kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 19 09 2016 15:59 voor het laatst bewerkt.

Saint-Denis-Basiliek

De Saint-Denis-Basiliek (Frans: Basilique de Saint-Denis) is de oorspronkelijk romaanse abdijkerk van Saint-Denis-en-France, regio Ile de France, een voorstad in het departement Seine-Saint-Denis, ten noordoosten van Parijs.
De Saint-Denis-basiliek is gewijd aan Dionysius van Parijs, tevens de patroonheilige van Frankrijk, maar vooral bekend als de begraafplaats van veel belangrijke personen en vrijwel alle Franse koningen sinds Dagobert I (7e eeuw) tot Lodewijk XVIII en van hun echtgenoten (en kinderen). De tombes vormen hoogtepunten van de Franse grafsculptuur. De meest opmerkelijke zijn o.m. die van Lodewijk XII en zijn echtgenote Anna van Bretagne die hier uit vrees voor het opgehitste gepeupel stiekem in het holst van de nacht begraven werd, die van Frans I en Claude van Frankrijk en die van Hendrik II en Catharina de Medici.

Saint-Denis zou ontstaan zijn uit een legende: De onthoofde heilige St. Dionysius zou de eerste bisschop van Parijs zijn geweest. Hij werd door paus Clemens I als missionaris naar Gallië gestuurd, maar tegen het einde van de 3de eeuw op Montmartre onthoofd. Hij nam zijn hoofd in zijn handen en begaf zich onder vroom gezang naar Saint-Denis, de plaats die hij had uitverkoren als laatste rustplaats. Boven het graf van de martelaar werd een kleine kapel (schrijn) opgericht.

Opgravingen toonden aan dat er reeds in de 5de eeuw een Merovingische kerk stond.

Koning Dagobert I (632 - 639), koning der Franken, liet een Benedictijnse abdij bouwen vlakbij de kapel waarin de graftombe van St. Dionysius zich bevond. Deze abdij zou de rijkste en beroemdste in heel Frankrijk worden en door vele pelgrims worden bezocht.

Rond 750 werd door Pepijn de Korte (714-768) begonnen met de bouw van een nieuwe kerk die werd afgebouwd door Karel de Grote (742 - 814).

Abt Suger (1080/81-1151)
In de eerste helft van de 12de eeuw was Saint-Denis als bedevaartsoord en laatste rustplaats van de Franse monarchie reeds zo belangrijk geworden, dat de abdijkerk de stroom van pelgrims op de feestdagen niet langer kon verwerken. Abbé Suger, de abt van Saint-Denis en minister van Louis VI en Louis VII en een van de belangrijkste steunpilaren voor de pas weer sterker geworden Franse monarchie, besloot tot de nieuwbouw van een kerk, die alle vroegere kerken moest overtreffen in schoonheid en rijkdom. Saint-Denis was als begraafplaats van Capetingische koningen van Nationaal belang. De schitterende architectuur kon als teken van de wereldlijke macht van de abt van Saint-Denis en als triomfantelijk symbool van het weer aan kracht gewonnen koningschap worden opgevat.

Abt Suger van Saint-Denis meende door het gebruik van artistieke rijkdom het geestelijk leven te stimuleren. De voorstellingen van de decoraties zouden het geestelijk leven kunnen verdiepen, en de bijzondere materiële kwaliteiten zouden een mystiek-anagogische functie kunnen dienen.
Het Pseude-Dionysius symbool, is een authentieke en directe uitdrukking van de goddelijke werkelijkheid, komt uit deze werkelijkheid voort. Bij Augustinus krijgt het symbool zijn betekenis van de zijde van degene die het beschouwt en ervaart. Suger en Saint-Victor hangen de laatste theorie aan. Bij Sugers kunstwerken komt het beeld op de eerste plaats, maar vormen de inscripties onmisbare sleutels tot de diepere betekenis.

1136 - 1140 West-facade
Aanvankelijk slechts als vergroting van de Karolingische kerk die hier eerst gestaan had, ontstond tussen 1136 en 1140 de westkant met de façade met de twee torens, die tot op heden onvoltooid gebleven is. In juni 1140 onderbrak Suger het werk aan de westelijke bouw en gaf hij opdracht tot de bouw van het koor, dat op 11 juni 1144 gewijd werd en als de eigenlijke geboorteplaats van de gotiek beschouwd wordt. Over de architect van dit werk, dat de maatstaven voor de sacrale architectuur opnieuw bepaalde, is niets bekend. De schepping van de gotiek die zich van hier uit over heel Europa verbreidde, wordt vaak aan de geniale en visionaire abt Suger toegeschreven. Zijn voorstellingen van de heiligende kracht van het licht verwezenlijkte hij in dit koor, dat in zijn luchtigheid en elegantie voorbeeldig werd voor de gehele Noord-Franse gotiek.

1140 - 1144 Kooromgang
In het klooster van Saint Denis bevonden zich een aantal zeer belangrijke geschriften over de hemelse hiërarchie. Eén geschrift, de lichttheorie van Pseudo-Dionysius, was gebaseerd op de gedachte 'God is Licht'. Deze theorie was van grote invloed op de bouwactiviteiten van abt Suger van Saint Denis: er moest zoveel mogelijk licht onbelemmerd de kerk kunnen binnenstromen; zeker aan de kant van het koor, waar de zon opkomt en waar de Goddelijke uitstraling iedere dag opnieuw de kwade machten van de duisternis verdrijft. Suger gaf zijn bouwmeesters daarom opdracht de ramen in het koor zo groot mogelijk te maken. Zij slaagden daarin door drie nieuwe vindingen met elkaar te combineren: het kruisribgewelf, de spitsboog en de steunberen.
De kooromgang is gebouwd in de nieuwe stijl met spitsbogen en glas-in-loodramen, waarin de nadruk ligt op verticaliteit en een hemelse lichtinval. De nieuwe bouwwijze met haar skeletstructuur maakte het mogelijk om af te zien van draagwanden en die te vervangen door hoge vensters waarvan het licht de kostbare inrichting van de kerk deed glanzen. Een dubbele zuilenrij draagt het kruisribbengewelf, dat het koor en de straalkapellen overdekt. Omdat de kooromgang en de kapellen zonder draagwanden in elkaar overgaan, werd hier een tot dusverre ongekend harmonisch en luchtig interieur gecreëerd.

Het koor, dat Suger beschouwde als het belangrijkste onderdeel van de hele onderneming, heeft alleen in de kooromgang zijn oorspronkelijke aanzien behouden. Als we naar de plattegrond kijken, herkennen we de vertrouwde elementen van het Romaanse pelgrimskoor- een absis met arcaden omringd door een kooromgang met een stralenkrans van kapellen. Maar deze elementen zijn op een opvallend nieuwe wijze toegepast; de kapellen zijn geen afzonderlijke eenheden gebleven, maar gaan in elkaar over en vormen daardoor in feite een tweede omgang, terwijl overal geribde kruisgewelven gebaseerd op de spitsboog werden toegepast (in het Romaanse pelgrimskoor had alleen de omgang een kruisgewelf. Hierdoor wordt het gehele ontwerp bijeengehouden door een nieuw soort geometrische orde, want het bestaat uit zeven identieke wigvormige eenheden, uitstralend van het centrum van de absis. Deze dubbele omgang voelen wij niet aan als een serie van afzonderlijke vertrekjes, maar als één doorlopende, zij het sterk gelede ruimte, waarvan de vorm voor ons is aangeduid door een netwerk van slanke bogen, ribben en zuilen die het gewelf ondersteunen. Dit interieur onderscheidt zich onmiddellijk van voorafgaande door de lichtheid in beide betekenissen; de architecturale vorm lijkt gracieus en bijna gewichtloos vergeleken met de massieve soliditeit van de Romaanse en de ramen zijn sterk vergroot, zodat ze niet langer slechts openingen zijn, uitgespaard in de muur; zij vullen het gehele muurvlak, waardoor de wanden bijna doorschijnend lijken.
Als we nu de plattegrond nog eens bekijken, begrijpen we wat de overmaat aan licht mogelijk maakt. De buitenwaarts gerichte druk van het gewelf wordt opgevangen door zware luchtbogen die tussen de kapellen uitsteken (in de plattegrond lijken het korte zwarte pijlen, gericht naar het centrum van de absis). Het voornaamste gewicht van de gemetselde constructie wordt daarop geconcentreerd, en dat is alleen zichtbaar aan de buitenzijde. Geen wonder dus dat het interieur zo verbazingwekkend luchtig en licht lijkt, daar wij de zwaarste elementen van het structurele skelet niet kunnen zien. Dezelfde indruk zou nog worden versterkt als we Sugers koor in zijn geheel zouden kunnen zien, want het bovendeel van de absis, uitrijzend boven de dubbele omgang, had zeer grote, hoge ramen.

De constructie van kruisribgewelven in het koor en van een kooromgang met straalkapellen wordt gezien als het beginpunt van de gotische stijl. Niet alleen het koor, maar ook de westfaçade met haar heldere verticale geleding en haar rijke plastiek zetten nieuwe accenten in de kerkelijke bouwkunst. Hoewel men de vorm van de sculpturen aan het westportaal van de St-Denis (voor zover dit aan de reconstructies kan worden beoordeeld) Romaans kan noemen, moet men de inhoud en de symboliek van het geheel ook toeschrijven aan de ideeën van Suger: de het portaal betredende gelovigen worden symbolisch van het Oude naar het Nieuwe Testament geleid. Dit idee, evenals dat van de van een (heiligen)beeld voorziene zuilen aan weerszijden van het portaal, heeft de compositie en de inhoud van vele gotische portalen voor het vervolg bepaald.

Op zondag 11 juni 1144 wordt de nieuwe kooromgang van de basiliek te Saint-Denis plechtig ingewijd. Aanwezig bij de plechtigheid zijn onder anderen de Franse koning, Lodewijk VII de Jongere, alsook de bisschoppen en aartsbisschoppen. De nieuwe stijl wekt bij de geestelijken het verlangen hun kathedralen op dezelfde manier te bouwen. Het is de geboorte van de gotiek ( zie vroeggotiek ). De nieuwe bouwstijl vond navolging in heel Frankrijk, en van daaruit veroverde de gotische bouwstijl West-Europa. De rond het midden van de 12de eeuw door abt Suger begonnen kathedraal met fraai gebeeldhouwde portalen diende ondermeer als voorbeeld voor de grotere kerken van Chartres, Senlis en Meaux.

Abt Suger heeft van het vergroten van de ingangspartij en het koorgedeelte een soort dagboek bijgehouden. Hier volgt een stukje uit dat boek:
"Tijdens de voorbereidingen waren we vooral bezorgd of het nieuwe gedeelte wel bij het oude zou passen. We piekerden en tobden waar we de marmeren, of gelijkwaardige zuilen vandaan konden halen. We zochten ernaar in verschillende verafgelegen streken. Daar we ze nergens vonden, zat er niets anders op dan ze in Rome te halen. Daar hadden we ze gezien in het paleis van keizer Diocletianus en in de thermen. Op vlotten konden ze dan via de Middellandse Zee, Het Kanaal en de bochtige Seine, naar de bouwplaats gebracht worden. Lange tijd werden we door deze zorgen gekweld. De almachtige God, die zich om onze zorgen bekommerde, liet ons, wat niemand meer voor mogelijk had gehouden, prachtige zuilen ontdekken. Bij Pontoise, in de buurt van onze landerijen, lag tegen de wand van een diep dal, een uitstekende steengroeve, die door de vlijt van mensen, die sinds de oudste tijden daar hun molenstenen haalden, ontstaan was. Tot nu toe had die steengroeve niet meer dan dat opgeleverd. Wij geloofden dat hij zijn schatten bewaard had voor dit aan God gewijde gebouw"

De bouwmeesters van Saint-Denis lieten zich vooral inspireren door de vernieuwingen die in Anglo-Normandische en Bourgondische kloosterkerken waren uitgeprobeerd. Door het consequent gebruik van schoorstelsel en luchtbogen, van spitsbogen en kruisribgewelven schiepen ze een nieuwe stijl die zich in korte tijd over heel Europa verspreidde. Het eerste gotische bouwwerk was een kloosterkerk. De nieuwe stijl zou echter vooral gebruikt worden voor de bouw van monumentale bisschopskerken of kathedralen in kleine, bloeiende stedelijke gemeenschappen.

Tijdens een halve eeuw van experimenteren werden de vroeggotische kathedralen van Noyon, Senlis, Laon en Parijs gebouwd. In 13de eeuw verrezen de kathedralen van Chartres, Reims, Amiens en Beauvais als meesterwerken van de hooggotiek of de rijpe gotiek. In de 14de eeuw werden geen monumentale kerken opgericht omdat Frankrijk leed onder de gevolgen van de Honderdjarige Oorlog (1337 - 1453) en de Zwarte Dood (1348). In de 15de eeuw bloeide de gotische droom een laatste keer op, maar de vlamgotiek verwijderde zich steeds meer van zijn oorspronkelijke inspiratie en ontaardde enigszins tot een louter dekoratieve stijl.

De nieuwbouw van de Saint-Denis-basiliek gaf uiting aan bepaalde architectonische vernieuwingen van het Ile-de-France en daarmee katalysator van een beweging die enkele jaren eerder was begonnen. Het gebruik van het ribgewelf zou een van de belangrijkste elementen van de gothische architectuur worden. De Westgevel, waar hij mee begon, stond aan begin van de evolutie van de kathedraalgevels. De constructie van het koor en omgang met straalkapellen heeft een open en licht karakter. In deze open structuur zijn ze in de totaliteit geïntegreerd. het koor had een uitzonderlijk filigraan karakter dat stevigheid aantastte. De ruimte krijgt ongewone helderheid door grote ramen en verwordt tot een open, uniforme ruimte door het verbinden van gewelven van de buitenste kooromgang met die van de kapellen waardoor een dynamisch uitzicht door het soepel lijnenspel wordt verkregen.
Conclusie:
1) apsissen met straalkapellen waren nooit op dergelijke wijze gebouwd
2) spitsbogen en kruisribgewelven waren al eerder toegepast maar nooit zo consequent dat een Romaanse bouwvorm met zware lastdragende muren getransformeerd werd in een gotische architectuur met slanke pijlers die zelf energiek opwaarts gingen
3) de bouwkundige revolutie was er meer één van nieuwe structurele verhoudingen
4) Suger slaagde erin de abdij van Saint-Denis voorgoed als religieus middelpunt te grondvesten.

De glasramen spelen een bijzondere rol in de kerkelijke symboliek. Suger meende dat alleen het allerkostbaarste goed genoeg was om God te eren. Daarom trok hij kunstenaars aan voor het vervaardigen van reliekhouders en cultusobjekten uit goud en zilver, bezet met edelstenen van onschatbare waarde. In dezelfde geest bestelde hij ook de fonkelende brandramen met hun gloeiende kleuren van rode robijnen en blauwe safieren.
Voor Suger was Het licht goddelijk. God zelf is licht; hij verleent schoonheid aan de dingen. Het genieten van aardse schoonheid is de eerste stap op weg naar het schouwen van het eeuwige licht. Maar er is meer: in Het licht maakt God zich kenbaar aan de mensen. Het licht is woord en leraar. Daarom zijn de brandramen de verkondigers van Gods heilswerking voor de mensen. Aan de donkere noordzijde van het kerkschip werden daarom voorafbeeldingen van het verlossingswerk uit het oude testament aangebracht. De lichtende zuidzijde bleef voorbehouden voor afbeeldingen uit het nieuwe testament.

Van de sculpturen en glasschilderingen zijn er uit de tijd van Suger maar weinig bewaard gebleven. Wel bewaard bleven de voorstelling van het Laatste Oordeel in het timpaan van het middenportaal en de wijze en de dwaze maagden als symbolen van de geredden en de verdoemden.

Abdij van Cîteaux: Tegen de zucht naar pracht en praal van de cluniacenzer-orde ontstond verzet. De monniken die wilden terugkeren naar de strenge regel van Sint-Benedictus stichtten een eigen klooster in Citeaux. De naar dit klooster genoemde cistercienzer-orde bouwde kerken en kloosters in een zeer sobere stijl. (bronnen: Abdij van Cîteaux)

Jeanne d' Arque zegende haar wapens in deze abdij. De koningen van Frankrijk, De Merovingers en Karolingers, werden eeuwenlang in deze abdij begraven en de kerk staat dan ook bekend als de Franse koninklijke necropolis. Op drie koningen na liggen alle heersers van Frankrijk van de 10e eeuw tot 1789 hier begraven. De kathedraal van Saint Denis, werd grotendeels verwoest tijdens de Franse Revolutie. De graven werden geopend en hun stoffelijke resten in een grote put buiten de abdij gedumpt.

Napoleon Bonaparte heropende de kerk in 1806, maar de koninklijke resten werden in hun massagraven gelaten. Na Napoleons eerste verbanning naar Elba werden de resten van Marie-Antoinette en Lodewijk XVI van Frankrijk hier begraven. De rest van de koninklijke resten konden echter niet meer afzonderlijk begraven worden en de collectie beenderen werd in de crypte achter een grote marmeren plaat met de namen van alle koningen erop begraven. Lodewijk XVIII van Frankrijk werd na zijn dood in 1824 begraven in het centrum van de crypte.

Het bouwwerk, dat helemaal vervallen was, werd begin 19e eeuw en in 1966 door Viollet-le-Duc gerestaureerd en bij de oprichting van het bisdom Saint-Denis tot kathedraal verheven.

De abdij is nu een school voor dochters van de leden van het Franse Legion of Honor.

In de kerk staat het eerste orgel van Aristide Cavaillé-Coll uit 1840, een van de belangrijkste orgels in Parijs. In 1987 werd Pierre Pincemaille benoemd tot organist-titularis van dit orgel.
(licht
Uit: GEORGES DUBY, De kathedralen-bouwers. Portret van de middeleeuwse maatschappij. 980-1420, Amsterdam/ Brussel,1984

In 1130 was de koninklijkste kerk van alle geen kathedraal maar een klooster: Saint-Denis-en-France. Sinds Dagobert hadden alle opvolgers van Clovis dit heiligdom als hun begraafplaats verkozen. In de crypte van Saint-Denis wortelde de soevereine stam van het koninkrijk dat Clovis, dank zij zijn doop en met de hulp van God, op de puinhopen van de Romeinse macht had opgebouwd. Dit was de plek waarheen de koningen van Frankrijk zich na hun zalving begaven om bij de tomben van hun voorgangers hun kroon en de waardetekenen van hun macht neer te leggen. Hier kwamen ze de oriflamme, de koninklijke banier, halen voordat ze ten strijde trokken. Hier werd gebeden voor hun overwinning, hier werd de kroniek van hun heldendaden geschreven. Rond deze maitre abbaye voegden zich de legenden aaneen die de grondstof vormden van de epische gezangen rond de heldenfiguur van Karel de Grote waarin, binnen de kring van de ridders, la douce France, haar vorsten en de glans van hun veroveringen bezongen werden. Overladen met koninklijke weldaden blonk het klooster van weelde.

In het begin van de twaalfde eeuw nam haar rijkdom onophoudelijktoe, gelijk opgaande met de bloei van de landbouw en de handel, en hield haar prestige gelijke tred met het groeiende aanzien van de koningen van Parijs. Gaandeweg verlegde het zwaartepunt van de christenheid zich van het Keizerrijk dat in vroeger tijden door de Otto's in Germanië was hersteld naar het koninkrijk van de fleur de lys, een overgang die zich op vanzelfsprekende wijze in Saint-Denis concentreerde. De nieuwe kunst die in Saint-Denis geboren werd was vóór alles de uitdrukking van die terugstromende beweging. Ze kwam voort uit de wil van één man: Suger. Deze monnik, die zelf niet van hoge adel was, was al van kindsbeen af met de koning bevriend en deze vriendschap bracht hem tot de top van de politieke macht. Als abt had hij meer dan wie ook een scherp oog voor de symbolische waarden van het klooster waarover hij de leiding op zich had genomen. Hij beschouwde die belasting als een eer, zelfs als de hoogste eer, die dan ook vroeg om grote luister. Hij was een benedictijn, maar zag zich in zijn monnikenbestaan niet geroepen tot armoede of een absolute afkeer van de wereld.

Aangezien de abdij aan de top van de aardse hiërarchie stond, diende zij in zijn ogen te schitteren in de grootste pracht, ter meerdere glorie van God. 'Laat iedereen zijn eigen mening volgen. Ik voor mij verklaar dat het mij bijzonder juist voorkomt dat het kostbaarste dat er is, vóór alles ten goede komt aan de viering van de Heilige Eucharistie. Als het bloed van bokken, kalveren en een rode vaars, naar het woord van God en het bevel van de profeet, werd opgevangen in gouden vaten, gouden fiolen en kleine gouden vijzels, hoeveel te meer dan dienen we, om het bloed van Jezus Christus te ontvangen, gebruik te maken van gouden bekers, edelstenen en alles wat in de schepping als kostbaar geldt. Zij die ons bekritiseren brengen naar voren dat een heilige ziel, een zuivere geest en een vrome intentie voor deze viering voldoende moeten zijn, en zeker, dat geven wij toe, dat is belangrijker dan wat ook. Maar toch houden we vol dat de heilige vaten ook met uiterlijke verfraaiing zijn gediend, en in de dienst van het heilig offer zelfs meer dan elders, in alle innerlijke zuiverheid, in alle uiterlijke waardigheid.'

Met het oog op deze uiterlijke waardigheid gebruikte Suger de rijkdommen van zijn klooster voor de opbouw van een schitterend kader voor de liturgie. Tussen 1135 en 1144 liet hij, ondanks alle aanvallen van de voorvechters van de totale armoede, de abdijkerk verbouwen en verfraaien; hij werkte voor de eer van God, voor die van de heilige Dionysius, maar ook voor de eer van de koningen van Frankrijk, de dode koningen die rustten in zijn kerk, en de levende koning, zijn vriend en weldoener. Hij was trots op zijn werk, dat hij beschreef in twee traktaten: Over zijn bestuur en Over de consecratie. Daardoor hebben wij een duidelijk inzicht in zijn plannen. Hij wilde in dit bouwwerk een synthese tot stand brengen van alle esthetische vernieuwingen die hij kort daarvoor op een reis door Zuid-Gallië en bij zijn bezoek aan de nieuwe kloostergebouwen daar had bewonderd. Suger ontwierp zijn basiliek vooral als een theologisch werk. Deze theologie berustte uiteraard op de geschriften van de patroonheilige van de abdij, Dionysius, die door iedereen voor Dionysius de Areopagiet gehouden werd.

De overblijfselen van de Frankische koningen rustten inderdaad in de directe nabijheid van een oorspronkelijke graftombe, waarin de christelijke martelaar van Frankrijk, Dionysius, begraven lag. Suger, al zijn monniken en alle abten die hem waren voorgegaan, identificeerden deze bekeringsheld met de leerling van Paulus, Dionysius de Areopagiet, die in de traditie ook gold als de auteur van de meest indrukwekkende mystieke constructie die het christelijk denken had voortgebracht. De in het Grieks gestelde tekst van dit werk, dat tijdens de zeer vroege middeleeuwen in het Oosten door een onbekende auteur geschreven was, werd in het klooster van Frankrijk bewaard. Het traktaat dat aan Dionysius werd toegeschreven geeft inderdaad een hiërarchisch beeld van het zichtbare en onzichtbare universum: Over de hemelse hiërarchie- Over de kerkelijke hiërarchie. Het hart van het werk wordt gevormd door de gedachte: God is licht. Aan dit oorspronkelijke, ongeschapen en scheppende licht heeft elk schepsel deel.
Ieder schepsel ontvangt de goddelijke verlichting en geeft deze door, elk naar gelang zijn vermogen, dat wil zeggen naar gelang de plaats die het inneemt binnen de rangorde van alles wat is, naar gelang het niveau waarop het door het denken van God hiërarchisch is gesitueerd. Het universum, dat is voortgekomen uit een lichtende bron, vormt een uit vele trappen bestaande waterval van licht. Het schijnsel dat uitstroomt uit het Hoogste Wezen geeft alle schepselen hun onbeweeglijke plaats, maar verenigt hen ook. Als band van liefde doorvloeit het de hele wereld en brengt daarin orde en samenhang aan. Maar omdat elk schepsel het licht ook in meer of mindere mate weerkaatst, roept deze uitstraling, via een ononderbroken stroom van weerkaatsingen, ook een omgekeerde beweging op, die ontspringt vanuit de diepten van de duisternis, een reflectiebeweging in de richting van de bron van het licht.

Op die manier mondt de lichtgevende scheppingsdaad vanzelf uit in een stapsgewijze terugkeer naar het onzichtbare en onuitsprekelijke Wezen uit wie alles voortkomt. Via de zichtbare dingen die, naarmate ze hoger in de hiërarchie staan, zijn licht steeds beter weerkaatsen, vloeit alles tot hem terug. Zo leidt het geschapene, via een scala van analogieën en concordanties, naar het ongeschapene. Door deze stuk voor stukte doen oplichten, schrijdt men voort in de kennis van God. Als absoluut licht is God in elk schepsel aanwezig, meer of minder versluierd naarmate het meer of minder weerstand biedt aan de verlichting. En zo vormt elk schepsel in zijn eigen mate een openbaring van God, omdat het aan iedereen die het met liefde beschouwt het licht vrijgeeft dat het heeft ontvangen en in zich draagt. Deze opvatting vormt de sleutel tot de nieuwe kunst, de kunst van Frankrijk, waarvoor de kloosterkerk van Suger model staat.
Een kunst van helderheid en toenemende verlichting. Het eerste dat gebouwd werd was het portaal, een voorkerk die nog terugging op de Karolingische traditie. Het was een massieve, compacte en donkere constructie, in feite niet meer dan de eerste trede, het aanvangspunt van de opgang naar het licht. Bovendien diende de ingang van het koninklijke klooster het beeld op te roepen van gezag, van soevereiniteit; en aangezien alle macht toen op wapenen steunde en de koning wezenlijk en allereerst een militaire aanvoerder was, moest dat een militair silhouet zijn, wat tot uitdrukking kwam in de twee van kantelen voorziene torens die in de facade waren opgenomen. Toch waren ook deze torens met een reeks kleine boogjes opengewerkt. Het lichtvan de ondergaande zon drong door de openingen van drie portalen diep in het gebouw door. Boven hen uit straalde een roosvenster, het eerste dat in een westerse kerk werd aangebracht; het verlichtte de drie hoge kapellen die waren gewijd aan de hemelse hiërarchie, de Maagd Maria en de heilige Michael en de engelen.

Aan het begin van de twaalfde eeuw moesten de kloosterkerken over grote aantallen kapellen kunnen beschikken, want bijna alle monniken traden nu toetot het priesterschap; ze moesten elke dag de eucharistie opdragen en daarvoor waren vele altaren nodig. De plattegrond van een kooromgang met straalvormig uitstulpende nissen werd aan Romaanse voorbeelden ontleend. Suger probeerde deze op alle mogelijke manieren doorzichtig te maken naar het daglicht. Door de structuur van de gewelven te veranderen kon hij nieuwe vensteropeningen aanbrengen, scheidingsmuren door pilaren vervangen en zo zijn droom gestalte geven, waarin de liturgische plechtigheden door de samenbindende kracht van het licht tot eenheid werden gebracht. Alle celebranten moesten door die opstelling, en meer nog door de eenheidscheppende verlichting, in een halve cirkel worden verenigd. In dat licht moesten hun simultane gebaren met elkaar versmelten, net zoals de verschillende stemmen in de volheid van het koorgezang opgingen. Badend in hetzelfde licht moesten de parallel lopende riten van de liturgie samenvloeien tot één eenstemmige viering. Een symfonie.
Op de dag van de plechtige inwijding van het koor werd de mis opgedragen,'zo feestelijk, zo innig en vreugdevol, dat hun kostelijk gezang, in zijn samenklank en harmonische eenheid, een soort symfonie vormde, eerder engelachtig dan menselijk'. Inderdaad vereerde Dionysius de Areopagiet in de eerste plaats de eenheid van het heelal. En dus moest ook de lichtinval vanaf het koor tot aan het portaal zich zonder obstakel in heel de innerlijke ruimte van de kerk kunnen verspreiden, zodat het gebouw in zijn geheel het symbool werd van de mystieke schepping. 'Opdat de schoonheid en de grootsheid van de kerk door geen enkele hindernis zou worden verduisterd' liet Suger het oksaal weghalen dat het schip als een donkere muur in tweeën deelde'. Elke afscheiding werd neergehaald, alles wat de uitstorting en terugstroom van het goddelijke licht in de weg kon staan, verdween. 'Toen het nieuwe achtergedeelte eenmaal met het voorgedeelte was verbonden, schitterde de kerk in haar nu lichtgeworden midden, want alles glanstwat op glanzende wijze met glans verbonden wordt en het edele gebouw straalde, doordrongen van het nieuwe licht


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2.