kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 07-08-2008 voor het laatst bewerkt.

Mien Ruys

Struinen door de tuinen van 'Bielzen Mien'

Nederlandse tuinarchitecte, geboren 12 april 1904 Dedemsvaart - overleden 9 januari 1999 Deventer.

Mien Ruys (eigenlijke naam: Wilhelmina Jacoba Moussault-Ruys) was een internationaal bekende Nederlandse tuinarchitect.

In Nederland kreeg ze de bijnaam Bielzen Mien omdat zij de voortrekker was in het gebruik van spoorbielzen in tuinen, iets wat vooral in de jaren zeventig bijzonder populair was. Zij werkte graag met rechte vormen: rechthoeken, vierkanten en heldere lijnen. Ze was in Nederland een van de eersten die zich als tuinarchitect serieus bezig hield met kleinere stadstuinen.

Haar werk leeft voort in de Stichting Tuinen Mien Ruys (Mien Ruys onderhoudt.

Mien Ruys is niet alleen bekend geworden door haar ontwerpen en demonstratietuinen in Dedemsvaart, maar vooral vanwege haar publicaties. In gewone, directe taal sprak zij de leek aan. "Zo doe je dat en wel daarom". Het zwaartepunt van haar werk lag op het niveau van de privétuin, de gemeenschappelijke tuin, de schooltuin en andere objecten in de stedelijke sfeer. Verder de begraafplaats zoals die bij Nagele.

De belangrijkste publicaties van haar hand zijn:
. Het Vaste Plantenboek 1950
. Leven met Groen 1960
. In Het Nieuwe Vaste Plantenboek (1973) vinden we uitspraken over het hoe en waarom van de tuinaanleg. Dit onderwerp wordt verder uitgewerkt in Van Vensterbank tot Landschap (1981).
. Diverse kleine werken, zoals over rozen, borders
. Veel artikelen in Onze Eigen Tuin (Mien Ruys zijn:
. Een tuin is een omsloten geheel, waarin de natuur wordt beheerst. Verwildering gaat tegen idee van de tuin in. Er is nu eenmaal een onverzoenbare tegenstelling tussen tuin en wildernis.
. Bij een programma van eisen moet de ontwerper duidelijke keuzen maken, niet alles willen. Zuinig omgaan met ruimte.
. Bij de situering van woning in terrein dient men te letten op voor en achter, binnen en buiten. Bij strokenbouw dient ervoor gewaakt te worden dat de voortuintjes een eenheid vormen. Er dient tijdig een relatie met architect opgebouwd te worden om er voor te zorgen dat deze de voortuin niet als als "presenteerblad" misbruikt.
. Achtertuinen: letten op de relatie tussen binnen en buiten.

Mien Ruys had een eigen manier van ontwerpen. Haar wijze/techniek bestond uit het tekenen op ruitjespapier waarop precies aangegeven was welke plant waar kwam te staan. Ze had geen behoefte aan schetsen met ruimtelijke voorstellingen. Die kwamen achteraf wel om de klant te tonen. In de ontwerpfase had ze van meet af aan een voorstelling in haar hoofd hoe elke plant zich zou ontwikkelen, groeien en bloeien in samenhang met alle andere. Door haar grote ervaring wist ze precies hoe het totaalplan er zou komen uit te zien. Deze werkwijze is vergelijkbaar met die van C.P. Broerse, (1902-1995) Directeur Plantsoendienst Amstelveen , de man van de heemtuin en het heempark (Thijsse park) die ook op een dergelijke manier ontwierp Mien Ruys en Broerse waren geheel verschillende ontwerpers maar ze hadden gemeen een grote beheersing van het materiaal waarmee ze werkten, van de technieken van aanleg en onderhoud en ook over vraagstukken van beheer. Daardoor bleven hun uitgevoerde werken langer in goede conditie. - (periode werden gekenmerkt door schuine lijnen. Op zoek naar een optimaal gebruik van de buitenruimte ontwierp ze paden, terrassen en plantvakken onder een schuine hoek ten opzichte van de gebouwen en in contrast ermee. Zo kreeg ze in die periode de bijnaam ‘Schuine Mien'.
. Vanaf de jaren '60 werden de schuine lijnen weer recht, met vaak strakke blokken van geschoren groen in contrast met een uitbundig gebruik van vaste planten.
Altijd zocht ze naar de essentie van de ruimte en de mogelijkheden van de plek; een eenvoudige, functionele indeling, met een losse, natuurlijke beplanting. Dit laatste onderscheidde haar van haar collega's uit die tijd. Ook zij zochten naar eenvoud en helderheid, maar vonden vaste plantenborders een onnodige versiering. Mien Ruys meende daarentegen dat vaste planten juist de natuurbeleving in een tuin mogelijk maken, een in haar ogen belangrijke functie van de tuin. Waarschijnlijk juist hierdoor ontving ze veel opdrachten voor particuliere tuinen en kreeg ze met haar ideeën in de loop der tijd veel navolgers.

Biografie
Mien Ruys werd geboren op 12 april 1904 op de toen al internationaal bekend staande kwekerij Moerheim. Haar vader Bonne Ruys begon deze kwekerij in Dedemsvaart in 1888 en had veel succes met het introduceren van allerlei nieuwe planten. De kwekerij richtte zich aan het begin van de eeuw op vaste planten, rozen, zaden en vruchtbomen, later werd de cultuur van vaste planten hoofdzaak. De kwekerij bestaat nog steeds.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam de klad in de handel in vaste planten (vooral naar het buitenland), zodat er naar andere mogelijkheden werd gezocht. Om die reden heeft Bonne Ruys in 1916 een afdeling Tuinarchitectuur opgericht. Als hoofd van de afdeling werd de tuinarchitect J.W.M. Sluiter aangetrokken, later opgevolgd door zijn collega J.O.W.F. Rens.

Hier begon Mien Ruys in 1923 te werken. 'Heden is mijn loopbaan begonnen', schreef Mien Ruys op 19-jarige leeftijd in haar dagboek. Bij Koninklijke Kwekerij Moerheim v/h B. Ruys B.V, de in die tijd wereldvermaarde vaste plantenkwekerij van haar ouders in Dedemsvaart, was toen voorzichtig een begin gemaakt met een afdeling ontwerpen. Mien kreeg daar al spoedig de leiding van, want haar belangstelling gold niet zozeer het kweken van planten, maar veel meer hun toepassing in tuin en landschap.

schaduw- of verwilderingstuin (1924, gerenoveerd 2001)
In 1924 legde ze haar eerste tuin aan en schreef ze haar eerste artikel in het tijdschrift Buiten.
Om zelf ervaring op te doen experimenteerde ze met vormen en planten in de moestuin van haar ouders. Vanuit het ouderlijk huis trok ze een kaarsrecht pad de tuin in, tot tussen de vruchtbomen. Daar maakte ze een dwarspad en precies op de kruising een kleine vierkante vijver. Rond die vijver en onder de bomen zette ze alle planten die ze mooi vond. Na een jaar was daar weinig van over. De gekozen schaduwplanten, sleutelbloem, akelei, klokjesbloem en gebroken hartje, bleken geen succes. Ze had planten gebruikt die thuishoren op een kalkrijke bodem en niet wilden gedijen op de wat zurige grond in Dedemsvaart. Ze moest kiezen. Of de bodemgesteldheid veranderen of het plantenassortiment aanpassen. Het werd het laatste en dit werd voor haar een belangrijke stelregel: kiezen voor planten die thuishoren bij de gegeven omstandigheden. Voor een sterkere natuurlijke begroeiing (destijds overigens ongebruikelijk voor een tuin) werd de beplanting vervangen door soorten als hoefblad, judaspenning, varens, smeerwortel en ruit, maar ook cultuursoorten zoals hosta's en Kaukasische vergeet-mij-niet.

Oude proeftuin (1927)
Een ‘engelse' border, 30 meter lang en 4 meter diep, met vaste planten die zon verdragen en die van half mei tot eind september in bonte afwisseling bloeien. Het pad van oude, versleten betontegels inspireerde Mien Ruys tot het ontwerpen van de ‘Griontegel', de voorloper van de nu zo populaire gewassen grindtegel.

Mien Ruys heeft haar kennis opgedaan in de praktijk in Dedemsvaart en gedeeltelijk ook bij bevriende kwekerijen in Engeland en aan de Landwirtschaftshochschule in Berlijn.
Ze werkte in 1928 op de kwekerij Wallace & Sons en in datzelfde jaar ontmoette ze Gertrude Jekyll op Munstead Wood. In 1929 volgde zij een opleiding in Berlin-Dahlem aan de Hogeschool voor Tuinarchitectuur, omdat er toen in Nederland in die richting nog geen opleidingen bestonden, studeerde ze enige tijd in Berlijn en volgde ze stages in Engeland. Vakliteratuur bestond in die tijd nauwelijks of niet.

In 1930 werd Mien hoofd van de afdeling Tuinarchitectuur van Moerheim, als opvolger van Rens. In de volgende jaren volgde Mien Ruys in Delft colleges bij professor Granpré Molière, wiens traditionalistische ontwerpopvattingen ze overigens niet deelde.
Granpré Molière was een vertegenwoordiger van de zg. Delftse School, een architectuur met zware, statige, monumentale gevels. ‘Volg je intuïtie’, was een van zijn stelregels. Mien Ruys zag in die tijd vanuit de trein het nieuwe gebouw van Van Nelle, ontworpen door architecten Van der Vlugt en Brinkman. Eenvoudige vormen, licht en luchtig. ‘Mijn intuïtie zegt me dat dit een prachtig gebouw is’, zei ze, waarop Grandpré Molière antwoordde dat er dan iets mis was met haar intuïtie.

Maar haar hart ging uit naar eenvoud en helderheid, en zo kwam ze in contact met de groep architecten van ‘het nieuwe bouwen’, ‘de 8’ uit Amsterdam en ‘de Opbouw’ uit Rotterdam. Met hen voelde ze een grote verwantschap en met een aantal van hen heeft ze gedurende vele jaren intensief samengewerkt. Zo maakte ze met Rietveld het terrein voor weverij De Ploeg in Bergeijk, met Merckelbach de buitenruimte voor de woonwijk Frankendaal in Amsterdam, met Kloos het ziekenhuis in Hardenberg, met Mieras het Hendrik van Boeyenoord in Assen en met Salomons vele tuinen bij woonhuizen.

In 1937 verhuisde Ruys met de afdeling Tuinarchitectuur naar Amsterdam, alwaar het bureau nog steeds gevestigd is. Na de Tweede Wereldoorlog werkte ze geregeld samen met architecten van 'De 8' uit Amsterdam.

Watertuin (1954, gerestaureerd 2002)
Eerste proef van Mien Ruys voor een tuinontwerp zonder grasveld. Door hoogteverschillen groeien op een klein oppervlak water- en moerasplanten naast droogteminnende soorten.

In 1954 richtte ze samen met haar man - uitgever Theo Moussault - het nog steeds uitgegeven kwartaalblad 'Onze Eigen Tuin' op (Gerrit Rietveld de tuinen rondom het door laatstgenoemde ontworpen fabrieksgebouw van weverij De Ploeg in Bergeyk (N.Br.) en die tot de dag van vandaag als "dorpstuin" goeddeels in stand is gebleven.

Ze had veel contact met kunstenaars en architecten uit de Moderne Beweging maar slechts weinig met andere tuinarchitecten, behalve met J.T.P. Bijhouwer met wie ze in 1960 een boekje schreef: 'Leven met groen in landschap, stad en tuin'.

In 1966 werd de afdeling tuinarchitectuur officieel een zelfstandig bureau, later met enkele tuinarchitecten uitgebreid.

Ruys ging zich in deze periode steeds meer toeleggen op beplantingsplannen.
Zij ontwierp een groot aantal privétuinen met vaste plantenborders en veel gemeenschappelijke tuinen tussen flatgebouwen. In de zomer verbleef Mien steeds in Dedemsvaart temidden van haar 25 proeftuinen. De Tuinen Mien Ruys zijn dus proeftuinen. Vanaf het prille begin staat het experimenteren met planten, materialen en vormgeving voorop. Om ervaring op te doen met de planten die op de kwekerij werden gekweekt, experimenteerde ze in de boomgaard en de groentetuin van haar ouders met planten voor zon en schaduw. Die eerste twee tuinen bestaan nog steeds: de verwilderingstuin en de oude proeftuin met de grote border. In de loop der jaren volgden nieuwe proeven.

Een bekend experiment uit de jaren '60 is de proef met het toepassen van spoorbielzen, hetgeen leidde tot een zeer royaal gebruik van spoorbielzen in de Nederlandse tuinen.
Dit leverde Mien Ruys de naam “Bielzen Mien” op. Ook het gebruik van de uitgewassen grindtegel (de zg. griontegel) komt uit de ideeënkoker van Mien Ruys. De ervaringen waren in eerste instantie belangrijk voor haar tuinarchitectenbureau. Later konden echter ook de lezers van het door Mien Ruys opgerichte kwartaalblad Onze Eigen Tuin en de bezoekers van de Tuinen Mien Ruys volop profiteren van deze kennis en ervaringen.

Vanaf de jaren '70 groeide het bureau met andere tuin- en landschapsarchitecten: Hans Veldhoen en, gedurende enige jaren, Arend Jan van der Horst. Hun opvattingen lagen in het verlengde van die van Mien Ruys en bij het ontwerpen ontstond een nauwe samenwerking. Veel werk uit die tijd kwam tot stand door onderling overleg en door elkaar te stimuleren. Met Hans Veldhoen maakte ze vaak plannen door samen aan één tekentafel te werken en niets is zo stimulerend als het praten over plannen en ideeën. Mooie werken uit die tijd zijn het terrein bij de EKP in Den Bosch, de Zwolsche Algemeene in Nieuwegein, het IBM kantoor in Uithoorn en vele particuliere tuinen.

Een van haar laatste werken was een ontwerp voor het voormalig KNSM terrein in Amsterdam. In de jaren '50 had ze voor de KNSM een parkje gemaakt waar de vertrekkende reizigers konden wachten en afscheid nemen. Toen de maatschappij ophield te bestaan raakte het parkje in verval maar kwam weer in de belangstelling toen het hele KNSM eiland opnieuw werd ingericht voor woningbouw. Mien Ruys werd gevraagd om wat er over was van het parkje, naast het gebouw van architect Kohlhof, opnieuw in te richten. Alleen de schuine vijver kon gehandhaafd worden en die bepaalde de lijn voor het nieuwe ontwerp.
Het ‘Buro Mien Ruys’ in Amsterdam loopt nu al weer jaren zonder haar door - maar wel in haar schoenen - onder leiding van Anet Scholma.

Mien Ruys overleed in 1999 in Dedemsvaart op 94-jarige leeftijd.

Tuinen Mien Ruys Dedemsvaart
Mien Ruys is de grondlegger van deze 28 fraaie tuinen die een bron van inspiratie vormen voor de liefhebber van tuinieren en van tuinarchitectuur. Het hele complex heeft de status van gemeentelijke monument. De drie oudste tuinen zijn rijksmonument: de 'verwilderingstuin' uit 1924, de 'oude proeftuin' uit 1927 en de 'watertuin' uit 1954. Verder zijn er ook moderne tuinen aangelegd en is er een buitenruimte voor beeldenexposities.

Het gebied rond het vijvertje in de ouderlijke moestuin breidde zich in de loop der jaren uit. Er werden proeven genomen met vaste planten voor zon en schaduw, voor droog en nat. De uitgewassen betontegel werd er uitgevonden, de spoorbiels op zijn gebruikswaarde getoetst en vervolgens zeer royaal over het land verspreid, hetgeen haar de bijnaam ‘Bielzen Mien’ opleverde. Nog steeds worden er proeven genomen met nieuwe ideeën en materialen, zoals gerecycled plastic en daktuinsystemen. Het stukje tuin groeide uit tot een complex van bijna 3 ha, dat in 1976 werd ondergebracht in de Stichting Tuinen Mien Ruys, die haar werk voortzet.

Op een grasveldje staat een beeld van een grove, ietwat plompe vrouw, in liggende houding. Sprekend Mien in haar laatste levensjaren, zeggen degenen die Mien Ruys in die periode van nabij hebben meegemaakt. Mien Ruys kon op het laatst niet meer lopen, maar op haar divan lag ze nog voortdurend te broeden op ideeën. Als ze daar dan zo lag, uitkijkend over haar levenswerk, merkten bezoekers vaak op: ,,U zit nu zeker heerlijk te genieten van uw tuinen?'' Mien Ruys keek dan wat verstoord op en zei, in het dialect van de streek: ,,Nee, ik zie alleen maar fouten.''

In de “Tuinen van Mien Ruys” staat nog altijd het bankje vanwaar mevrouw Ruys over de borders van haar tuin kon kijken, en bedacht hoe ze nog beter de kleuren op elkaar aan zou kunnenook laten sluiten. Op een keer zei een Engelse vriend: “Hoe kun je nu witte bloemen tussen de kleuren zetten, dat maakt een gat”. Mien gaf hem gelijk en veranderde terstond de border.

Mien Ruys vond water in een tuin heel belangrijk: “Omdat het de bedoeling was een op zichzelf staande voorbeeldtuin te maken, was een zitje gewenst en een ruimte aan het water om naar visjes en salamanders en vooral naar kikkers te kijken. Enkele treden van zo’n tien centimeter gaven extra reliëf. Merkwaardig hoe sterk in een gesloten ruimte kleine hoogteverschillen werken. In de ene oeverbak kwamen lissen en de geweldige bladen van de aronskelkachtigen Lysichiton; in de andere dotters, kattenstaart en riet.”

Voortdurend was Mien Ruys bezig met het zoeken naar goedkoop en bruikbaar materiaal voor paden en afscheidingen, zij schreef daarover: “In een zo plat land als het onze werken zelfs geringe hoogteverschillen sterk. Ik had bij het maken van de muurtjes van natuursteen al ervaren hoe snel die verzakken op onze weke grond. Dure fundamenten bleken daarbij onmisbaar. Ik zocht dan ook naar ander materiaal en kwam op het idee het te proberen met gebruikte spoorbielzen.
Trottoirtegels waren saai en hoe je ze ook keerde, ook als ik ze omgekeerd legde, wat al een verbetering was, ze bleven dertig bij dertig centimeter. Ik had eerder, zelfs al in 1925, gezien hoe bruikbaar ruwe grote betontegels waren, Ik besloot die te gaan toepassen maar hoe kwam je daaraan. Ik zocht een beton-grindhandel die mallen maakte van veertig bij veertig en veertig bij zestig centimeter. Behalve beton werd speciaal grind gekozen in verschillende grootte zodat een natuurlijke bovenlaag ontstond. We noemden ze griontegels. De industrie nam al gauw mijn idee over en nu ligt ons hele land er mee bedekt.“

De behoefte van Mien Ruys om ook voor mensen met kleine tuintjes te ontwerpen blijkt uit haar idee van de confectieborders: “Na de oorlog werd in de architectuur gezocht naar een goedkopere manier van bouwen. Onderdelen werden in de fabriek samengesteld en naar het werk getransporteerd. ‘Prefab’ heette dat. Zou dat systeem ook niet kunnen worden toegepast in beplantingen ? Je zou dan ontwerpen moeten maken in serie: voor droge arme grondsoorten; voor zwaardere grond zoals klein, voor een zonnige ligging en voor halfschaduw. En ook in verschillende maten, bijvoorbeeld tien bij twee meter, vijf bij twee meter en drie bij één meter. Ook zouden verschillen in kleur gewenst zijn, zoals een combinatie van geel, oranje en rood met blauwe en paars, of roze, karmijn, purper, blauw, paars, grijs en een beetje wit. Ik noemde ze confectie borders."

Mien Ruys heeft in haar lange leven - ze is 95 jaar geworden - het aanzien van de Nederlandse tuinen veranderd. Hoe ze dat deed is te zien in de prachtige tuinen van Dedemsvaart. Wie daarna vol ideeën aan de slag wil kan in de kwekerij daar de leukste planten kopen.

Websites:
. Mien Ruys bedreigd www.trouw.nl
. De museumtuin van Streekmuseum Hoeksche Waard is nog door Mien zelf ontworpen als één van haar laatste tuinen. Een team van vrijwilligers probeert haar nauwgezet te onderhouden conform het oorspronkelijke ontwerp. www.streekmuseumhw.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 99.