kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 29-06-2008 voor het laatst bewerkt.

P.J.H. Cuypers

Architect, beeldhouwer, interieurontwerper, docent aan academie, ontwerper van boekbanden, boek- of stofomslagen, geboren 16 mei 1827 in Roermond - overleden 3 maart 1921 aldaar.

Pierre (Petrus) Josephus Hubertus Cuijpers, (bekend onder de naam Cuypers), zoon van schilder J.H. Cuypers, vader van architect Jos.Th.J. Cuypers, grootvader van architect Pierre J.J.M. Cuypers en oom van Eduard Cuypers.

Cuypers was de ontwerper van twee bekende Amsterdamse gebouwen: het Rijksmuseum (1885) en het Centraal Station (1889). Daarnaast heeft hij vooral naam gemaakt als restaurateur en ontwerper van rooms-katholieke kerken. Met de 'restauratie' van kasteel De Haar te Haarzuilens (1891, bij Utrecht) bouwde Cuypers het laatste kasteel van Nederland.

Cuypers was de leraar van zijn zoon Jos.Th.J. Cuypers (1861-1949), E.J. Margry (1841-1891), Nicolaas Molenaar (1850-1930) en Jan Stuyt (1868-1934), wier activiteiten voornamelijk op het gebied van de kerkbouw lagen, alsmede Karel Petrus Cornelis de Bazel, Eduard Cuypers, Gerrit Willem Dijsselhof, Jan Hessel de Groot, Pieter Jan Christophel Klaarhamer. Hij had invloed op Jacobus van Lokhorst en J.M.L. Lauweriks (1869-1923).

Pierre Cuypers is de eerste Nederlandse architect van internationale betekenis in de moderne tijd. Zijn betekenis voor de ontwikkeling van de bouwkunst komt doordat hij de principes van een rationele architectuur op consequente wijze heeft toegepast en daarmee de bouwkunst in Nederland op internationaal niveau heeft gebracht.

Cuypers behoorde in de tweede helft van de 19e eeuw echter ook tot de belangrijkste vernieuwers van de vormgeving. Het interieur van zijn zijn gebouwen was voor hem even belangrijk als het exterieur.

De serieuze studie van de historische stijlen op de scholen die hij oprichtte en les aan gaf was niet bedoeld om ze slaafs te volgen, maar om te kunnen komen tot een verantwoorde vernieuwing van de architectuur en vormgeving.
Daarnaast was voor hem de symbolische en religieuze betekenis van een gebouw ook van groot belang. Dat een bouwkundige schepping meer is dan constructie alleen is steeds zijn uitgangspunt geweest. Cuypers' kunstenaarschap ontving veel erkenning, hetgeen bleek uit de verlening van een eredoctoraat in de letteren door de Rijksuniversiteit te Utrecht in 1886 en in 1907 het doctoraat honoris causa in de technische wetenschappen te Delft.

levensloop
Petrus Josephus Hubertus Cuypers wordt op 16 mei 1827 geboren te Roermond als negende en jongste kind van Joannes Hubertus Cuypers (1769 - 1858) en Maria Joanna Bex (1781 - 1874). Het geslacht Cuypers is oorspronkelijk afkomstig uit Vlodrop maar woont al vanaf het midden van de 18e eeuw in Roermond. De familie geeft vaker blijk van een artistieke aanleg. Zijn eerste schilderlessen kreeg hij van zijn vader, de huis- en kerkdecoratieschilder Joannes Hubertus Cuypers.

1844-1849 Kunstacademie Antwerpen
Pierre krijgt zijn opleiding aan het Stedelijk College te Roermond en vertrekt in 1844 naar Antwerpen om er aan de Kunstacademie architectuuur te studeren. Zijn Antwerpse leermeesters - Frans Andries Durlet, Frans Stoop en Ferdinand Berckmans - waren pioniers van de neogotiek in België.
Cuypers was in Antwerpen een goede leerling: bij het slotconcours in 1849 behaalde hij de Prix d'excellence en met veel feestgedruis werd hij daarna in zijn geboortestad Roermond ingehaald.

gotiek
De gotiek was zijn favoriete stijl, de Franse architectuurtheoreticus Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc zijn lichtende voorbeeld. Ook voor de Engelse architect en theoreticus A.W.N. Pugin koesterde hij grote bewondering. De eerste pogingen van Cuypers de gotiek op meer structurele wijze toe te passen dateren van vóór Cuypers' contacten omstreeks 1854 met Viollet-le-Duc. Behalve door zijn opleiding te Antwerpen was hij ook beïnvloed door een bezoek aan het Rijngebied in 1850 waar de Keulse neogotische bouwschool zijn aandacht trok.

Na zijn terugkomst in Roermond krijgt hij al gauw opdracht om de Munsterkerk te restaureren en een nieuw altaar te ontwerpen. Cuypers, een overtuigd katholiek, heeft in de jaren daarna nog veel andere kerken in Nederland gerestaureerd en tientallen nieuwe, neo-gotische kerkgebouwen ontworpen.

Gehuwd op 26-11-1850 met Maria Rosalia Vandevin. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na haar overlijden (7-11-1855) gehuwd op 1-3-1859 met Antoinette Catharine Thérèse AIberdingk Thijm (naamstoevoeging Thijm bij KB van 20-1-1834 nr. 56). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren.

Hij wordt in 1851 benoemd als stadsarchitect. In hetzelfde jaar bouwt hij het woonhuis aan de Swalmerstraat 49 in neogotische stijl en deed hij veel ervaring op bij het bouwen van enige woonhuizen in Roermond en het ontwerpen van de pastorieën van Venray en Veghel. In laatstgenoemde stad had hij in een kelder voor het eerst een kruisribgewelf aangebracht. Bij de eerste naar zijn ontwerp uitgevoerde kerk, te Oeffelt (Nb.) in 1853, paste hij dergelijke gewelven op grotere schaal toe.

Ateliers voor gewijde beeldhouwkunde
In 1853 begint de bouw van een groot complex aan de toenmalige Maastrichterweg te Roermond. In dit gebouw zijn de woonhuizen van de familie Cuypers en van de familie Stoltzenberg gevestigd, geflankeerd door de werkplaatsen, de "Ateliers voor Religieuze Kunst". Het terrein achter het gebouw is bestemd voor de opslag van hout en steen en reikt tot aan de Roer. In dit gebouwencomplex is momenteel het Stedelijk Museum Roermond gevestigd.

Omdat in 1853 de bisschoppelijke hiërarchie van de katholieke kerk in Nederland was hersteld, kwam er een grote hoeveelheid opdrachten uit deze hoek. Pierre Cuypers richt daarom samen met textielfabrikant en handelaar in kerkbenodigdheden François Stoltzenberg en beeldhouwer Eduard Fr. Georges de 'ateliers voor gewijde beeldhouwkunde' op. Dit was een modern equivalent van de middeleeuwse bouwloods: kunstenaars en ambachtslieden werkten er samen onder leiding van de bouwmeester. In de werkplaats werd niet alleen een gebouw ontworpen, er werden ook altaren, gebrandschilderde ramen, meubilair en beeldhouwwerken gemaakt.
Cuypers is als architect verantwoordelijk voor de bouw en restauratie van veel kerken in Nederland. Het atelier van Cuypers & Stoltzenberg geniet dan ook landelijke bekendheid. Deze 'bouwloods' was in eerste instantie bedoeld als een atelier voor kerkelijke kunst. Er werd gestreefd naar ambachtelijk vakmanschap, waarbij de middeleeuwse werkplaatsen als voorbeeld dienden. Fel gekant tegen industriële productie en tegen de opkomst van het commerciële bouwbedrijf, zag Cuypers het gildenmodel als de hoeksteen van de samenleving.

Dit gebouw dat nu ligt aan de Andersonweg 2 - 8 te Roermond is een uniek manifest van het gedachtengoed van architect/ontwerper Cuypers. Cuypers vindt het belangrijk om de constructie van een gebouw goed te laten zien en kiest dan ook voor baksteenbouw. Vakmanschap was voor Cuypers van groot belang. Zo besteedden hij en zijn werkplaats veel aandacht aan details en aan vakkundig metselwerk. Cuypers maakt hiermee een begin aan een nieuwe opvatting over het bouwen en over de plaats en betekenis van architectuur in de samenleving. In dit complex geeft Cuypers het samengaan van de kunsten weer in zijn dagelijks werk én in zijn huiselijk leven. Cuypers verbeeldde in dit complex zijn ideeën over de stijl en de betekenis van bouwkunst in de samenleving en dat maakt het uniek. Niet alleen in Nederland - want eigen woningen van architecten komen in deze periode nauwelijks voor - maar ook internationaal.

Reconstructie Munsterkerk
Bij verdere restauratie van de Munsterkerk in Roermond was Cuypers tot de overtuiging gekomen dat deze kerk oorspronkelijk met twee westtorens ontworpen was geweest, zodat hij besloot het gebouw in de aanvankelijk bedoelde toestand te reconstrueren. Dit leidde echter tot een felle polemiek - waarin hij o.a. Guilon en de architect Ch. Weber tegen zich vond - maar door interventie van o.a. Viollet-le-Duc, die persoonlijk op het strijdtoneel verscheen, konden de tegenstanders worden verslagen en werd de reconstructiebouw doorgezet (1864-1867). Latere generaties hebben de rigoureuze behandeling van het gebouw te ingrijpend gevonden. Nochtans verdient Cuypers' restauratie als negentiende-eeuwse schepping waardering. Dat Cuypers zo spoedig bekendheid verwierf, is mede te danken aan de invloed van de bekende katholieke auteur Joseph Alberdingk Thijm, die in zijn periodiek Dietsche Warande onophoudelijk propaganda maakte voor het bouwen in een zuiver opgevatte gotische stijl.

Twee beginselen zijn karakteristiek voor Cuypers' werk. In de eerste plaats het principe van een rationeel gebruik van bouwmaterialen en constructie. Alle architectonische vormen dienden gerechtvaardigd te worden door een constructieve noodzaak, zoals ook Viollet-le-Duc meende. Daarnaast was Cuypers, in tegenstelling tot de agnostisch ingestelde Viollet-le-Duc, een diep religieus man die dat ook in zijn werk wilde uiten. Zelf schreef hij niet veel over zijn opvattingen, maar in Thijm had hij zijn theoretisch leidsman gevonden. Voortbouwend op de symbolische beschouwingen van Duitse en Engelse auteurs, kwam Thijm tot verklaringen van de architectonische elementen van het kerkgebouw die verder gingen dan in de middeleeuwen gebruikelijk was. Zo wilde Thijm de bij middeleeuwse kathedralen dikwijls voorkomende verschillen tussen de twee fronttorens, zoals in Chartres, uitleggen als symbolen van twee verschillende titels van Maria: de ivoren toren en de toren van David. Dit had tot gevolg dat Cuypers, wanneer hij meer torens aan een kerk aanbracht, deze vrijwel altijd onderling verschillend van vorm maakte.

In Cuypers' oeuvre laten zich twee perioden onderscheiden. In de eerste, die eindigt omstreeks 1870, overheersen de vormen ontleend aan de Franse gotiek van de dertiende eeuw. Dit hangt samen met de opvattingen van Thijm dat de voortbrengselen van de Nederlandse gotiek uit een late en daarom decadent te achten periode stamden en daardoor niet voor navolging in aanmerking kwamen. Een goed voorbeeld van deze kerkbouw is de St. Lambertus te Veghel, die Cuypers tussen 1856 en 1862 bouwde: de kerk heeft een echte kathedrale plattegrond, met kooromgang en straalkapellen, en is voorzien van een toren waarvan de bovenbouw is geïnspireerd op de kathedraal van Chartres. Een andere kerk met een duidelijk kathedrale opzet is de St. Catharina te Eindhoven, die niet alleen was voorzien van een omgang met straalkapellen, maar ook van twee torens. Het weelderigst opgezet was wel Cuypers' St. Willibrordus buiten de Veste in Amsterdam (begonnen 1864), met een centrale kruisingskoepel, een koor met omgang, en maar liefst zes torens, alle verschillend van vorm. Het gebouw werd nooit voltooid en is in 1969 afgebroken. De eerste door hem gebouwde kerken waren inwendig gepleisterd en gepolychromeerd. In de Alkmaarse St. Laurentius en de St. Catharina te Eindhoven werd het interieur als schoon werk beschouwd. In zijn latere werk heeft Cuypers dit steeds vaker gedaan, waarbij hij graag gebruik maakte van de mogelijkheden om met verschillend getinte baksteen bijzondere kleureffecten te bereiken.

In de tweede periode, sinds 1870, neemt de Franse invloed bij Cuypers iets af en wordt zijn werk eclectischer. Hij neemt nu meer elementen over uit de Nederlandse gotische tradities, mede geïnspireerd door het Utrechtse Sint Bernulphusgilde, dat sterk de nadruk legde op de betekenis van nationale bouwtradities. Een van zijn merkwaardigste scheppingen, de Vondelkerk in Amsterdam (1870), ligt nog in de overgang tussen beide periodes. Over de herkomst van haar merkwaardige centraliserende plattegrond is veel gespeculeerd. Echt Hollands zou men de St. Hippolytus te Delft (1884, gesloopt 1974) kunnen noemen, duidelijk geïnspireerd door de late gotiek van het in de Hollandse kuststreek voorkomende kerktype. Het brede middenschip van de St. Dominicus te Amsterdam (1884) werd beïnvloed door de Italiaanse gotiek van de Santa Croce te Florence. Ook experimenteerde hij met centraliserende plattegronden, o.a. in Lutjebroek (1876) en Oisterwijk (1893).

Amsterdam
Om zijn werkterrein te verbreden, verhuisde Cuypers' architectenbureau in 1865 naar Amsterdam, maar de kunstwerkplaats in Roermond bleef voortbestaan. Zijn zoon Joseph Cuypers (1861-1949) trad in 1885 als architect in dienst bij het bedrijf.

Dat Cuypers daarbij wel eens op weerstand stuitte was reeds gebleken in de jaren '60, toen zijn bekroond ontwerp voor het monument op Plein 1813 in Den Haag als te 'rooms' werd afgewezen. Hiertegenover stond echter veel erkenning, ook in het buitenland. Zo werd hij in 1870 benoemd tot Dombaumeister in Mainz, waar hij de oostelijke koepel van de dom bouwde. Vele andere Duitse opdrachten volgden. In Nederland had Victor de Stuers inmiddels zijn geruchtmakend artikel 'Holland op zijn smalst' in De Gids (1873) gepubliceerd en het regeringsbeleid, ook op het gebied van het behoud van historische gebouwen, geducht over de hekel gehaald. Hierop werd in 1874 een commissie van rijksadviseurs voor het kunst- en wetenschapsbeleid opgericht en in 1875 kreeg het departement van Binnenlandse Zaken speciaal voor kunsten en wetenschappen een nieuwe afdeling onder leiding van De Stuers. Cuypers werd lid van het College van Rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst, en zo kwam een nauwe samenwerking tussen Cuypers en De Stuers tot stand. Te zamen ontplooiden zij grote activiteit. Dit veroorzaakte binnen het College veel argwaan - er werd zelfs gesproken van een ultramontaans complot - zodat in 1879 het College ontbonden moest worden. Hierdoor kreeg het duo De Stuers-Cuyper, echter juist meer invloed.

Rijksmuseum Amsterdam (1876-1885)
Ondertussen had Cuypers door bemiddeling van De Stuers meegedaan aan een besloten wedstrijd voor een ontwerp voor de bouw van het Rijksmuseum in Amsterdam, waarbij het ontwerp van Cuypers werd bekroond (1876) en uitgevoerd. Ook nu liepen de critici te hoop, de Koning zelf zou hebben verklaard dat hij nooit een voet in dat 'klooster' zou zetten. Het gebouw, bedoeld voor de nationale kunstcollecties, werd geopend op 13 juli 1885. Al in de jaren '50 en '60 waren er plannen voor een nieuw museum; in 1875 werd de beslissende prijsvraag uitgeschreven. De stad Amsterdam stelde, naast haar schilderijencollectie, een locatie op de grens van de oude stad en de nieuwe zuidelijke uitbreiding ter beschikking. Het museum moest de twee stadsdelen met elkaar verbinden. Het winnende ontwerp van Cuypers voorzag daarom in een verbindingsweg dwars door het gebouw.
Na enige tijd luwde de kritiek en in 1885 kon het museum in gebruik genomen worden.
Amsterdam (1881)
Hoewel Cuypers hierna weinig gebouwen voor de rijksoverheid tot stand heeft gebracht, bleef zijn invloed, vooral bij de beide rijksbouwmeesters, C.H. Peters en J. van Lokhorst, duidelijk merkbaar. Dat hij overigens ook na het Rijksmuseum nog belangrijke opdrachten voor het ontwerpen van openbare gebouwen kreeg, blijkt uit de bouw van het Centraal Station in Amsterdam, waarmee hij in 1881 begon.

1892 Kasteel De Haar
Bij zijn restauraties streefde hij naar een reconstructie volgens de ideale principes van de oorspronkelijke stijl en trachtte hij een gebouw stijlzuiverder en vollediger te maken dan het in het verleden ooit geweest was. Wel heel ver ging Cuypers bij de herstelwerkzaamheden aan het kasteel De Haar bij Haarzuilens (1892), die in feite neerkwamen op een herbouw volgens Cuypers' zienswijze.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1570.