kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 03-09-2009 voor het laatst bewerkt.

Neogotiek

Navolging van de gotiek, voornamelijk in de bouwkunst, die in het midden van de 19e eeuw in Engeland is ontstaan als begeleidend verschijnsel van de romantische beweging.

Practisch, maar vooral theoretisch werd de neogotiek bestudeerd en gepropageerd door de Franse architect E. Viollet le-Duc (1814-1879). In Frankrijk werden veel kathedralen, die tijdens de barok en de Franse Revolutie in verval waren geraakt, onder invloed van de Romantiek weer gerestaureerd. Viollet-le-Duc was degene die van restaureren een wetenschap maakte. Hij was ook iemand die ijzer en staal als volwaardig materiaal aanvaardde, en daardoor een van de grondleggers was van de moderne architectuur. Als een van de eersten stelde hij dat de vorm uit de constructie moest voortkomen.

Kenmerken:
Neogotiek is een van de neostijlen die voortkwamen uit de drang om kenmerken uit oude stijlen toe te passen op nieuwe voorwerpen, maar vooral bouwwerken. De gotiek suggereert de onmeetbare verte en de onpeilbare hoogte. Ook de Neogotiek gaat hiervan uit. Tot de elementen, die kenmerkend zijn voor de gotiek in de bouwkunst behoren: de steunberen, de luchtbogen, de stenen vensterharnassen, uitlopend in het ornamentale spel van de traceringen, de opengewerkte balustraden langs de goten aan de voet van de daken, de fialen of pinakels, de frontalen of wimbergen, de hogels en kruisbloemen, de triforia, en de onderdorpels der vensters, die met luchtige arcaden de vlakken breken. De neogotiek is een bouwstijl die qua vormgeving teruggrijpt naar de gotiek van de middeleeuwen, maar die soms heel wat mengvormen van stijlen kan bevatten.

Voortkomende uit de liefde voor het (door het middeleeuwse gildenwezen
bevorderde) ambacht, echtheid van materiaal en de eerlijkheid in constructie ontstond onder architecten een fascinatie voor de kastelen en kathedralen uit de late middeleeuwen, de tijd van de gotiek. Dit was voor een deel een reactie op de Industriële Revolutie, die naast vooruitgang ook een grote werkloosheid en veel slechte producten opleverde. Deze nieuwe belangstelling voor de middeleeuwen kreeg in Engeland de naam gothic revival. De parlementsgebouwen met de Big Ben (1835) in Londen hebben classicistische plattegronden, maar zijn aan de buitenkant neogotisch.

Aan het begin van de negentiende eeuw werden aanvankelijk alleen tuinhuizen en follies in gotische stijl gebouwd. Spoedig echter werd de gotiek ook toegepast in kerkbouw. Een vroeg voorbeeld is de Engelse Episcopale Kerk in Amsterdam met drie grote spitsboogramen en twee spitstorens. Met de bouw van een vleugel aan het paleis aan de kneuterdijk verleende Koning Willen II de stijl een officieel karakter. De koning had zijn studietijd in Oxford doorgebracht en daar de liefde opgevat voor de gotiek. Enkele schuchtere pogingen tot neogotische bouw werden gewaagd (Gotische Zaal en Willemskerk, Den Haag, 1840; Nederlands Hervormde kerk, Zeist, 1843; paleis, later raadhuis, Tilburg, 1847-1849),

In Nederland werd J.K. Alberdingk Thijm de inspirator van de Amsterdamse en mgr. G.W. van Heukelum van de Utrechtse School van de (katholiek georiënteerde) neogotiek. De voornaamste bouwmeester van de eerste werd Cuypers, met als ruggensteun de veelzijdige Victor de Stuers, van de tweede richting de architect Alfred Tepe en de beeldhouwer Friedrich Mengelberg. Cuypers en zijn richting lieten zich, op een vrije wijze, inspireren door de Franse gotiek, de Utrechtse richting volgde getrouwer vooral Duitse voorbeelden. Beide scholen trachtten de beeldende kunsten te integreren in het architectonische concept.

Tot 1850 lag de nadruk meestal op de decoratieve, schilderachtige elementen van de gotiek. Daarna werd vooral de rationele constructie belangrijk gevonden. In Nederland was P.J.H. Cuypers de voornaamste vertegenwoordiger van deze rationele gotiek. Cuypers ontwierp en bouwde door heel Nederland een groot aantal neogotische kerken. Cuypers was een volgeling van Viollet-le-Duc. Cuypers maakte een diepgaande studie van de middeleeuwse constructiemogelijkheden en de theorie van Viollet-le-Duc, dat elke vorm logisch voort moest komen uit de constructie, vormde de grondslag voor zijn werkwijze. Eerst bouwde hij in de stijl van de 13e eeuwse Franse gotiek, maar later volgde hij meer de stijl van de renaissance. Het Rijksmuseum (1876) en het Centraal Station (1881) in Amsterdam zijn allebei van zijn hand, en hebben zowel gotische als renaissancekenmerken. Cuypersd streefde een samenhang na tussen de architectuur en de aankleding van het kerkgebouw. Het atelier Cuypers & Stolzenberg in Roermond verzorgde de veelkleurige en rijkversierde inrichtingen van vele kerken. Door Cuypers en zijn volgelingen werden tot in de twintigste eeuw neogotische kerken gerealiseerd.

Dat de kerkenbouw in Nederland na 1850 sterk opkwam had te maken met een overeenkomst tussen Rome en de Nederlandse regering waarmee het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie tot stand kwam en de katholieke godsdienst weer vrij mocht worden uitgeoefend, wat de bouw van vele kerken tot gevolg had. Nederland was overwegend en officieel protestant maar niet alle katholieken waren verdwenen. Na deze overeenkomst mochten zij zich weer laten zien en dat deden ze dan ook. Grote indrukwekkende kerken werden gebouwd om aan te tonen dat de katholieken al die jaren van protestantisme hadden overleefd. Zoals al is vermeld gebruikten de katholieken veel gotische kenmerken. Deze werden gecombineerd met nieuwe, moderne elementen Zoals gietijzer dat zowel constructief als decoratief werd gebruikt, en met elementen uit andere stijlen zoals de romaanse stijl. Dat de katholieken voornamelijk voor deze twee stijlen hebben gekozen is logisch gezien de geschiedenis van deze stijlen. Deze stijlen zijn afkomstig uit de middeleeuwen, de bloeitijd van de katholieke kerk. Het beeld van de gotische kerk was een machtige drager voor de beheersing van de massa's, zowel in de industriële voorsteden als op het platteland. De gotische kerk werkte geruststellend omwille van de associatie met de middeleeuwse beschaving, die opnieuw uitgevonden ten dienste stond van een conservatieve doctrine.

Ook Gaudi bestudeerde de neogotiek, zoals die in de eerste plaats door de Franse architecten gepropageerd werd. Het boek van Viollet-Le-Duc over de Franse architectuur in de elfde tot de dertiende eeuw werd voor de jonge architecten, dus ook voor Gaudí, bijna tot bijbel verheven. Hij reisde zelfs naar Carcassone, waar Viollet-Le-Duc de oude stad gerestaureerd had. Gaudí onderzocht de muren zo intensief dat een buurtbewoner dacht dat hij Viollet-Le-duc zelf was, waarop hij hem de daarbij behorende eerbied betoonde. Gaudí was nooit op een zuivere stijl uit. Hij was geen nabootser, maar liet zich door de bouwwerken uit het verleden inspireren. Hiermee volgde hij Viollet-le-Duc, die voor een niet-kritische overname van oude modellen had gewaarschuwd: de grote werken uit het verleden moesten geanalyseerd worden om daaruit ideeën te halen voor de tijd van nu. De bouwwerken van Gaudí zijn een realisering van deze theorie.

Zowel de architectonische als de handwerksproducten van de neogotiek zijn lange tijd als artistiek onbelangrijk beschouwd. In de tweede helft van de 20ste eeuw kwam het besef dat zij wel degelijk esthetische waarde kunnen bezitten. Dit kwam o.m. tot uiting door het feit dat in 1974 een aantal neogotische kerken op de monumentenlijst werd geplaatst.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1327.