kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 06-08-2008 voor het laatst bewerkt.

Sybold van Ravesteyn

Sybold van Ravesteyn - Architect voor de Eeuwigheid

Antoni Folkers, architect en gids in deze film, schept een hommage aan van Van Ravesteyn.

Centraal Station Rotterdam

Nederlandse architect, meubel- en interieurontwerper, geboren 18 februari 1889 Rotterdam - overleden 23 november 1983 Laren (Noord-Holland).

"de meest gesloopte architect van Nederland"

Sybold van Ravesteyn leek aanvankelijk een aanhanger van het 'Nieuwe Bouwen', maar hij begon meer en meer te experimenteren met barokke krullen en andere ronde vormen. Vooral na een reis naar Rome begon hij meer en meer van het modernisme af te wijken en gebruikte hij almaar meer ornamenten en decoraties, bogen en krullen. Zijn zwierige, barokke stijl leidde tot veel controverses met zijn collega’s van het Nieuwe Bouwen. Sybold van Ravesteyn had een grote kennis van gewapend beton.

Naast zijn werk als architect bij de spoorwegen ontwierp hij bij zijn eigen architectenbureau een groot aantal zeer spraakmakende gebouwen.

Sybold van Ravesteyn was gedurende zijn gehele actieve architectenloopbaan een controversiële figuur. Zijn ondogmatische houding binnen de door diverse stromingen verdeelde architectuurwereld - zijn karakteristieke, wisselende voorkeur voor functionaliteit, monumentaliteit en zwierige decoratie - maakte hem tot een unieke figuur in de Nederlandse architectuur. Zijn afwijkende opvattingen en ontwerpen hadden een katalyserende werking binnen het heersende architectuurdebat van de jaren twintig en dertig en droegen bij aan het uit elkaar vallen van de groep functionalisten. Werkelijke invloed op de stijl van de Nederlandse architectuur had hij - zoals hij zelf ook toegaf - echter niet. Zijn architectuurtaal bleef een persoonlijk idioom. - (katholieke tijdschrift 'De Gemeenschap'.

Biografie
Sybold van Ravesteyn, geboren als Sijbold van Ravesteijn, was enig kind in een protestants, liberaal gezin. Hij groeide op aan de Westerkade van de Nieuwe Maas in Rotterdam. Van huis uit kreeg hij belangstelling voor kunst en cultuur mee. Zijn moeder was zeer muzikaal. Zijn vader die wijnhandelaar was bezocht hij geregeld tentoonstellingen. Hij was net als de communist Willem van Ravesteyn een achterneef van de historicus L.J.C.J. van Ravesteyn.

Na het HBS-eindexamen (1901-1906) te hebben afgelegd ging Sybold in 1906 civiele techniek studeren aan de Technische Hoogeschool in Delft. Naar eigen zeggen 'vanuit een gevoel van grootsheid en dynamiek van de Rotterdamse haven' (Autobiografische aantekeningen). Tijdens deze studie maakte hij niet alleen kennis met alle technische aspecten van het ingenieursvak, maar ook met bouwkundige ontwerpprincipes. Hij behaalde zijn diploma in 1912.

Na zijn studie begon hij als aspirant-adjunct-ingenieur bij de Dienst van Weg en Werken van de 'Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen' in Utrecht. Hij werk vanaf dat jaar tot maar liefst 1957 voor de spoorwegen, eerst als civiel ingenieur maar vanaf 1921 als architect.
Aanvankelijk bestond zijn taak voornamelijk uit het doorrekenen van allerlei constructies, terwijl hij daarnaast door zelfstudie zijn kennis van het toen nog nieuwe materiaal gewapend beton vergrootte.
In de jaren twintig kreeg de architectuurafdeling van de Nederlandse Spoorwegen gestalte. Samen met zijn collega Schelling was Van Ravesteyn verantwoordelijk voor het ontwerp van de stationsgebouwen. Alle stations bezuiden de lijn Hoek van Holland-Winterswijk zijn door Van Ravesteyn ontworpen; de noordelijke stations zijn van Schelling.
Van de Rotterdamse stations resteren alleen nog het nogal gehavende Station Bergweg (1960) en Station Noord (1954). Afgebroken zijn het Centraal Station en de stations Hofplein, Beurs/Blaak, Zuid en de halte Stadion Feijenoord. Verder is het Goederenkantoor Feyenoord voor de bouw van de Kop van Zuid gesloopt en is een seinhuis in IJsselmonde afgebroken. Van de fraaie functionalistische betonnen seinhuizen resteert alleen nog dat van Maastricht (1933). Ook buiten Rotterdam zijn heel wat stations gesloopt of verbouwd. Het traditionalistische stationsgebouw van Den Bosch (1952) is gesloopt en het barokke station Gouda (1949) werd ingrijpend verbouwd. Van zijn barokke periode rest nog het station van Vlissingen (1951) en van zijn monumentale Italiaanse periode nog het station van Nijmegen (1954), die echter wel verbouwd zijn.

10 augustus 1915 trad Van Ravesteyn in het huwelijk met Dora Hintzen (1893-1975), dochter van een Rotterdams bankier en politicus. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren.

Na achtereenvolgens Breda en Dordrecht als standplaats te hebben gehad, keerde hij in 1918 terug naar Utrecht om er leiding te geven aan de bouw van het door G.W. van Heukelom ontworpen nieuwe administratiekantoor van de Nederlandsche Spoorwegen.

Van Ravesteyns artistieke ontwikkeling kreeg in deze periode een krachtige impuls onder invloed van zijn zeer in kunst geïnteresseerde vrouw. In de eerste helft van de jaren twintig raakte Van Ravesteyn nauw betrokken bij de artistieke avant-garde in Utrecht. Hij begon voor eigen gebruik meubels te ontwerpen, eerst in een aan de expressionistische vormentaal Amsterdamse School verwante vormgeving en vervolgens geïnspireerd op 'De Stijl'. De eerste belangrijke ontwerpen van Van Ravesteyn waren meubelen die door de meubelfabriek labor Omnia Vincit in 1919 werden uitgevoerd.

Bij de Nederlandsche Spoorwegen vroeg Van Ravesteyn overplaatsing aan naar de afdeling Architectuur, en dit leidde in 1921 tot een aanstelling als architect. Zijn grote kennis van gewapend beton, een materiaal dat bij de spoorwegen volop in de belangstelling stond, speelde hierbij een belangrijke rol. In 1924 ontstond het eerste architectonische ontwerp van eigen hand, een goederenloods met kantoren in Arnhem, uitgevoerd in baksteen en hout.

Sybold van Ravesteyn een belangrijke plaats in. Terwijl Rietveld in 1924 aan de Utrechtse Prins Hendriklaan het Rietveld Schröderhuis bouwde, was op enkele honderden meters afstand Van Ravesteyn bezig met de herinrichting van het huis van Radermacher Schrorer aan het Wilhelminapark. Van Ravesteyn ontwierp een bed, een klerenkast, een tafel en stoelen. De meubels vallen op door een consequent doorgevoerde asymmetrische ordening van volumes, vlakken en lineaire elementen. De asymmetrie wordt nog eens onderstreept door de zwart-witte beschildering. De invloed van Rietveld en De Stijl is onmiskenbaar.

In 1925 werd Van Ravesteyn lid van 'De Gemeenschap', een vereniging van progressief-katholieke schrijvers en kunstenaars, met een gelijknamig tijdschrift, dat ook ruimte bood aan niet-katholieken. 'De mentaliteit van die groep, dat Bourgondische, dat lag me wel', aldus Van Ravesteyn later (Utrechts Nieuwsblad , 24-5-1975). In 'De Gemeenschap' schreef hij niet alleen scherpe beschouwingen over moderne architectuur, maar ook over beeldende kunst. Zijn kunstzinnige ontwikkeling kwam in deze jaren in een stroomversnelling, en hij beschreef deze periode later zelf als zijn 'kunstpuberteit' (Autobiografische aantekeningen), die hij tijdens zijn ingenieursloopbaan tot dan toe had gemist.

Met zijn ontwerpen voor de Nederlandsche Spoorwegen vanaf het midden van de jaren twintig leek Van Ravesteyn een plaats te hebben gevonden binnen het 'Nieuwe Bouwen', de architectuurstroming die - uitgaande van de begrippen licht, lucht en ruimte en met gebruikmaking van moderne materialen als glas, staal en beton - een zuiver op de functionaliteit gebaseerde bouwkunst trachtte te creëren. De architectuurstijl is over het algemeen strak en rechtlijnig en sober in het gebruik van ornamenten. De door hem in deze periode ontworpen betonnen seinhuizen en vooral het goederenkantoor 'Feijenoord' in Rotterdam (1927), met als hoofdvorm een ronde glazen ruimte, werden door de internationale functionalistische architectuurwereld lovend ontvangen.

Vooral in ontwerpen uit zijn privé-architectenpraktijk - die hij naast zijn betrekking bij de Nederlandsche Spoorwegen voerde - begon Van Ravesteyn vormen te beproeven die buiten de canon van het functionalisme vielen en waren gebaseerd op het concept van de gebogen lijn. De zoektocht naar eenvoudige ontwerpoplossingen en het gebruik van moderne technische materialen als glas en gewapend beton zag Van Ravesteyn als een onleefbare beperking. Hij gebruikte daarentegen het idioom van het modernisme, witgepleisterde wanden en chroom buizen meubelen, voor een verkenning van historische interieurindelingen en productvormen. Bij de verbouwing en inrichting van het woonhuis van de mecenas jhr. M.R. Radermacher Schorer in Utrecht (1927/28) paste Van Ravesteyn gebogen, golvende wanden toe en voorzag hij de door hem ontworpen stalen buismeubelen van sierlijke, 'onfunctionele' krullen.

Na de scheiding van zijn eerste vrouw trouwt hij op 2 april 1931 met Johanna van Geelkerken (1904-1982) - een zuster van de NSB-politicus Cornelis van Geelkerken. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Ook in zijn eigen woonhuis aan de Utrechtse Prins Hendriklaan dat hij kort na zijn huwelijk ontwierp, gebruikte hij zowel in de plattegrond, detaillering als meubels de gebogen lijn.

In 1931 kreeg Van Ravesteyn van de Nederlandsche Spoorwegen de eerste opdrachten voor de bouw van enkele stations in Zuid-Limburg: Kerkrade, Lutterade, Spekholzerheide.

Een bewijs voor zijn internationale roem als meubel- en interieurontwerper vormt het feit dat hij in 1932 een ruimte in de villa Noailles in het Zuid-Franse Hyères van een van de destijds grootste Franse architecten, Robert Mallet-Stevens, mocht ontwerpen.

In 1934 verbouwde hij het station Rotterdam Blaak, waarbij de door hem ontworpen ronde trappartij tot de nodige commotie binnen de architectenwereld leidde.

Sybold van Ravesteyn was een tijdgenoot en vriend van Rietveld. De bouwstijl van Van Ravesteyn wordt gekenmerkt door elegante gebogen lijnen en ronde vormen. Deze sierlijke lijnen vinden we ook terug in zijn mooie verchroomde armstoel uit 1935/36.

Rond het midden van de jaren dertig had Van Ravesteyn zich met zijn eigenzinnige opvattingen steeds verder van het functionalisme verwijderd. Hij erkende weliswaar het nut van een periode van experiment, purisme en bezinning, maar deze mocht volgens hem niet te lang duren; de mens had ook behoefte aan schoonheid en genot in de visuele waarneming. Grandeur, monumentaliteit en ornament vormden voor Van Ravesteyn een wezenlijk onderdeel van architectuur; 'de moderne architectuur is niet vierkant, zij leeft', schreef hij in 1935 (De Jong en Blotkamp, 65). Architectuur was voor Van Ravesteyn in de eerste plaats kunst, een mening die op gespannen voet stond met de dogma's van de functionalisten. De architectenvereniging 'De 8 en Opbouw', waarvan hij sinds 1929 lid was, had zichzelf juist 'a-aesthetisch' genoemd en daarbij een zuiver zakelijk-praktische benadering bepleit.
Toch blijven zijn ontwerpen, ondanks de gebogen lijnen en barokke ornamenten, over een verbazingwekkende functionaliteit te beschikken.

Italië had reeds lang zijn belangstelling, mede door zijn lidmaatschap van de katholieke 'Gemeenschap'. Hij had het land al eerder bezocht, maar in Rome was hij nog nooit geweest. Het werd een openbaring. Behalve een 'onhollandse liefde voor barok' (Autobiografische aantekeningen) legde hij een grote belangstelling aan de dag voor de monumentale stedenbouwkundige werken die toen door het regime van de fascistische dictator Benito Mussolini werden uitgevoerd, zoals de doorbraak naar het Sint-Pietersplein. De dynamiek van de barok werd voor hem een fundamenteel element van architectuur. 'Hoe meer het zien tot bewegen noopt, des te boeiender is het bouwwerk, zo leert de ervaring', aldus Van Ravesteyn later ('De taal der architectuur', in Bouwkundig Weekblad 68 (1950) 306).

Hoezeer Van Ravesteyns opvattingen een knuppel in het hoenderhok van de functionalisten waren, bleek nog datzelfde jaar. Een in 1936 door de architect gegeven rondleiding voor leden van 'De 8 en Opbouw' in het door hem verbouwde kantoorgebouw van Brandwaarborgmaatschappij 'Tiel-Utrecht' in Utrecht, waarin Van Ravesteyn de gebogen lijn en barokke ornamenten toepaste en waarvoor hij gekrulde stalen buismeubelen ontwierp, leidde in 1937 tot de zogeheten 'Avegoor-discussies', een speciaal georganiseerd discussieweekend over de mogelijke richting van de architectuur. Typerend voor Van Ravesteyns meer levenslustige benadering van het getheoretiseer over een toekomstige ideale architectuur was de daar door hem aan een collega-architect gestelde vraag 'of spreker er een tijdelijke of hulpschoonheid op na houdt, zolang deze abstractie nog niet bereikt is', gevolgd door zijn vraag of deze vakbroeder 'genoegen beleeft aan de rode tomaten in de groene sla op zijn dis' (De Jong en Blotkamp, 95-96). In 1938 zegde Van Ravesteyn zijn lidmaatschap van 'De 8 en Opbouw' op.

In de jaren 1937-1940 kreeg Van Ravesteyn een groot aantal opdrachten. Een blijk van erkenning van officiële zijde was de uitnodiging de inrichting te verzorgen van het koninklijk jacht 'Piet Hein' (1937), waarbij hij opnieuw gekrulde stalen buismeubelen toepaste.

Bij de vrijwel volledige verbouwing van het Centraal Station van Utrecht (1936-1940) - aanvankelijk slechts de benedenverdieping, na een brand in 1938 het gehele hoofdgebouw - creëerde hij, binnen de beperkingen van een bestaand gebouw, elegante, functionele ruimtes vol gebogen lijnen.

Ook gebouw "De Holland" aan de Burgemeester de Raadtsingel in Dordrecht werd door hem ontworpen.
Met het kantoorgebouw voor de NV Brandverzekering Maatschappij de ‘Holland van 1859’ chocqueerde hij zijn functionalistiche collega's buitengewoon. Het gebouw uit 1937-1939 lijkt buiten de realiteit te staan. De nautische sfeer krijgt vorm door een collage van bizarre details en ornamenten zoals patrijspoorten, halfronde pilasters, deegachtig rolwerk en een monumentale entreepartij. Zelfs vandaag de dag doet het gebouw de bezoeker schrikken. Voor zijn tijdgenoten was het een regelrecht schandaal. Het kantoorgebouw echt werd vlak voordat het de monumentstatus kon krijgen drastisch verbouwd tot supermarkt en wordt sinds 1987 grotendeels ingesloten door twee nieuwe hight-tech kantoorvleugels.

In 1938 ontwierp hij een neo-barokke uitbreiding voor schouwburg Kunstmin in Dordrecht. Zelf vond Van Ravesteyn de verbouwing van Theater Kunstmin in 1938-1940 zijn meest geslaagde poging om tot een versmelting te komen van het functionele met het barokke, van constructie met decoratie. Kunstmin was een massief maar onopvallend gebouw uit 1889. Van Ravesteyn richtte het interieur opnieuw in en hij bouwde er een nieuwe vleugel bij met daarin de foyer en een cafe.
Met de verbouwing en uitbreiding van schouwburg 'Kunstmin' in Dordrecht (1938-1940) ontstond het hoogtepunt van Van Ravesteyns neo-barokke architectuur. Met gebruikmaking van beton en roestvrij staal, maar ook met veel natuursteen en stucwerk, ontstond een glamourachtige ambiance. De gebogen lijn vervulde bij dit alles een onmisbare functie: 'Het is voor mij een kwestie van boetseren van de ruimte. Het is geen gril, geen frivoliteit', zou hij hierover later zeggen ( Utrechts Nieuwsblad , 24-5-1975). Dit gebouw is inmiddels gerestaureerd.

Een ander beroemd ontwerp van Van Ravesteyn is Diergaarde Blijdorp in Rotterdam (1937-1940). Van Ravesteyn is daarmee een van de weinige architecten ter wereld die een gehele dierentuin naar eigen inzicht heeft kunnen ontwerpen. Ook hier overheersen gebogen lijnen, zowel in de plattegrond van het complex als in de gebouwen. Ook zijn er veel bijzondere decoraties en kunstwerken toegepast.
Van Ravesteyn ordende het terrein door middel van een centrale as waarop hij het hoofdgebouw, de als wintertuin opgezette Rivièrahal, en een uitzichttoren plaatste. De 47 meter hoge uitkijktoren werd in 1972 gesloopt. Toen Van Ravesteyns bureau aan de Leuvehaven tijdens het bombardement was verwoest werkte hij enige tijd in de uitkijktoren.
Vanaf de as waaierden gebogen paden uit naar de verschillende weiden, een voor die tijd vooruitstrevende dierentuinopzet. De dierenverblijven kregen een op de barok geïnspireerde decorachtige vormgeving met beeldhouwwerken waarvoor Van Ravesteyn een beroep deed op verschillende kunstenaars. Onder deze vormgeving ging een dragend staalskelet schuil, bekleed met beton.

Tijdens de Duitse bezetting bleef Van Ravesteyn - zoals velen van zijn collega's - lid van de inmiddels binnen de Kultuurkamer ondergebrachte Bond van Nederlandsche Architecten (BNA), omdat hij anders niet als architect werkzaam kon blijven. Ook accepteerde Van Ravesteyn, die zichzelf qua maatschappelijk engagement altijd als neutraal omschreef, in 1940 de opdracht van de Nederlandsche Spoorwegen voor de inrichting van een salonrijtuig voor de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied, A. Seyss-Inquart. Toch kwam hij nog tijdens de oorlog tot andere inzichten. Het feit dat hij een tijd ondergedoken heeft gezeten en zijn in 1945 uitgevoerde ontwerp voor een verzetsmonument in Benschop, dat hij samen met Jo Uiterwaal had ontworpen, getuigen van een verzet tegen de Duitse bezetting.
In 1946 werd hij vanwege zijn aangehouden lidmaatschap van de BNA officieel schriftelijk berispt, overigens zonder consequenties.

Na de bevrijding bouwde en verbouwde Van Ravesteyn een groot aantal spoorwegstations, waaronder dat van Roosendaal (1949), Vlissingen (1950), 's-Hertogenbosch (1952) en Nijmegen (1954). Hierbij paste hij een meer traditionele baksteenstijl toe, die verwant was aan die van de op dat moment populaire Delftse School. Wat bleef waren een aan de klassieke architectuur ontleende geleding, ornamentiek en beeldversiering. Kenmerkend voor deze ontwerpen is de stedenbouwkundige opzet, met grote aandacht voor pleinvorming en de proportionering van het stationsgebouw, vaak met een toren als gezichtsbepalend element.

Bij de bouw van het Centraal Station in Rotterdam (1950-1957) greep Van Ravesteyn uiteindelijk - op aandringen van de gemeente Rotterdam, die een modern stationsgebouw verlangde - terug op het functionalisme. Het eerste ontwerp had nog een klassieke opzet gehad, met een centraal geplaatste toren. Hij ontwierp het stationsgebouw als de afsluitende, gebogen wand van het ervoor liggende plein en liet zien in verschillende onderdelen, zoals de hal, de gevelgeleding en het materiaalgebruik, geïnspireerd te zijn door moderne Italiaanse stationsarchitectuur, die hij eerder op een dienstreis had bestudeerd. Wat hem in de Italiaanse architectuur vooral aansprak, was het vermogen tot 'een greep, vrij van aarzeling, die - in grootheid - het vanzelfsprekend kunstwerk schept' ('Nieuwe stations in Italië', in Forum 6 (1951) 86).

De Grote Schouwburg aan het Zuidplein (1946-1954) van zijn hand is in de jaren zeventig fors verbouwd door Henk Klunder (1975-1978) (vormgeving. Van de vele benzinestations voor Purfina resteren er nog twee, waarvan die in Arnhem (1957) inmiddels is gerestaureerd als jong monument.

Zijn laatste uitgevoerde werk betrof het stationspostkantoor in Nijmegen (1964).

In 1981 verhuisde Van Ravesteyn met zijn vrouw naar het Rosa-Spierhuis in Laren, waar hij twee jaar later op 94-jarige leeftijd overleed.

Websites: www.inghist.nl en www.bonas.nl

© ING - Den Haag. Bronvermelding: Han Timmer, 'Ravesteijn, Sijbold van (1889-1983)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn5/ravesteijn [13-03-2008]


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 991.