kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 08 03 2017 16:27 voor het laatst bewerkt.

Peter Behrens

Peter Behrens door Max Lieberman

Duits schilder, architect, vormgever en typograaf, 14 april 1868 Hamburg - 27 februari 1940 Berlijn.

Peter Behrens geldt als de invloedrijkste Duitse vormgever van de 20e eeuw en wordt gerekend tot de eerste generatie architecten van de 20ste eeuw die zich verzetten tegen academisme, eclecticisme en de neo-stijlen van de 19de eeuw. Hij legde met zijn simpele, praktische en rationele ontwerpen de basis voor de verbreiding van het Modernisme in de 20ste eeuw. Peter Behrens geldt ook als de uitvinder van het corporate design en was een van de eerste industriële vormgevers.

Biografie
Tussen 1886 en 1889 studeerde Peter Behrens aan de Kunstgewerbeschule in Hamburg, de Kunstschule in Karlsruhe en de Düsseldorfer Akademie.

In zijn beginjaren schilderde hij in een laat-impressionistische stijl en vanaf 1890 werkte hij in de trant van de jugendstil als schilder en grafisch vormgever in München. In deze periode produceerde hij kleurrijke houtsneden, illustraties en boekomslagen.

In 1893 was hij in München medeoprichter van de kunstenaarsvereniging Münchner Sezession, een progressieve groep exposerende handwerkslieden.

In 1896 reisde Behrens naar Italië en zette een jaar later samen met Hermann Obrist, August Endell, Bruno Paul, Richard Riemerschmid en Bernhard Pankok de Vereinigte Werkstätten für Kunst im Handwerk (verenigde ateliers) in München op, voor de productie van handgemaakte gebruiksvoorwerpen.

In 1898 werkte Behrens aan het tijdschrift Pan en ontwierp zijn eerste meubelstukken, die het volgende jaar werden tentoongesteld in het Glaspalast in München.

In 1899 werd Behrens uitgenodigd om samen met de Weense architect Olbrich, Hans Christiansen e.a. lid te worden van de Darmstädter Künstlerkolonie Mathildenhöhe in Darmstadt, een initiatief van de groothertog van Hessen, Ernst-Ludwig von Hesse-Darmstadt, kleinzoon van de Britse Koningin Victoria. De vormgeving is dan ook sterk Engels beïnvloed, strak en geometrisch.
De bedoeling van Mathildenhöhe was zich te verzetten tegen eclecticisme en academisme, alle kunstgenres te vernieuwen en onder leiding van de architectuur te verenigen. Voor dit doel werden jonge kunstenaars uit verschillende kunstgenres bij elkaar gehaald, om samen te kunnen werken en van elkaar te leren.

In het kader van een tentoonstelling op Mathildenhöhe ontwierp Behrens, zonder enige opleiding als architect gevolgd te hebben, zijn eerste gebouw - het Behrens Haus in Darmstadt, 1900-1901. Dit project werd ontworpen als Gesamtkunstwerk met speciaal ontworpen meubilair en zelfs glaswerk. Het huis kenmerkte Behrens' belangrijke overgang van Jugendstil naar een rationelere benadering van design. Dit huis werd als enige bijdrage van de tentoonstelling een groot succes: het feit dat het huis als een organisch samenhangend geheel was ontworpen en het totale ontbreken van opgeplakte decoratie werden als vernieuwend ervaren. Bij het exterieur zien we in de organische vorm van de sierlijsten uit groene geglazuurde tegels in combinatie met de witte pleistervlaktes Behrens' verbondenheid met de jugendstil, die terug gaat op zijn tijd in München. In verband met het interieur wordt ook op een invloed door henry van de velde en mackintosh gewezen. Later zou Behrens de jugendstil achterwege laten. Een ander aspect van het woonhuis Behrens in Darmstadt kan echter als typerend voor Behrens' hele oeuvre worden gezien: ongeacht zijn bescheiden afmetingen heeft huis Behrens in Darmstadt een wat monumentaal en bijna pathetisch karakter. Behrens zelf uitte in dit verband, in een lezing over monumentale kunst uit 1908, dat voor hem proportionaliteit de sleutel tot monumentaliteit was en dat de laatste niets te maken had met de ruimtelijke schaal van een gebouw.
Na zijn succes in Darmstadt ging Behrens zich steeds meer met architectuur bezig houden.

Tussen 1902 en 1903 gaf Behrens masterclasses aan het Bayerisches Gewerbe museum in Neurenberg en exposeerde hij op de 'Esposizione Internationale d'Arte Decorativa Moderna' in Turijn.

In 1903 werd hij benoemd als directeur van de Kunstgewerbeschule in Düsseldorf, hij bleef in dit ambt tot 1907.

Zijn architecturale ontwerpen uit deze periode vertonen een duidelijke voorkeur voor eenvoudige geometrische vormen. Een voorbeeld hiervoor is de Kunsthalle in oldenburg uit 1905. De afzonderlijke paviljoenen van het complex bestaan uit cubusvormige bouwlichamen - sommigen met een tentdak in de vorm van een pyramide - die in een axiale formatie zijn gerangschikt. De geometrische beschildering van het exterieur van de paviljoenen sluit aan bij het proportieschema, dat aan het hele complex ten grongslag ligt, en roept sterke associaties met Toscaanse pre-renaissance architectuur op.

Behrens' preoccupatie met geometrische vormen werd hem diverse keren als zwakte voorgeworpen, die haar oorzaak in zijn achtergrond als schilder/grafisch ontwerper zou hebben. Een andere bron hiervoor kan waarschijnlijk worden gevonden in zijn samenwerking met de Nederlandse architect J.L.M. Lauwericks. Behrens haalde Lauwericks, die erom bekend stond om plattegronden vanuit geometrische systemen te ontwerpen, in 1904 als docent aan de Kunstgewerbeschule naar Düsseldorf. In de literatuur wordt in dit verband ook vaak op een mogelijke invloed van de kloosterschool van Beuron gewezen. In Hoebers monografie over Behrens uit 1913, die waarschijnlijk in directe samenwerking met Behrens is ontstaan, benadrukt de auteur echter juist het verschil tussen Behrens' aanpak, die vanuit geometrische vormen naar een harmonische ruimtelijke indruk toewerkt en de puur aritmetische constructies van de school van Beuron.

Het commerciële nut van industriële kunst bracht de oprichter van AEG, Emil Rathenau, op aandringen van Paul Jordan (de directeur van de Algemeine Elektrizitätsgesellschaft (AEG)-fabrieken) ertoe Peter Behrens in 1907 tot artistiek directeur van het bedrijf te benoemen. Dit was de eerste keer dat een bedrijf een vormgever aannam om het te adviseren over alle aspecten van design. Naast architectuur ontwierp Behrens elektrische producten als fluitketels, ventilatoren en klokken, die in hun constructie gestandaardiseerde onderdelen bevatten die voor verschillende producten gebruikt konden worden. Daarnaast was Behrens verantwoordelijk voor de grafische ontwerpen van het bedrijf; hij zorgde voor een duidelijke huisstijl.

Behrens verwierf vanaf 1909 grote bekendheid door zijn industriegebouwen en arbeiderswoningen voor de AEG, waaronder de AEG turbinefabriek van beton, staal en glas (1908-1909). Deze fabriek was een van de eerste echte uitingen van moderne industriële architectuur en was daardoor zeer invloedrijk.

Van Behrens' industriegebouwen voor de AEG is de Turbinenhalle in Berlijn-Moabit uit 1909 het meest bekend. Dit gebouw heeft bij zijn tijdgenoten meteen levendige reacties opgeroepen. Door een groot publiek werd het begrepen als hét voorbeeld voor een modern fabrieksgebouw, dat aan de ene kant een functionele en gezonde werkomgeving voor de arbeiders kon bieden - door optimale toetreding van daglicht en een ruim en functioneel interieur - en dat aan de andere kant als symbool voor de nieuwe economische en daarmee ook politieke status van grote industrieële bedrijven kon functioneren, door z'n ambitieuze vorm en het gebruik van nieuwe materialen.
De Turbinenhalle spiegelt de optimistische houding t.o.v. industrie als de wezenlijke motor van vooruitgang, een attitude die voor de eerste wereldoorlog in heel Europa heerste en die Behrens volkomen deelde. Het scheppen van voor zijn tijd adequate gebouwtypen werd door Behrens als zijn maatschappelijke opgave ervaren. En toch is de Turbinenhalle een goed voorbeeld daarvoor, dat het streven naar types bij Behrens nooit tot een zuiver functionalistische benadering heeft geleid (wat bij zijn leerling Mies van der rohe in een veel sterkere mate het geval was).
K. Wilhelm observeert, dat de Turbinenhalle in feite drie verschillende kanten heeft: aan de oostkant is de constructie van het gebouw op indrukwekkende wijze zichtbaar gemaakt, door het stalen frame over de hele lengte van het gebouw onbekleed te laten en de gewrichten, die de spanten van het stalen frame verbinden met het betonnen fundament, op ooghoogte van de voorbijlopende voetganger te exposeren. Aan de westkant daarentegen ontbreken in de gevel van de kleinere nevenhal alle visuele extra's, deze zijde wordt zuiver door functionaliteit bepaald. Haaks hierop staat de zuidgevel van de hoofdhal, die met zijn gigantische betonnen hoekpijlers en tympaanachtige boog het gebouw visueel domineert. Zeer tegen de verwachting in hebben deze schijnbaar massieve onderdelen echter geen enige dragende functie. Ze zijn zuiver producten van het 'Kunstwollen' van de architect, op zoek naar een vorm, die als symbool voor de cultuur van zijn tijd kon functioneren.

Kort na zijn aanstelling bij AEG richtte Behrens samen met Peter Bruckmann (1865-1937), Josef Maria Olbrich, Fritz Schumacher (1869-1947), Richard Riemerschmid en Hermann Muthesius (1861-1927), K. schmidt en F. Naumann in oktober 1907 de Deutscher Werkbund op. De Deutscher Werkbund was geïnspireerd op de Arts & Crafts Movement in Groot-Brittannië en trachtte de status van de kunstnijverheid te herstellen en toe te passen in de industriële productie. Als pioniers van het Modernisme realiseerden de leden van de Deutscher Werkbund zich dat standaardisatie, en de rationele benadering van design die daaraan inherent was, dé manier was om industrieel geproduceerde goederen de kwaliteit van handgemaakte producten te geven.

De eerste wereldoorlog maakte een eind aan de classicistische stijl in het oeuvre van peter behrens. Zoals bij velen anderen werd zijn optimisme t.o.v. technologie en de vooruitgang van de mensheid door de verschrikkingen van de oorlog getemperd. Vanaf de jaren twintig werd Behrens stijl gekenmerkt door expressionistische trekken en een verbondenheid met de art deco, waarbij de middeleeuwen als voorbeeld fungeerden. Dit is te zien in het hoofdkantoor van IG Farben in Frankfurt-Höchst uit 1920-24, een hoogtepunt uit Behrens late werk. Bijzonder indrukwekkend is de kleurrijke ontvangsthal onder een glazen plafondlantaren. Dit gebouw heeft met de industriële gebouwen uit Behrens' classicistische periode alleen nog maar de monumentaliteit gemeenschappelijk.

In 1926 ontwierp Behrens New Ways, een huis in Northampton voor de Britse industrieel Wynne Bassett-Lowke. Dit was het eerste concrete voorbeeld van moderne architectuur in Groot-Brittannië. In de jaren '30 volgde Behrens de International Style, wat zijn Oostenrijkse Tabaksfabriek in Linz (1930) demonstreert. Daarnaast ontwierp hij porselein voor Franz Anton Mehlem in Bonn en Gebrüder Bauscher in Weiden, glaswerk voor Rheinische Glashütten in Köln-Ehrenfeld en linoleum met geometrische patronen voor de Delmenhorster Linoleum Fabrik.

Vanaf de jaren twintig concentreerde Behrens zich ook steeds meer op het onderwijs: in 1922 volgde hij Otto Wagner als directeur van de afdeling architectuur aan de Weense Academie der Bildenden Künste op waar hij masterclasses gaf, in 1936 werd hij opvolger van Hans Poelzig aan de Pruisische Academie der Bildenden Künste in Berlijn, een functie die hij tot zijn dood bekleedde. Verder hield hij zich bezig met stedebouwkundige ontwerpen m.n. in Berlijn.

Peter Behrens stierf in 1940 in Berlijn.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 724.