kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Rotterdam-Maaskantprijs_2004

Rotterdam Maaskantprijs 2004

14 december 2004 De Grote Rotterdam-Maaskantprijs 2004 wordt niet uitgereikt
Dit maakte het bestuur van de Stichting Rotterdam-Maaskant bekend. Na rijp beraad heeft ze besloten om het juryadvies niet over te nemen. De jury bestaande uit Margreet de Boer (oud minister VROM), Frank Bijdendijk (algemeen directeur woningcorporatie Het Oosten Amsterdam), Hubert-Jan Henket (architect), Cees Schuyt (hoogleraar sociologie Universiteit van Amsterdam) en Anna Tilroe (NRC Handelsblad) hadden 'het rijksbouwmeesterschap' voor de prijs voorgedragen.

Het bestuur stelt dat de kern van de grote Rotterdam-Maaskantprijs niet architectuur maar architectuurreflectie betreft. Met het voordragen van het rijksbouwmeesterschap voor de Rotterdam-Maaskantprijs, wordt naar het oordeel van het bestuur, geen recht gedaan aan de primaire doelstellingen van de prijs, in termen van het jarenlang persoonlijk en bijzonder communiceren over architectuur. De vijf door de jury voorgedragen rijksbouwmeesters hebben het rijksbouwmeesterschap ontegenzeggelijk op een unieke, hoogst persoonlijke manier ingevuld. De een meer als manager met een kantoor, de ander meer als kunstenaar met een atelier. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is het rijksbouwmeesterschap veranderd. Het stof is er vanaf geblazen en de meesters die sindsdien op de stoel plaats namen, waren vernieuwend, kritisch, ondernemend, creatief en communicatief. Maar het is en blijft een door de overheid gegeven instelling, die zich in de vernieuwende gedaante beijvert voor hoogwaardige 'rijks'architectuur. Dat is echter eerder een inhaalmanoeuvre dan een revolutionaire démarrage die het hele architectonische veld beroert, zo stelt het bestuur.

De Grote Rotterdam-Maaskantprijs werd in 1996 ook niet uitgereikt, toen had de jury de Rotterdamse Haven voorgedragen.


Juryrapport Rotterdam Maaskantprijs 2004

Architectuur is geen gangmaker van cultuur, architectuur is een gevolg.
Het zijn onze opdrachtgevers die de maatschappij waarvoor wij bouwen vertegenwoordigen, en van die plaats af bepalen wat wij mogen en kunnen bouwen.
Het meest waardevolle voor een gebouw en steeds weer de basis voor de echte architectuur is, dat tot uitdrukking gebracht wordt wat in de betreffende tijd aan gedachten leeft en welke taak en plaats het gebouw in de maatschappij heeft.
(Hugh Aart Maaskant: Toespraak 23 april 1968 en in Forum 1953)

Architectuur, stedenbouw en ruimtelijke ordening zijn de afgelopen decennia tot steeds complexere disciplines geworden. Niet alleen de grootschaligheid en diversiteit van de gestelde opgaven, maar ook de nieuwe gezagsverhoudingen hebben de disciplines en de positie van de architect en stedenbouwkundige beïnvloed. Deze zijn niet langer de integrerende spil in het bouwproces, maar eerder één van de vele spelers op het toneel. Ontwerpers zijn dan ook nog zoekende naar een gepaste nieuwe rol en heldere visie.

Tegelijkertijd is de aandacht voor architectuur vanuit de samenleving toegenomen en is de discussie over architectuur verbreed. Het Nederlands Architectuurinstituut, vele monumenten, lezingen en tentoonstellingen over architectuur trekken een steeds groter publiek. Ook vakpublicaties en –tijdschriften genieten een aanzienlijke belangstelling. Vaak is deze aandacht echter gericht op enkele esthetische hoogtepunten. De uiterst belangrijke, maar vaak langdurige, gedegen en onopvallende bouwwerken en processen blijven veelal onbesproken. Terwijl juist deze vaak bepalend zijn voor het aanzien van Nederland.

Verheldering van en discussie over de (toekomstige) functie, betekenis en waarde van de gebouwde omgeving is dan ook cruciaal. De Maaskantprijs richt zich juist op deze verdieping en verbreding van architectuur. De prijs werd in 1976 ingesteld door de architect Hugh Aart Maaskant (1907-1977) met als doel om de plaats van de bebouwde omgeving en landschappelijke inrichting in het culturele en maatschappelijke leven te verhelderen en versterken, en om binnen een brede kring van gebruikers en beschouwers een bewuste beleving van stedenbouw en (landschaps)architectuur te bevorderen, in het bijzonder in Rotterdam. Volgens Maaskant was architectuur afhankelijk van de wensen en eisen van de maatschappij en de kwaliteit en inzet van de opdrachtgever. Om die reden hechtte hij er zeer aan om het maatschappelijk denken en het bewustzijn van architectuur, landschappelijke inrichting en stedenbouw te stimuleren.

De combinatie van enerzijds reflectie en verdieping en anderzijds en communicatie en verbreding spreekt de jury erg aan. Het is immers essentieel dat de ontwerpende ruimtelijke disciplines plaats bepalen binnen het geheel aan nieuwe opgaven en vraagstukken. Een sterke visie op de ontwikkeling van regionale netwerken, het ontboeren van het platteland, architectonische identiteit is onontbeerlijk voor een adequate ruimtelijke inrichting van Nederland. Tegelijkertijd is deze visie te maatschappelijk relevant om alleen binnen ivoren torens te bespreken. Inhoudelijke reflectie en discussie over – ook de minder esthetische aspecten van - de gebouwde omgeving zijn een zaak van de hele samenleving. Architectuur dient dan ook bespreekbaar te zijn, zonder daarmee aan verdieping en kritische kwaliteit in te boeten.

Tussen een veelheid aan interessante sterarchitecten, theoretici, wetenschappers, publicisten en organisators, heeft de jury dan ook gezocht naar één of meer personen die de combinatie van verdieping en verbreding vertegenwoordigen. Personen die staan voor kwaliteit en visie, maar ook voor onafhankelijkheid, continuïteit en communicatie. Juist in een tijd waarin economische belangen de gebouwde omgeving steeds meer beheersen en architectuur vooral op esthetiek wordt beoordeeld, zijn dergelijke kwaliteiten onontbeerlijk. Ze leveren de basis voor een duurzame ontwikkeling van de ruimtelijke disciplines en geven het debat hierover richting. Deze overwegingen, gelegd naast de criteria van de Maaskantprijs, brengen de jury tot een unanieme voordracht van vijf personen die met hun gezamenlijke maar toch hoogstpersoonlijke inspanningen (het denken over) architectuur verder hebben gebracht: Wim Quist, Tjeerd Dijkstra, Kees Rijnboutt, Wytze Patijn en Jo Coenen in hun functie als rijksbouwmeester.

Deze vijf hebben als rijksbouwmeester de discussie over architectonische en ruimtelijke kwaliteit aangevoerd en hebben deze met verschillende initiatieven verbreed. Hoewel ze stuk voor stuk eigen aandachtspunten kenden, hebben ze door hun gedrevenheid, ambitie en enthousiasme samen het rijksbouwmeesterschap tot een unieke, hoogstaande functie gemaakt. Door hun inzet en continue zoektocht naar kwaliteit, actualiteit, problematiek is de rijksbouwmeester allang niet meer puur kwaliteitsbewaker en adviseur van de Rijksgebouwendienst en betrokken ministeries . De functie nieuwe stijl behelst op zichzelf al de verbreding en verdieping die de Maaskantprijs beoogt. Hoewel Maaskant de functie nauwelijks in haar nieuwe vorm heeft meegemaakt, is het waarschijnlijk dat hij met zijn geloof in de noodzaak van maatschappelijke aandacht voor architectuur – de maatschappij vormt het kader voor het ontstaan van architectuur – zich over het bestaan van deze realistische en open functie verheugd zou hebben.

Een functie is echter niet prijzenswaardig. Het gaat om de invulling ervan. Sinds de jaren zeventig, toen de rijksbouwmeester nieuwe stijl geboren werd, hebben verschillende mannen deze functie op eigen wijze ingevuld. Voor de jury sprongen Quist, Dijkstra, Rijnboutt, Patijn en Coenen hier uit als de meest eigenzinnige, vernieuwende, kritische en communicatieve rijksbouwmeesters. Deze vijf hebben de functie zo vormgegeven en geven de functie nog steeds zo vorm dat de rijksbouwmeester nieuwe stijl actuele kwesties oppakt, discussies aanzet, kwaliteitsvragen stelt, problemen benoemt en deze een plek geeft binnen het maatschappelijk debat over de gebouwde omgeving. Zij zijn kortom de ziel van de vernieuwde functie. Met hun niet aflatende inzet en aandacht – voor meer dan alleen de sprankelende kwesties – hebben ze niet alleen de functie, zichzelf en hun opvolgers, maar vooral het debat over de gebouwde omgeving naar een hoger niveau gebracht.

Wim Quist (1930), rijksbouwmeester 1974-1979
Quist werd tot rijksbouwmeester benoemd op een moment dat architectuur sterk ter discussie werd gesteld. De stadsvernieuwingsrellen tegen grote doorbraken in oude binnensteden waren in volle gang (o.a. de befaamde Nieuwmarktbuurt-rellen). Architecten werden beschimpt vanwege hun starre grote visies, interesse in grootschalige structuren en ongevoeligheid voor de historische binnenstad. Als reactie hierop ontstond het 'bouwen voor de buurt' waarin bewoners, architect en gemeente samenwerkten en de verouderde stadswijken met kleinschalige ingrepen werden opgewaardeerd. Inspraak was het adagium en de functie van de architect werd hierin vaak gereduceerd tot die van opbouwwerker.

Volgens Quist verloor de architect hiermee zijn wezenlijke rol. Deze liet zich meer leiden door bewonerswensen en sociaal-psychologische omgevingstheorieën, dan dat hij een kritisch onderzoek verrichtte naar de eigen mogelijkheden en grenzen. Quist pleitte niet voor een terugkeer naar de onverschilligheid ten aanzien van gebruikerswensen en omgeving zoals deze in de jaren zestig veel voorkwam, maar keurde de structuurloze, 'kneuterige' alternatieven af. Hij pleitte voor een herdefinitie van architectuur vanuit haar specifieke eigenschappen. Architecten moesten zich sturend en wegbereidend opstellen, zonder te vervallen in 'architectenidiosyncrasieën'.

Zijn eigen kritisch reflectie van architectuur, zijn constante zoektocht naar de essentie hiervan – terecht is door Joost Meeuwissen ooit opgemerkt dat Quist geen architectuur bouwt maar een oeuvre – kwam in zijn rol als rijksbouwmeester sterker naar buiten. Daarmee zwengelde hij de discussie over de intrinsieke waarden en taal van architectuur aan. Mede door zijn toedoen als rijksbouwmeester werd architectuur als zelfstandige discipline weer serieus genomen. Hij bracht de vakinhoudelijke discussie en reflectie terug, die in de strijd voor 'bouwen voor de buurt' als te specialistische architectenpraat was afgedaan. Daarbij ging het hem om het hele spectrum aan stijlen, stromingen, ideeën; Quist was de eerste rijksbouwmeester die niet meer duidelijk stijlgebonden was en het belangrijk vond architectonische kwaliteit steeds opnieuw te herdefiniëren en op die manier bespreekbaar te maken: "Dat is voor mij heel wezenlijk aan architectuur. Daar moet je een taal voor zoeken. Doe je dat niet, dan vraag ik mij af of je nog met architectuur bezig bent" ( Wonen-TA/BK, 1979) . In beoordelingen lette Quist dan ook vooral op architectonische taal, logica en beeldende kracht.

Naast deze sterke aandacht voor de specifieke kwaliteiten van architectuur, was Quists inzet voor de binnenstad van groot belang. Deze was in de jaren zestig en zeventig massaal verlaten en verwaarloosd. Het idee dat de binnenstad druk en ongezond werd en de gelijktijdige uitvoering van het groeikernenbeleid van de overheid hadden een groot deel van de stedelijke bevolking naar de nieuwe, groene gemeenten getrokken. In de jaren zeventig drong geleidelijk aan door dat de binnenstad toch ook bijzondere kwaliteiten had. Hoewel Quist als rijksbouwmeester geen invloed had op het beleid van de overheid, zette hij zich in om met voorbeeldige rijkshuisvesting de herwaardering van de binnenstad te stimuleren. Hij overtuigde de Minister en de Rijksgebouwendienst om hun beleid te koppelen aan het binnenstadsstimuleringsbeleid. Dit resulteerde in een aantal zorgvuldige 'injecties' die onder begeleiding van Quist tot stand kwamen, zoals de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in het centrum van Amersfoort (Abel Cahen) en de nieuwbouw van de universiteitsbibliotheek en andere universiteitgebouwen in Leiden (diverse architecten). Deze gebouwen zijn – zoals vrijwel alle projecten die met bemoeienis van Quist tot stand kwamen – sterk verankerd in hun omgeving.

Voor Quist was de schaalsprong naar het stedenbouwkundig niveau een noodzakelijke stap, die dan ook resulteerde in zijn pleidooi om het bureau rijksbouwmeester uit te breiden met een stedenbouwkundige. Deze kwam en markeerde het nieuwe werkterrein van de rijksbouwmeester. Illustratief voor de breedte van dit werkterrein was – naast de architectonische en binnenstedelijke vraagstukken – de diversiteit aan opgaven: Quist hield zich tegelijkertijd bezig met de uitwerking van het systeem van gebundelde deconcentratie voor de rijkshuisvesting, de omgang met monumenten en de betekenis van beeldende kunst voor de architectuur. Deze verbreding was grotendeels zijn eigen initiatief. Op het gebied van de monumentenzorg verhitte hij de gemoederen met de door hem gestimuleerde combinaties van oud en nieuw; een dergelijke omgang met monumenten was betrekkelijk nieuw in Nederland.

Opschudding ontstond ook toen Quist als juryvoorzitter van de prijsvraag voor nieuwbouw van de Tweede Kamer in 1977, geen winnaar wist uit te roepen. Volgens hem was van de 111 inzendingen er niet één goed genoeg. Het is tekenend zijn uiterst kritische houding ten aanzien van het 'troosteloze' klimaat van de architectuur uit die tijd. Met deze constante nadruk op de kracht van het vak – die in zijn architectenkeuzes en in de gerealiseerde gebouwen tot uiting kwam – had hij architectuur als belangrijke culturele, maatschappelijke en volwaardige discipline op de agenda weten te houden. Deze prestatie is uitzonderlijk, gezien de weerstand tegen architectuur vanuit de bevolking en het hier op volgende stilzwijgen van het merendeel van de architecten. Tussen het vaak kritiekloze maatschappelijk engagement van architecten in die tijd, bleef hij steeds opnieuw de maatschappelijke en culturele positie van architectuur openlijk ter discussie stellen en zo de bewuste beleving hiervan bevorderen.

Tjeerd Dijkstra (1931), rijksbouwmeester 1979-1986
Tjeerd Dijkstra zette de architectonische lijn van Quist voort. Terwijl architectuur nog geruime tijd in één adem genoemd werd met ‘menselijke schaal', ‘ruimtebeleving' en ‘sociale verbanden', sprak Dijkstra over architectonische kwaliteit en de integrerende, ontwerpende rol van de architect. Met zijn heldere opvattingen en communicatieve vermogens verbreedde hij de discussie over de betekenis van het vakgebied. Op verzoek van de RGD werkte hij zijn ideeën uit in de notitie Architectonische kwaliteit (1985), die later de basis zou vormen voor de eerste architectuurnota. Deze notitie leverde een helder omschreven begrippenapparaat op en bood daarmee handvatten voor een publiek debat over architectonische kwaliteit. Dijkstra wist de door Quist ingezette inhoudelijke reflectie zo toegankelijk te maken.

Zelf had hij zich vooral ten doel gesteld om het vak van architect volledig overeind te houden. Was de architect in de jaren zeventig nog vooral dienstbaar aan bewoners, in de jaren tachtig dreigde hij door 'organisatiebegeleiders' puur tot esthetisch vormgever bestempeld te worden. Dijkstra wilde bevorderen "dat opdrachten aan architecten altijd in die zin volledige opdrachten zouden zijn dat ze niet tot esthetische plaatjes beperkt zouden blijven, maar architecten zouden uitdagen maatschappelijke verantwoordelijkheid te dragen voor hun opdracht en het vak in zijn volle breedte te beheersen" ( Bouw , 1998). Alleen zo kon de architect zijn positie binnen het bouwproces bestendigen. Dijkstra zag hierin ook een belangrijke rol voor de opdrachtgever weggelegd; deze schiep immers het programma van eisen waardoor de architect kon functioneren en diende de architect voldoende ruimte te laten. Als rijksbouwmeester gaf hij het voorbeeld door geselecteerde architecten zoveel mogelijk verantwoordelijkheid en vrijheid te geven.

Dijkstra's nadruk op kwaliteit, ontwerp en de rol van de architect was gedurfd temidden van het wantrouwen tegen architectuur en de prijsbewuste houding waar de RGD door de recessie toe werd genoodzaakt. Gewaagder nog was de inschakeling van vele jonge architectenbureaus. Hoewel de opgaven (politie- en arbeidsbureaus) zich hier goed voor leenden, bracht de keus voor jong talent ook intensievere begeleiding en risico met zich mee. Dijkstra wist hiermee wel een nieuwe generatie dichter bij overheidsarchitectuur te brengen en actief in het debat te betrekken. Volgens hem was architectuur gebaat bij pluriformiteit en constante vernieuwing. Hij noemde het ontbreken van grote visies, en daarmee van de grote versimpelingen, het 'winstpunt van dit moment'; de ontstane ongedwongenheid en discussie bood kansen.

Bij de grotere opdrachten, die nog maar mondjesmaat door de overheid werden uitgeschreven, hield Dijkstra nauwlettend in de gaten of geldgebrek niet te zeer tot kwaliteitsafname leidde. Meestal wist hij het onderste uit de kan te halen. Onder zijn begeleiding kwam onder andere het ontwerp voor de nieuwe VROM huisvesting van Jan Hoogstad tot stand. Hiermee werd het startschot gegeven voor milieuvriendelijk en energiezuinig bouwen; een nieuw terrein waarop de overheid een voorbeeldfunctie zou gaan vervullen. Ook werd een begin gemaakt met de bouw van een reeks van vijf gevangenissen, waar Dijkstra vijf verschillende architecten voor contacteerde. Deze gevangenissen waren allemaal varianten op een nieuw, laag en beheersbaar type waarbij de vleugels de binnenplaatsen omsloten. Dijkstra en later ook Kees Rijnboutt, Wytze Patijn en Jo Coenen wisten binnen de omvangrijke vraag naar gevangenissen vernieuwing en verbetering te bereiken.

Met de oprichting van de kerngroep Rijksmonumenten binnen het bureau rijksbouwmeester bestendigde Dijkstra de zorg voor monumenten in rijkshanden en gaf hij een impuls aan de herwaardering van het architectonisch erfgoed. Hiermee sloot hij aan op de hernieuwde aandacht voor de historische binnenstad en haar kwaliteiten. De binnenstad was inmiddels weer tot een geliefd woonmilieu geworden; overheidssubsidies voor stadsverbetering en stimulering van huisvesting voor verschillende huishoudens hadden hier aan bijgedragen. Maar minstens zo belangrijk was de verandering in het denken over de stad . Dit herstel viel samen met een nieuw geloof in architectuur; nu de strijd om de binnenstad en voor meer inspraak was gestreden, werd architectuur weer serieus genomen.

Dat dit mede de verdienste van Dijkstra is, staat vast. Als geen ander heeft hij architectonische kwaliteit gestimuleerd en hierover gecommuniceerd. Deze discussie over architectonische kwaliteit, de discussies met collega-architecten over de grotere opdrachten, de ontwerpprocessen met de jongere bureaus zouden zonder Dijkstra's scherpte en helderheid niet tot dergelijke resultaten geleid hebben. Zijn open en kritische blik en zijn – nu nog geroemde - schriftelijke analyses over architectuur, maken Dijkstra tot hét voorbeeld van de door Maaskant voorgestane discussieleider, analist, communicator en aanjager in één.

Kees Rijnboutt (1939), rijksbouwmeester 1989-1995
Na de geleidelijke overheidsbezuinigingen in de periode Dijkstra begin jaren tachtig en het zoeken naar een rendabeler financieringssysteem onder zijn voortijdig afgetreden opvolger Frans van Gool, kreeg Kees Rijnboutt als nieuwe rijksbouwmeester direct volop te maken met een nieuw rijkshuisvestingssysteem: het leasen van marktconforme gebouwen. Hierin was samenwerking met marktpartijen een gegeven; Rijnboutt moest met beleggers en ontwikkelaars om de tafel om voor huisvesting de benodigde middelen te krijgen. Hoewel hij wel degelijk grote invloed hield op de architectenkeuze en het uiteindelijke ontwerp, maakte de nieuwe methode de organisatie van het ontwerp- en bouwproces stukken ingewikkelder.

Rijnboutt introduceerde een systeem van workshops, waarbij alle betrokken partijen (rijksbouwmeester, gemeente, ontwikkelaar, stedenbouwkundige, architect) meerdere malen samen aan de opgave sleutelden. Eis was dat iedereen aanwezig was en beslissingsbevoegd, zodat er daadwerkelijk knopen doorgehakt konden worden. Tijdens deze bijeenkomsten waren Rijnboutts kwaliteiten als regisseur, stimulator en communicator vaak doorslaggevend. Hij wist de complexe processen feilloos in goede banen te leiden, door alle wensen samen te voegen tot een voor alle partijen optimaal compromis : "Als supervisor ben ik de dirigent die de composities van anderen moet interpreteren en uitvoeren. Mijn rol is om een stuk uitstekend te laten klinken (...). Als supervisor probeer ik als het ware de architecten op elkaars schouders te zetten om hun talenten maximaal te benutten" ( Vastgoed, 2001) . Op deze wijze kwamen grootschalige, prestigieuze projecten als de Kop van Zuid in Rotterdam en de Resident in Den Haag tot stand. Rijnboutt wist hierbij de markt te verleiden met toparchitecten uit het buitenland, die aantoonden hoe interessant en belangrijk architectuur is. Met deze commerciële truc bereikte hij dat corporaties, projectontwikkelaars en bedrijven warm liepen om in architectonische kwaliteit te investeren. Hij wist, kortom, precies hoe met de markt te communiceren.

Hoewel Rijnboutt aanvankelijk zijn twijfels had gehad bij de samenwerking met de markt, was zijn talent om zich hier over heen te zetten en de samenwerking vorm te geven zonder de greep te verliezen zeer groot. Hij toonde aan dat met sterke regie en strenge kwaliteitsbewaking, binnen deze nieuwe realiteit veel bereikt kon worden. Daarmee vormde hij een voorbeeld voor de architectengemeenschap, wiens werkterrein na de privatiseringsgolf in de jaren tachtig steeds meer door de markt bepaald werd. Behalve de architect, sprak Rijnboutt ook de opdrachtgever op zijn rol aan. Deze schepte immers de voorwaarden waaronder de architect moest werken. Een duidelijke opgave, heldere werkstructuur en de wil om architectuur te maken waren vereisten voor goed opdrachtgeverschap. De opdrachtgever moest de architect tevens voldoende vrijheid en vertrouwen geven. Om deze werkwijze en eigenschappen bij opdrachtgevers te stimuleren, stelde Rijnboutt de Bronzen Bever prijsvraag voor excellent opdrachtgeverschap in. Dit was de eerste prijs in Nederland die was gericht op de opdrachtgever en die rekening hield met de bedreigde en vaak onduidelijke rol van de architect. Het belang van versterking van deze rol en van architectuur in het algemeen werd nog eens benadrukt door de eerste architectuurnota Ruimte voor Architectuur (1991). De voorbereidingen van dit unieke initiatief waren al onder Dijkstra gestart, met diens notitie over architectonische kwaliteit. De nota onderstreepte het publieke belang van architectuur en voorzag in een aantal voorwaarden en kaders om architectuur te stimuleren en beoordelen. Rijnboutt was niet alleen nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van de nota maar gaf tevens richting aan de initiatieven die hier uit voortkwamen, zoals het Stimuleringsfonds voor Architectuur, het Nederlands Architectuurinstituut , lokale architectuurcentra en gemeentelijk architectuurbeleid.

Onder Rijnboutt verrezen naast de welbekende topprojecten, ook vele rechtbanken in het kader van het JR 120 bouwprogramma voor rechtbanken, gevangenissen en andere rechtsinstellingen. Uit deze 'gewonere' opgaven bleek Rijnboutts kwaliteit om met kleine ingrepen een groter stedelijk gebied op te waarderen. De samenwerking met marktpartijen en de huurdersrol van de Rijksgebouwendienst, noopten tot flexibele ontwerpen. Vaak werden de specifieke functies in aparte bouwdelen ondergebracht en de meer algemene functies, zoals kantoren en serviceruimten, bij elkaar geplaatst. De projecten waren hiermee niet alleen cruciale punten in de stedelijke ontwikkeling, maar in hun flexibiliteit en goede standaardkwaliteit ook bewijzen van de optimale regisseursfunctie van Rijnboutt.

Deze wist de toegenomen aandacht voor architectuur zo in te zetten dat deze niet beperkt bleef tot losse esthetische hoogtepunten, maar dat ook de stad en de openbare ruimte een rol speelden. Dat was immers de schaalsprong waarmee architectuur interessant werd en tegelijkertijd de stap die de markt nogal eens vergat. Voor Rijnboutt begon stedelijkheid pas met context, openbare ruimte, functiemenging. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de tweede architectuurnota die een jaar na Rijnboutts aftreden verscheen, De architectuur van de ruimte (1996), die schaalsprong in zich heeft: de relatie tussen architectuur en stedenbouw, infrastructuur en landschapsarchitectuur staat hierin centraal.

Opvallend is hoezeer Rijnboutts visie en vooral aandachtspunten overeenkomen met die van Maaskant: het optimaliseren van samenwerking met de markt, het verleiden van de markt tot het maken van architectuur, het beeld van de architect als uiteindelijke afhankelijke van de gegevenheden, de nadruk op het belang van goed opdrachtgeverschap. Rijnboutt heeft op al deze punten een succesvolle voorbeeldrol gespeeld. Daarmee heeft hij het spelersveld rondom, de voorwaarden voor en de (commerciële) interesse in architectuur verbeterd.

Wytze Patijn (1947), rijksbouwmeester 1995-2000
Het was Rijnboutts opvolger, Wytze Patijn, die de schaalniveaus van architectuur, stedenbouw, landschap en infrastructuur daadwerkelijk verankerde in het beleid van de betrokken ministeries. Volgens hem moesten de verschillende ruimtelijke disciplines meer samenwerken om zo tot echt goede resultaten te komen. De overheid moest daartoe de voorwaarden verbeteren. Patijn liet de betrokkenheid van overige ministeries nadrukkelijk in de grotendeels door Rijnboutt voorbereidde nota vastleggen. Speciale ontwerpplatforms zouden de ministeries bij belangrijke opgaven door middel van ontwerpend onderzoek op één lijn moeten brengen. Patijn geloofde in het probleemoplossend vermogen van het ontwerp: "Ontwerpers zijn gewend om met veel variabelen tegelijkertijd te werken (...) Ik zie ontwerpen als een belangrijk analytisch middel om allerlei vraagstukken te onderzoeken. Het kan helpen om keuzes te maken" ( De Architect, 1997).

Hoewel deze ontwerpplatforms uiteindelijk nauwelijks van de grond kwamen – alleen het HSL platform functioneerde – bleef Patijn in het concept geloven. Juist door in dergelijke ingewikkelde, maar zeer concrete opgaven tot een ontwerp te komen, vervulde de overheid haar architectonische, stedenbouwkundige en planologische voorbeeldrol. Patijn formuleerde in de derde nota Ontwerpen aan Nederland dan ook negen Grote Projecten waar met een integrale benadering aan gesleuteld moest worden. Hiertoe behoorden de restauratie en uitbreiding van het Rijksmuseum, de uitwerking van het particulier opdrachtgeverschap, de reconstructie van de zandgebieden en de ontwikkeling van een visie op de Deltametropool. Om de vijf betrokken ministeries (OC&W, VROM, LNV, V&W, EZ) ook daadwerkelijk op hun verantwoordelijkheden vast te pinnen, moest ieder project door een bewindspersoon geadopteerd worden. Deze opzet, onderzocht, vormgegeven en uitgewerkt door Patijn, lijkt vooralsnog goed te werken.

Evenals Rijnboutt onderkende Patijn het belang van cultureel opdrachtgeverschap. Hij bouwde de Bronzen Bever prijsvraag uit tot de Zeven Pyramides, voor iedere categorie (monumentenzorg, infrastructuur, landschap enz.) één. Deze verbreding zette het opdrachtgeverschap nog meer in de belangstelling. Patijn motiveerde de taak van de overheid als volgt: "Zonder overheidsverweer zouden de beunhazen, met als enige ambitie snel geld verdienen, en de verpakkers, die de architect alleen gebruiken om welstandscommissies te 'nemen' en om hun doorgaans magere standaardproducten wat 'op te leuken', veel meer schade aanrichten: zulke opdrachtgevers geven de markt immers exact wat die vraagt, in de meest kille, economische vorm" ( Pyramides 1998 ) . De eerste Vrije Pyramide (voor een excellente opdrachtgever in het algemeen) kende Patijn toe aan Dijkstra voor zijn voorbeeldige opdrachtgeverschap als rijksbouwmeester.

Patijns eigen integriteit als opdrachtgever kwam naar voren toen hij het vergevorderde ontwerpproces voor De Appelaar in Haarlem stopzette. Het ontwerp, gestart onder Rijnboutt, was volgens Patijn te pontificaal voor de historische omgeving. Hoewel er al veel was geïnvesteerd, werd de mening van Patijn als onafhankelijke kwaliteitsbewaker gevolgd. Enkele jaren later liet Patijn in de herziening van het Koninklijk Besluit over de rijksbouwmeester vastleggen dat deze 'ambtelijk onafhankelijk' was. Alleen zo kon de rijksbouwmeester kwaliteit garanderen in een context waarin anderen verantwoordelijk waren, aldus Patijn. Op zijn aanraden werd in België, waar in de jaren negentig naar Nederlands voorbeeld een Vlaamse rijksbouwmeester werd geïnstalleerd, voor eenzelfde formulering gekozen.

De onafhankelijke kwaliteitsbewaker was bovendien onontbeerlijk in de toenemende professionalisering van de Rijksgebouwendienst. In 1999 werd de RGD een agentschap dat de diverse overheidsinstanties met een systeem voorzag van verhuur van geschikte huisvesting. Daarmee moest het in staat zijn om niet alleen goede architectuur te maken, maar ook om te adviseren over bijvoorbeeld huisvestingswensen, service en onderhoud. Patijn pleitte tevens voor hergebruik binnen de RGD van de soms al tot monument bestempelde, oude rijkshuisvesting en hij legde de nadruk op duurzaamheid. De gebouwenproductie van de RGD was minder omvangrijk dan ten tijde van Rijnboutt.

Patijn onderscheidde zich vooral door zijn inzet voor de beleidsmatige integratie van architectuur, stedenbouw en ruimtelijke ordening, met het ontwerp als wondermiddel. Hij creëerde hiermee de mogelijkheid de grootschalige ruimtelijke opgaven een beeld te geven en de ontwerper zijn cruciale positie te doen hervinden. Bovendien verbreedde hij met de samenwerking van de verschillende partijen de aandacht voor de gebouwde en landschappelijke omgeving en vergrootte hij het wederzijds begrip. Zo zei hij: "Architectuur moet zich niet isoleren, anders is het gevaar groot dat Nederland alleen nog maar als een groot kunstwerk wordt opgevat. Ik stoor me aan avondwijdingsverhalen, aan verhalen met mooie doelstellingen, die nauwelijks realiteitswaarde hebben. Het gaat niet alleen om de vraag hoe we Nederland mooi kunnen houden, maar ook om het slaan van bruggen tussen de verschillende instanties die in de ruimtelijke ordening actief zijn." ( De Architect, 1997). Patijn slaagde er in om met de Grote Projecten het denken over architectuur concreet de (beleids)wereld in te brengen.

Jo Coenen (1949), rijkbouwmeester 2000-2004
Waar Patijn vooral achter de schermen initieerde en voorwaarden voor de ontwikkeling van de ruimtelijke ontwikkeling schepte, trad Jo Coenen naar buiten. Met de verhuizing van het bureau rijksbouwmeester naar de Haagse binnenstad en de oprichting van een website over de rijksbouwmeester maakte hij zijn werkzaamheden voor iedereen zichtbaar, met zijn communicatieve kwaliteiten stimuleerde hij het debat. Hij nodigde zowel vakgenoten als toevallige passanten uit om hun mening of advies te geven. Dat leidde niet zelden tot een hoop vragen: "Ik heb een jaar lang alle vragen geïnventariseerd. (...) Nu loop ik aan tegen de vraag wat ik moet doen met al die scherven, die vragen die bij mij neergelegd zijn vanuit een soort radeloosheid in de samenleving" ( De Architect , 2001) .

Het nieuwe ontwerpatelier werd dé ontmoetingsplaats en motor voor iedereen die zich met de Grote Projecten bezighield of hierin geïnteresseerd was. De organisatie ervan was opener, transparanter, minder hiërarchisch. Het ontwerp aan de opgaven werd hier door middel van maquettes en schetsen uiteengelegd. Het atelier betekende de vervolmaking van de door Patijn uitgedragen kracht van het integraal ontwerp. Coenen had van Patijn de negen Grote Projecten als opgave meegekregen en voegde hier nog een tiende, de vormgeving van bedrijventerreinen, aan toe. De schaal van de opgaven liep flink uiteen: van het individuele gebouw tot infrastructurele processen. Net als Patijn zag hij de rol van de ontwerper hierin als de samenbindende factor: "De architect is de laatste der mohikanen die in potentie integraliteit moet garanderen. De laatste. Daarom is het vak ook zo mooi" ( De Architect , 2001) .

Om toekomstige architecten te trainen in hun integrale benadering en regisseursfunctie, zette Coenen vorig jaar een proef op met een twee jaar durende postuniversitaire stage voor jonge architecten bij enkele grotere architectenbureaus. Met deze ervaring moet de architect straks beter in staat zijn een plek binnen de marktgerichte bouwprocessen te veroveren en architectuur centraal te stellen. Want: "De markt maakt nooit iets wat nutteloos is. Architectuur bestaat ook bij de gratie van schijnbare nutteloosheid. Indien je architectuur behoedt en koestert zit daarin de expressie van de beschaving". ( De Architect , 2001). Om die reden hield Coenen ook vast aan de opdrachtgeversprijs en werkte deze verder uit tot de Gouden Piramide, met jaarlijks aandacht voor projecten op respectievelijk het micro-, het meso- of het macroniveau.

Coenen beschouwde de functie van rijksbouwmeester als kwaliteitsbewaker en –behoeder als cruciaal. Hij stelde dat het goed uitoefenen van deze functie binnen de diversiteit en complexiteit van de projecten, een vrijwel onmogelijke opgave was. Er was deskundigheid nodig en die schakelde hij dan ook in. Dit kreeg vorig jaar definitief vorm in de samenstelling van een vast College van Adviseurs. Wat Coenen betreft wordt dit systeem verder uitgebouwd en worden er – naast Dirk Sijmons als Rijksadviseur voor het Landschap – meerdere rijksadviseurs benoemd. De rijksbouwmeester kan dan als aanvoerder, kwaliteitsbewaker en toezichthouder fungeren. Voor Coenen is het een logische stap naar de integrale wijze en grote schaal waarop de ontwerpopgaven van het rijk moeten worden aangepakt.

Inmiddels is een begin gemaakt de uitvoering van de Grote Projecten: zo is het bureau voor de renovatie van het Rijksmuseum gekozen (Cruz en Ortiz), is een selectie van 50 voorbeeldbedrijventerreinen gemaakt, zijn vijf kaarten Reconstructie Zandlandschappen getekend en krijgt het particulier opdrachtgeverschap steeds verder vorm. Hoewel de uiteindelijke vruchten van Coenens inspanningen pas over enkele jaren zichtbaar zullen zijn, worden de eerste resultaten geboekt. De ontwerpateliers dragen bij aan een snellere besluitvorming, dichten de kloof tussen beleid en praktijk 'op locatie' en leiden tot een hoogwaardig debat over de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Juist Coenen heeft de vakwereld en de politieke en publieke wereld zo dicht bij elkaar gebracht en het vak midden in de samenleving geplaatst. De Grote Projecten, de adviseurs en het atelier verbinden overheid, markt, theoretici en publiek: een samenhang in breedte en diepte die Maaskant wenste te stimuleren.

Hoewel Coenen inmiddels zijn functie heeft overgedragen aan Mels Crouwel, blijft hij als een Rijkscoördinator van compositie betrokken bij de ontwikkelingen in diverse steden. Coenen: "Eigenlijk kan je er niet mee stoppen. Het Rijksbouwmeesterschap is een levenstaak" ( De Volkskrant , 26 augustus 2004). Deze uitspraak is tekenend voor de verwevenheid van functie en persoon, die niet alleen bij Coenen, maar ook bij Quist, Dijkstra, Rijnboutt en Patijn aanwezig was.

De vijf
Stuk voor stuk hebben deze vijf als rijksbouwmeester de actuele ruimtelijke ontwikkelingen benoemd, impulsen gegeven, debatten ontketend en kritische kanttekeningen geplaatst. Samen hebben ze de rijksbouwmeester tot een sterke, moderne functie gemaakt. Het is dan ook de combinatie van persoonlijke aandachtspunten, worstelingen en visies van de vijf én het kritische, reflectieve en tegelijkertijd uitvoerende karakter van de functie, die Quist, Dijkstra, Rijnboutt, Patijn en Coenen vleugels heeft gegeven. Deze vijf hebben vanuit hun persoonlijke kwaliteiten de functie steeds een andere dimensie gegeven; de één meer als beleidsmaker, de ander als ontwerper en weer een ander als communicator. Daarmee hebben ze met wisselende nadruk en afhankelijk van de eisen van de tijd de rol van de ruimtelijke disciplines verhelderd en een breder bewustzijn voor architectuur gecreëerd.

Uiteraard wil de jury met deze voordracht zich ook uitspreken voor het belang van de functie van rijksbouwmeester. Een onafhankelijke kwaliteitsbewaker met aandacht voor alle facetten van het vak is onontbeerlijk om binnen de toenemende marktinvloed en complexiteit, de maatschappelijke en culturele dimensie van architectuur te waarborgen. Echter, de functie staat of valt met de persoon die hem invult. Die moet in staat zijn op het juiste moment de juiste aandachtspunten te formuleren. Quist, Dijkstra, Rijnboutt, Patijn en Coenen zijn hier optimaal in geslaagd. Zij hebben de functie ziel gegeven. Moge hun kracht, moed en visie voor de rijksbouwmeesters van de toekomst een bron van inspiratie zijn!

Jury Maaskantprijs 2004:
Margreeth de Boer (voorzitter), Frank Bijdendijk, Hubert-Jan Henket, Kees Schuyt, Anna Tilroe.

Hoewel Nederland al sinds de negentiende eeuw verschillende rijksbouwmeesters kende, veranderde de functie in 1957 pas van zelfontwerpend chef in kwaliteitsbewaker en adviseur van de Rijksgebouwendienst.

Het wordt in de tweede voortgangsrapportage positief beoordeeld.

Zie ook het artikel Rijksbouwmeester...


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 421.