kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Nieuwe-Bouwen

Het Nieuwe Bouwen (1920-1960)

De term wordt gebruikt voor de architectuur ontwikkeld tussen 1925 en 1940 en ligt dicht tegen die van de Nieuwe Zakelijkheid en de Internationale stijl aan. Voor het eerst werd in glas, staal en beton gebouwd. De architecten streefden bovendien naar verbetering van woningen en wooncultuur.

Het Nieuwe Bouwen of Functionalisme
De term Het Nieuwe Bouwen wordt in de Nederlandse architectuurgeschiedenis tussen 1925 en 1940 gebruikt maar is nooit scherp afgebakend van Nieuwe Zakelijkheid en Internationale Stijl. Het gaat niet zo zeer om een nieuwe bouwstijl, maar meer een nieuwe bouworganisatie, die tegemoet moest komen aan de eisen van economische en demografische schaalvergroting. De aanhangers waren van mening dat de enorme bevolkingsaanwas nooit meer adequaat en menselijk gehuisvest kon worden als werd vastgehouden aan de gebruikelijke manier van bouwen. Functionalisme, standaardisatie en schaalvergroting stonden centraal.

De geboden oplossingen waren behoorlijk radicaal. Het arbeidershuis was niet langer een afgeleide van de burgerlijke villa, maar iets geheel nieuws. Er werd gericht op collectieve bouw, met aandacht aan praktische indeling, comfort en licht, maar waarbij ook stoep, tuin of plat werd ingeruild voor grote collectieve voorzieningen als park, plein en daktuin. De directe confrontatie met de straat verdween en werd vervangen door een verbinding met de natuur en zonlicht door ruimbeglaasde gevels. Als er van een bouwstijl sprake is kan die is die te herkennen aan de vervanging van zadeldaken, schoorstenen en donkere gevels door wit pleisterwerk, glas en metaalconstructies. De bouwwerken stonden zwaar op de grond, maar stonden door staal en gewapend beton constructies verheven boven het straatnivo.

De architecten van het Nieuwe Bouwen hadden een groot geloof in de verworvenheden van de moderne tijd. De moderne techniek zou het mogelijk maken efficiënte en hygiënisch verantwoorde woningen, scholen, fabrieken en kantoren te bouwen. De ontwerper mocht zich in zijn werk niet laten leiden door een verlangen naar monumentaliteit, maar uitsluitend door eisen van doelmatigheid. Uitgangspunt was de functie van het gebouw; grondige analyse van de ontwerpopdracht en de daaruit voortvloeiende keuze van destijds nieuwe bouwmaterialen (als gewapend beton, geprefabriceerde panelen en staal) leverde als het ware vanzelf de juiste vorm op. De architecten van het Nieuwe Bouwen verzetten zich sterk tegen het gebruik van ornamenten; verantwoord materiaalgebruik en goede bruikbaarheid van gebouwen was voor hen essentieel en tevens een vorm van schoonheid.

De ruimte (met doelmatige indeling van de plattegronden, adequate voorzieningen en optimale bezonning) was het belangrijkst. De wanden mochten slechts een ruimtevormende functie hebben; geen enkele wand mocht zoveel nadruk krijgen dat die als gevel zou gaan werken. Bovendien verviel door skeletbouw in gewapend beton de dragende functie van de wand, hetgeen huiddunne wanden mogelijk maakte. Het gebruik van stalen raamprofielen maakte een "open" en doorzichtige opbouw van de gevels mogelijk. Door gebruik van grote ramen met veel glas kon lucht gemakkelijk toetreden en veel licht naar binnen vallen. Bij woningbouw werd verbetering van de woning (met als gevolg verhoging van de woonkwaliteit) het hoogste doel. De ontwerpers verzetten zich tegen het traditionele, gesloten bouwblok en kozen voor open bebouwing in strokenbouw. Zo werden ook volkshuisvesting en stedenbouw belangrijke opgaven voor de aanhangers van het Nieuwe Bouwen.

Het Nieuwe Bouwen in Nederland werd bepleit door architecten die lid waren van de in 1920 en 1927 opgerichte verenigingen Opbouw en De 8. Tot de belangrijkste architecten van deze stroming behoorden onder anderen J.J.P. Oud (1890-1963), J. Duiker (1890-1935), B. Bijvoet (1889-1979), G.T. Rietveld (1888-1964), J.A. Brinkman (1902-1949), J. Duiker, L.C. van der Vlugt (1894-1936), W. van Tijen (1894-1974), J. B. van Loghem (1881-1940), M. Stam (1899-1986) en B. Merkelbach (1901-1961). Vanaf 1932 publiceerden zij hun ideeën in het tijdschrift De 8 en Opbouw. Op internationaal niveau onderhielden zij vanaf 1928 contacten met architecten en stedenbouwkundigen binnen de CIAM-congressen (Congrès Internationaux d'Architecture Moderne). Ook het Algemeen Uitbreidings Plan (AUP) van Amsterdam uit 1935 is mede bepaald door het (stedenbouwkundige) denken van het Nieuwe Bouwen. In dit verband moet C. van Eesteren (1897-1988) met name worden genoemd, als stedenbouwkundige in dienst bij de afdeling Stadsontwikkeling van Publieke Werken, en verantwoordelijk voor het ontwerp van het AUP. Na de Tweede Wereldoorlog resulteerde dit in de aanleg van de westelijke tuinsteden en Buitenveldert alsmede van de vroege woningbouw in de Bijlmermeer.

Rotterdam
Rotterdam kent vele bouwwerken die tot het Nieuwe Bouwen kunnen worden gerekend. Al voor de oorlog werd er al geëxperimenteerd, getuige de wijken Kiefhoek en Witte Dorp van Oud, de Van Nelle fabriek van Brinkman en Van der Vlugt en de Bergpolderflat van Van Tijen, Brinkman & Van der Vlugt. Ook kent Rotterdam een aantal villa's van deze architecten (m.n. in Kralingen en bij het Museumpark). Na de oorlog hadden de Nieuwe Bouwers veel gelegenheid om in Rotterdam hun ideeën gestalte te geven. In afwijking van het vooroorlogse functionalisme is er een grote variatie in gebruikte materialen en vormen. Bekendste voorbeeld is de Lijnbaan (Van de Broek en Bakema) en de de flats ernaast (Maaskant) en tal van woningbouwprojecten in het centrum, Kralingen en op Zuid. .


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 44.