werk ontstaan. Hij beperkte zich daarbij uitsluitend tot de artistieke kanten: het schetsen en vergaand detailleren van zijn ontwerpen. De rest liet hij over aan tijdelijke medewerkers. Met deze 19de-eeuwse beroepsopvatting gedroeg De Klerk zich in feite als een vrijwel autonoom kunstenaar.

architect J.M. van der Meij verliep de samenwerking tussen 1912 en 1914 aan het Amsterdamse Scheepvaarthuis echter minder voorspoedig, en De Klerk en Kramer werden nog vóór de beëindiging van de bouw door Van der Mey ontslagen. Dit belangrijke ontwerp kreeg veel aandacht en op de lustrumtentoonstelling van het genootschap Architectura et Amicitia werd het werk van de nieuwe beweging dan ook naast dat van Berlage getoond. Frappant voor de doorbraak van de Amsterdamse School, zoals het kort daarop werd gedoopt, was een schrijven van De Klerk ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van Berlage. Hij erkende dat deze het bouwvak had gezuiverd, maar helaas nooit aan bouwkunst was toegekomen.

De architectuur van de Amsterdamse School heeft vooral zijn beslag gekregen in de volkshuisvesting van de jaren tien en twintig. Deze was een voortvloeisel van de Woningwet uit 1901 die voorzag in betere huisvesting voor de arbeidersbevolking. Tegen het einde van de jaren tien kregen de architecten van de Amsterdamse School, niet alleen de kopstukken De Klerk, Van der Mey en Kramer, maar ook vele epigonen, alle ruimte van de Amsterdamse stadsbestuurders. Paradoxaal genoeg ook in het Plan Zuid van Berlage.

In de Spaarndammerbuurt staan behalve 'Het Schip' twee complexen van hem die hij ontwierp voor de woningbouwcorporatie Eigen Haard. Het eerste blok aan het Spaarndammerplantsoen (1913-1914) sluit aan bij de toen heersende opvattingen over volkshuisvesting. De façade is geïnspireerd op de barokke paleisbouw en heeft een zwaartepunt in het midden met twee accenten ernaast in de vorm van monumentaal gearticuleerde trappenhuizen. Het blok voldeed aan de norm dat elke woning van buiten als zodanig herkenbaar moest zijn. Wel maakte hij de structuur ondergeschikt aan de gevelcompositie. Dat was een vloek in de kerk van Berlage, zodat hij door modernistische scherpslijpers werd verketterd. En nog steeds zijn er velen die het werk van de Amsterdamse School onverteerbaar vinden. Vooral de adepten van de Nieuwe Zakelijkheid beschouwen de beweging als een doodlopend spoor binnen het modernisme. In een gebouw moest, in navolging van Berlage, de constructie zichtbaar zijn en niet worden weggemoffeld achter een 'toneeldecor'. Ook de overvloedige toepassing van ornamenten druiste tegen elke ontwikkeling in.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 leek aanvankelijk de bouw van een tweede blok te verhinderen. Doordat het project werd overgenomen door de woningbouwvereniging 'Eigen Haard', kon hij dit in 1915-1916 alsnog ontwerpen, in 1917-1920 gevolgd door werk aan nog een derde blok.

De slappe bouwtijd - zoals hij het noemde - als gevolg van de oorlogssituatie bracht De Klerk ertoe vanaf 1915 'zonder vooraf gestelde eisen' een groot aantal zeer luxueuze ameublementen ('handelsmeubels') voor de firma 't Woonhuys te ontwerpen. Deze werden met veel succes in serie geproduceerd.

Michel de Klerk in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt tart elke verbeelding. Deze icoon van de Amsterdamse School is het summum van expressionistische bouwkunst. De delen waaruit het driezijdig blok is opgebouwd - een laag postkantoor als achtersteven, een langwerpige romp in middelhoogbouw en een halfopen boeg met een sierlijke toren - vormen met al hun markante verschillen een vloeiende compositie waarbij alle accenten en details in dienst staan van het geheel. Een Gesamtkunstwerk dat zich onmogelijk in één oogopslag laat bevatten. De blik is gedoemd om koortsachtig heen en weer te schieten van de golving in de zoldergevel, via een uitstulping boven een portiek, naar de ritmiek van de lange straatwand.

Ook politiek stelden jonge architecten als De Klerk zich extreem op. In het in 1917 - kennelijk naar sovjetmodel - gereorganiseerde bestuur van A et A had hij als zogeheten Afgevaardigd Lid tot zijn dood zitting, daarbinnen overigens mondjesmaat commissielidmaatschappen vervullend. Verder stelde De Klerk bijvoorbeeld in 1918 mede een lijst op van architecten op wie de Nationale Woningraad een beroep zou kunnen doen en maakte hij in 1921-1922 deel uit van de Amsterdamse Schoonheidscommissie. Maar een verzoek redacteur te worden van Wendingen , het tijdschrift van A et A, waarin veel aandacht aan zijn werk werd besteed en waarvoor hij omslagen maakte, wees hij in 1920 resoluut van de hand.

Of De Klerk zichzelf als partijcommunist beschouwde en kortere of langere tijd lid was van de Communistische Partij Holland, blijft onduidelijk. Wel maakte hij deel uit van de door Bart de Ligt in 1919 opgerichte Bond van Revolutionair Socialistische Intellectueelen. De Klerk en Kramer stonden echter zeker als 'links' te boek, want het was onder meer om die reden dat zij in 1918 van de sociaal-democratische Algemeene Arbeiderscoöperatie 'De Dageraad' de opdracht kregen voor een omvangrijk blok arbeiderswoningen aan de Takstraat-Tellegenstraat. Van 1918 tot 1920 zouden beide architecten aan dit project werken, en speciaal hiervoor zouden zij gedurende enkele jaren een gezamenlijk bureau voeren op Kramers adres.

Na de Eerste Wereldoorlog begon het tij voor De Klerks bouwkunst te keren. Dat zijn prijsvraagontwerp voor de nieuw te bouwen Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam in 1918 niet werd bekroond, was hiervan reeds een voorteken. Toen in datzelfde jaar door de gemeente een begin werd gemaakt met de invulling van Berlages Plan-Zuid leverde dat weliswaar veel nieuwe opdrachten op, maar lieten zich al spoedig de gevolgen van de economische crisis voelen in de vorm van verscherpte zakelijkheid in de overheidsfinanciering en groeiende inmenging van profijtbeluste 'zelfbouwers'. Mede hierdoor werd de inbreng van de architect steeds verder gereduceerd tot die van leverancier van door de Schoonheidscommissie goed te keuren gevels. Ook De Klerk ondervond dit, bijvoorbeeld in zijn contacten met Amstels Bouwvereeniging, waarvoor hij in 1921/1922 de gevels van een bouwblok aan de Amstellaan ontwierp.

Dit was niet De Klerks manier van werken. Hoewel ook zijn stijl versoberde - onder invloed van buitenlandse architecten als E. Mendelsohn en F. Lloyd Wright -, pasten zijn bewerkelijk-kostbare bouwprincipes steeds minder in een tijd die naar zakelijk functionalisme streefde. De dagen van de alomvattende opdrachten van 'Eigen Haard' en 'De Dageraad' waren voorbij. Het voortzetten van de samenwerking met Kramer in andere projecten had ook om die reden weinig zin, en De Klerk moet zich teleurgesteld hebben teruggetrokken uit de volkswoningbouw.

De Klerk kreeg nog wel particuliere opdrachten. Aan het eind van zijn leven liet hij nog minder gelegen aan de opvattingen van de peetvader van het modernisme, want de bouwkundige structuur verdween meer dan ooit uit het zicht. Zijn werk culmineerde in pure ruimtekunst. Een schitterend voorbeeld daarvan is het in de oorlog verwoeste gebouw van roei- en zeilvereniging De Hoop aan de Amstel uit 1922. Niet ver daarvandaan in Plan Zuid werden in De Klerks laatste levensjaar nog twee hoogstandjes opgeleverd: het woningcomplex voor De Dageraad en het blok aan de Vrijheidslaan. Twee mooie koekoeksjongen in het nest van Berlage.

In zijn laatste jaren werd hij, melancholiek van aanleg, in toenemende mate verbitterd en depressief. Dwarsgezeten door beknibbelende opdrachtgevers - zoals bij het gebouw van de Bloemenveiling in Aalsmeer uit 1920-1922 -, ondermijnd in zijn zelfvertrouwen door het uitblijven van met zijn faam en talent overeenstemmende prestigeprojecten, of gekwetst door op het allerlaatste moment afspringende opdrachten - zoals 'Villa Wassenaar' in 1923, waarin hij, bijna als een kind, zijn hele ziel en zaligheid had gelegd -, voelde hij zich totaal afgewezen. De wereld wilde hem niet meer en had daarom voor hem afgedaan. Van deze diepe gekwetstheid leek niets De Klerk meer te kunnen redden, ook de enorme opdracht voor de Haagse vestiging van warenhuis 'De Bijenkorf' niet, hem via zijn vriend, de architect Frits Staal, in 1923 toegeschoven. Hij begon er nog wel aan, maar stierf, uitgeput, aan een longontsteking op de avond van zijn 39ste verjaardag.

Michel de Klerk werd één van de belangrijkste architecten van deze stijl; zijn vroege dood betekende het einde van de expressieve vorm van de Amsterdamse School.

Pas in de jaren zestig kwam er - aanvankelijk overigens vooral in de Verenigde Staten - opnieuw belangstelling voor zijn werk. Sindsdien wordt De Klerk, ondanks zijn kleine oeuvre, weer als een van de grote talenten van de 20ste-eeuwse architectuur beschouwd.

De Klerk heeft, zo kort als zijn leven was, geen gigantisch oeuvre nagelaten. Doordat hij vrij productief was en in zijn tijd veel erkenning genoot, is er niettemin een behoorlijk aantal ontwerpen van hem gerealiseerd. Hoe divers de opgaven ook waren, variërend van meubels tot landhuizen, van woonblokken tot een veilinggebouw, nooit molk hij zijn stijl-idioom gemakzuchtig uit. Bij wijze van kruisbestuiving keren sommige elementen in veel manifestaties van zijn werk terug, maar altijd in variabele vorm. Zijn handschrift is daardoor herkenbaar, ofschoon het bij elk ontwerp verder evolueerde.

Websites: www.inghist.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 747.

Tweets by kunstbus