kunstbus

Ben jij onwetend, leerling, gezel, meester of uomo universale? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 21 10 2016 16:07 voor het laatst bewerkt.

rationalisme

Rationalisme (1900-1920)

Het rationalisme is een reactie op de neo-stijlen van eind 19e eeuw en wil de functie en constructie van een gebouw duidelijk zichtbaar maken. Basis voor deze stroming zijn de denkbeelden van Gottfried Semper, Labrouste en E.E. Viollet-le-Duc.

In Nederland wordt de naam Rationalisme voornamelijk verbonden aan een architectuurstijl rond 1900 geïntroduceerd door Hendrik Petrus Berlage (Beurs van Berlage, Amsterdam) en K.P.C. de Bazel (1869-1923).

Rationalisme in de architectuur
De functie van gebouwen ging veel meer een rol spelen bij het ontwerp en men probeerde een eigen stijl te ontwikkelen.

Men maakt hierbij gebruik van metselwerk, aangevuld met natuursteen, zichtbare ijzeren constructies en betonnen balken. Karakteristiek zijn de asymmetrie en de vlakke bakstenen wanden. Een belangrijk kenmerk van deze stijl zijn de zichtbaar dragende constructies van baksteen en bogen. De architecten probeerden stijlkenmerken te beperken door ornamenten zoveel mogelijk te vereenvoudigen of zelfs achterwege te laten en regelmaat en eenheid te laten prevaleren. Er werd gebruik gemaakt van nieuwe materialen als ijzer en men bouwde constructies met glas.

Berlage
Op basis van de denkbeelden van Semper en Viollet-le-Duc ontwikkelt Berlage aan het einde van de 19de eeuw een eigen stijl, het rationalisme. Berlage ontwierp daarbij vanuit de plattegrond van een gebouw, met vlakke bakstenen muren en gebruik van natuursteen ter accentuering van belangrijke punten.

Gottfried Semper
Berlage studeerde van 1875 tot 1878 voor architect aan de Polytechnische school en onderging daar de invloed van de DUitse architect Gottfried Semper, die er van 1855 tot 1871 de voornaamste docent in de bouwkunde was geweest en wiens boek: 'Der Stil' in Berlages studietijd wel de bijbel voor de bouwkundestudenten in Zurich werd genoemd. Semper bouwde als architect in de klassieke stijl maar Berlage heeft niet op de stijl doch op de theorieen van Semper voortgebouwd. Deze wees op de noodzaak van het harmonisch samengaan van doel, vorm en materiaal om werkelijk stijl, dat is eenheid, te bereiken. Hij is waarschijnlijk ook onder de indruk gekomen van de revolutionaire opvattingen van Semper. Berlage werd socialist en hij was van de oprichting af lid van de S.D.A.P. waarvan hij echter de klassestrijd veroordeelde. Voor zijn architectuur heeft hij veel steun gevonden in de geschriften van Viollet-Ie-Duc waarbij diens rationalisme voor hem bijzonder belangrijk is geweest.

Na zijn studie maakte Berlage een reis door Duitsland en Italië. In 1882 associeerde hij zich met de architect Theodorus Sanders in Amsterdam. Zij namen in 1884-1885 deel aan een internationale prijsvraag voor een beursgebouw in Amsterdam. Hun ontwerp in neo-renaissancestijl, kreeg de vierde prijs. Geen der ontwerpen werd uitgevoerd. In 1885 bouwden zij een winkelpand voor de firma Focke & Meltzer op de hoek van Spui en Kalverstraat in Amsterdam, eveneens in neo-renaissancestijl.

Berlage vestigde zich in 1889 als zelfstandig architect in Amsterdam. Na enige kleinere bouwwerken volgde in 1893 een gebouw voor de verzekeringsmaatschappij 'De Algemeene' aan het Damrak dat in 1963 door brand is verwoest. Hij maakte zich in zijn ontwerp gedeeltelijk los van de neostijlen maar er bleven romaanse en gotische motieven aanwezig.

H.P. Berlage (1856-1934) is begonnen als Jugendstil architect, maar gaandeweg zijn carriere werd zijn stijl steeds zakelijker.

De vooruitstrevende directeur van de verzekeringsmaatschappij, 'de Nederlanden van 1845', Carel Henny, droeg Berlage in 1893 op een kantoorgebouw aan het Muntplein in Amsterdam te ontwerpen. In 1895 kwam dit gereed, in 1911 werd het verbouwd.

1895 - kantoor De Nederlanden van 1845, Kerkplein 1, 2 en 3 Den Haag
Het Hoofdkantoor van de Nederlanden van 1845 (een verzekeringsmaatschappij) was oorspronkelijk een door Berlage in Jugendstil ontworpen pand. Enkele jaren na de bouw heeft hij er -na een verzoek tot uitbreiding door de verzekeringsmij. in een geheel andere stijl (Rationalisme) een etage aan toegevoegd. Er volgde een tweede gebouw aan het Kerkplein in Den Haag, bij uitbreidingen in 1901 en 1909 verbouwd. Berlage kreeg daar de gelegenheid zijn eigen inzichten te verwezenlijken. Hij liet de stijlnabootsing nu geheel los. Zowel uitwendig als inwendig zijn de gebouwen uitgevoerd in baksteenmetselwerk, aangevuld met enkele onderdelen van natuursteen waarin bouwbeeldhouwwerk is aangebracht. Berlage ontwierp ook de meubels die een sobere, constructieve vorm kregen met enkele vloeiende lijnen in de trant van de Jugendstil.
Meer rationalisme in Den Haag: Burnierstraat 2 (Architect : Berlage), 1913 - Prinsevinkenpark 42 (Architect : Berlage), Dagelijkse Groenmarkt (Vm. Kantoor H.IJ.S.Mij.)

Beurs van Berlage
In 1896 werd Berlage door wethouder M. F. W. Treub benoemd tot technisch adviseur voor de Beurs. Zonder verder overleg met anderen liet hij Berlage een plan maken dat in hetzelfde jaar door de gemeenteraad werd aangenomen. Daarna werkte Berlage nog een jaar aan de architectuur die steeds soberder werd. tussen 1898 en 1903 werd het gebouw uitgevoerd. De Goederenbeurs in Amsterdam is Berlage's belangrijkste werk uit zijn rationalistische periode en wordt beschouwd als het begin van de moderne architectuur in Nederland. In het gebouw van Hendrik Petrus Berlage waren orspronkelijk vier beurzen ondergebracht: de goederenbeurs, de schippers- beurs, de graanbeurs en effectenbeurs. Het materiaalgebruik bestaat voornamelijk uit baksteen. Enkele elementen als lateien en hoekoplossingen zijn uitgevoerd in natuursteen. De overspanningen van de grote ruimtes van de beursen zijn gerealiseerd met stalen vakwerkbogen. De voormalige graan- en effectenbeurs zijn in de periode van 1988 tot 1992 aangepast voor uitvoeringen van het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Nederlands Kamerorkest.

invloed
Met het rationalisme van Berlage als bron, werden gebouwen en objecten steeds verder geabstraheerd. De stijl wordt overgenomen door architecten als Tjeerd Kuipers en A.J. Kropholler, die zich er nog lang door lieten inspireren, ook nadat Berlage zelf allang andere wegen had ingeslagen.

Amsterdamse School
Het rationalisme kreeg te maken met een tegenbeweging in de vorm van de Amsterdamse School, waarvan de architecten ironisch genoeg een belangrijke rol speelden bij de invulling van Berlage's uitbreidingsplan voor Amsterdam, Plan-Zuid. De stroming is een reactie op het rationalisme van Berlage die volgens de Amsterdamse school te strak en te zakelijk was.

rationalisme in de vormgeving
Een totaal andere verschijningsvorm dan de Art Nouveau waarvan binnen de Nieuwe Kunst sprake was, is de zogeheten constructieve of rationele richting. Hier wordt het uiterlijk van het product bepaald door zijn gebruik en de aard van het verwerkte materiaal, terwijl de versiering meestal spaarzaam en ondergeschikt aan de vorm werd toegepast. Deze richting, waarvan vooral in Amsterdam sprake was, kwam primair voort uit de behoefte van sociaal bewogen kunstenaars om goed ontworpen gebruiksvoorwerpen voor grote groepen van de samenleving te ontwerpen. Illustratief voor deze richting binnen het vernieuwingsaardewerk zijn de eenvoudig versierde en functionele gebruiksvoorwerpen die de kunstenaar C.J. van der Hoef (1875-1933) ontwierp voor Plateelbakkerij Zuid-Holland. Bij een nadere vergelijking wordt in één oogopslag duidelijk hoezeer de sobere decoratie van vierkantjes contrasteert met de uitbundig versierde ontwerpen van bijv. Colenbrander.

Rationalisme (design)
'Rationalisme' verwijst naar een logische benadering van architectuur en design, maar staat ook voor een een designstroming en -stijl bij Italiaanse architecten en ontwerpers uit de jaren 1926-1945. Hoofdkenmerken: strakke geometrische vormen en eersteklas materialen zoals verchroomde metalen buizen.
De Gruppo Sette (Groep van Zeven) liet zich inspireren door de sociale en esthetische aspecten van modern werk van architecten als Walter Gropius en Le Corbusier en publiceerde een vierdelig manifest in het tijdschrift Rassegna in 1926, wat in feite het Italiaanse Rationalisme in gang zette. De leden van de groep, onder wie Giuseppe Terragni, Gino Pollini (geb. 1903), Luigi Figini (geb. 1903), Adalberto Libera (1903-1963), Carlo Enrico Rava, Sebastiano Larco en Guido Frette, verzetten zich hevig tegen het Futurisme en probeerden het Functionalisme van de Europese Avant-Garde te verzoenen met de Italiaanse klassieke traditie. De eerste opvallende uitdrukkingen van Italiaans Rationalisme in de architectuur kwamen van Luciano Baldessari (1896-1982), Luigi Figini, Gino Pollini's Bar Craja in Milaan (1930) en Giuseppe Terragni's Casa del Fascio in Como (1933). Rationalisme werd ook door de fascisten met open armen ontvangen - ze zagen zichzelf als stichters van een nieuwe wereldorde, maar gingen later over op het conservatieve Novecento. Na W.O.II bleven ontwerpers als Franco Albini het Rationalisme voortzetten.


Internationaal Colloquium
HET RATIONALISME IN DE ARCHITECTUUR VAN DE HEDENDAAGSE TIJD
Een andere benadering

De historiografie van het rationalisme in de architectuur beklemtoont totnogtoe vooral de rol van Franse theoretici, zoals Marc Antoine Laugier, Jacques François Blondel en Jean Nicolas Louis Durand. Zij kent een dominerende plaats toe aan het oeuvre van Henri Labrouste en zweert bij de ideeën van Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc. Voor die laatste drukt de gotiek, in haar relatie met de architectonische structuur en het decor, de ‘Franse’ rede uit en geeft ze daardoor richting aan de toekomst.

In tegenstelling tot vroeger wil het colloquium niet zozeer de relatie met het filosofisch rationalisme benadrukken. De nieuwe hypothese wil veeleer de context van de geïndustrialiseerde samenleving, zoals die vanaf 1830/1848 tot stand kwam, als een belangrijk scharniermoment naar voor schuiven. Welke uitdagingen stelde de moderne industriële maatschappij aan de architectuur, aan de klassieke begrippen als maat, vorm en getal? Dat nieuwe materialen als ijzer en glas andere mogelijkheden creëerden, is geweten, maar wat hield dat in aan uitdagingen voor bijvoorbeeld het architectuuronderwijs? Welke antwoorden riep de bewustwording van de groeiende afstand tussen architectuur en industriële cultuur op?

Daaronder horen de belangstelling voor kunststoffen, de ontwikkeling van het transport en de geleidelijke veralgemening van de geprefabriceerde montagebouw. We bemerken ook het samengaan van de industriële revolutie met de opkomst van de neogotiek. Die gelijktijdigheid brengt sommige auteurs (Jean-Baptiste-Antoine Lassus, Viollet-le-Duc, Augustus Welby Northmore Pugin en zijn adepten, Louis Cloquet enz.) zover dat ze in de zgn. rationaliteit van de gotiek een vorm van prefiguratie van de industriële architectuur zien. Bij wijze van paradox kan men stellen dat dit contextueel bepaalde proces leidde tot de industrialisatie van de architectuur.

Viollet-le-Duc noemt dat proces ‘rationalisme’ en hanteert die visie bijvoorbeeld in zijn Dictionnaire du mobilier met betrekking tot de kunstnijverheid. Zijn leerlingen beschouwen de meubelkunst als een vruchtbare akker voor grondig onderzoek en experimenten: nieuwe functies, prefabricatie, nieuwe assemblagetechnieken en industrialisatie van de productie moeten leiden tot een nieuwe kunst en tot de heropleving van de industriële fabricatie.

Vanuit die invalshoek kan beter worden begrepen wat de ‘rationalisten’ hebben gerealiseerd op het domein van de architectuur, nl. de aanpassing van de productievoorwaarden van de architectuur aan de industriële wereld. Dat veronderstelt dat het architecturale ontwerp van bij de aanvang rekening houdt met het gebruik van nieuwe materialen, met een specifieke organisatie van de bouwwerf als plaats van aanvoer en assemblage en met een snellere oplevering.

De aanwending van de nieuwe hypothese voor het fenomeen van het ‘architecturale rationalisme’ laat niet alleen toe om de specificiteit van de periode 1840- ca. 1914 te begrijpen, maar ook om de notie ‘moderniteit’ te relativeren. Moderniteit hield meer in dan het aanwenden van nieuwe bouwmaterialen of industriële ornamentiek.

Het colloquium is een initiatief van de subgroep ‘Rationalisme, nationalisme en universalisme’ van de internationale onderzoeksgemeenschap ‘Culturele identiteit, levensbeschouwing en architectuur in West-Europa, 1815-1940’ (erkend door het FWO-Vlaanderen). De leden van deze subgroep vormen het wetenschappelijk comité van het colloquium. - (Leuven, 17-19/11/2005, kadoc.kuleuven.be/pdf/stu/rationalism_nl.pdf)


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1717.