kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Abt Suger

Abt Suger van Saint Denis (Chennevrières, 1080 of 1081 - Saint-Denis, 13 januari 1151) was een Frans geestelijke, architect, politicus en geschiedkundige.

Abt Suger was geschiedschrijver en raadgever van Lodewijk VI en raadsheer van Lodewijk VII, gezant bij het pauselijk hof en regent gedurende de deelname van de koning aan de kruistochten. De niet-militaire regeringstaken liet Lodewijk VI na 1125 over aan abt Suger. Hij had zelfs enige tijd als vervanger van de Franse koning de feitelijke macht in Frankrijk. Bovendien is de abt bevriend met Bernard de Clairvaux, en weet een goede band te smeden tussen de monnikenorde en de koning. Een groot stuk van zijn bekendheid heeft Suger te danken aan het feit dat hij de kerk van Saint-Denis in de gotische stijl liet herbouwen en hiermee één van de grondleggers was van deze vernieuwende en zeer invloedrijke kunststroming.

Suger werd in 1080 of misschien 1081 geboren in het Ile-de-France, niet ver van Roissy. Hij stamde uit een familie van grote herenboeren waarvan enkele leden ook ridder waren. Op tienjarige leeftijd werd hij door zijn vader naar de abdij van Saint-Denis gestuurd om er als oblaat opgenomen te worden. Het belangrijke klooster van St. Denis was vele eeuwen lang de koninklijke abdij en de begraafplaats van de heilige Dionysius en de Franse koningen. Hij studeerde er, werd monnik en werkte in het abdijarchief, klom dan op tot proost, eerst van Berneval in Normandië en in 1109 van Toury in de Beauce.

In 1122 werd hij ten slotte door het kapittel tot abt van de Benedictijnerabdij Saint-Denis verkozen. Abt Suger was een erudiet man. Dankzij zijn kennis van de (belasting)regels van de abdij werd deze erg rijk. Dankzij zijn kennis over efficiëntere landbouwmethoden van de Romeinen werd de abdij nog rijker.

Ook las Suger over het Christelijk Koningschap en wou dit samen met Lodewijk VI op kosten van het abdij met een leger realiseren. Er komt een huwelijk ter uitbreiding van de macht: op aandringen van Suger trouwt Lodewijk VII met Eleonora Van Aquitanië.

In de Gesta (=daden) Ludovici Grossi [Vita Ludovici Grossi regis] beschrijft Suger de daden van koning Lodewijk VI van Frankrijk. Het werk is voor een deel schatplichtig aan de traditionele literatuur van heiligenlevens, maar zonder de hagiografische bril, en voor een deel aan de vorstenspiegels, maar zonder de didactische of spirituele bekommernis. Suger wist ook goed waarover hij schreef, want hij kende Lodewijk VI al van jongs af aan. Als jonge prins werd Lodewijk namelijk gevormd in de abdij van Saint-Denis en later kruiste zijn pad dikwijls dat van Suger. En als abt van Saint-Denis werd hij ook in grote mate betrokken bij belangrijke staatszaken.
Suger had een grote waardering voor Lodewijk VI. Volgens hem beantwoordde deze koning perfect aan de hoge deugden die van hem verwacht werden. Hij trad op als verdediger van zijn koninkrijk, de Kerk, de armen en de zwakken. Suger ziet hem vooral als een rex Francorum in de traditie van Karel de Grote en Lodewijk de Vrome, hoewel zijn echte macht zich slechts beperkte tot het kleine kroondomein waarover hij beschikte. Maar met Lodewijk VI kende Frankrijk ook een keerpunt, want na eeuwenlange feodale desintegratie breekt met hem de tijd aan waarin de koninklijke macht langzaam maar zeker toenam.
Lodewijk VI stierf in 1137 en enkele jaren later trok Suger zich terug uit het koninklijke hof. Hij ging zich rond 1140 toeleggen op de verbouwingen van zijn abdij en op het schrijven. Misschien schreef Suger deze gesta als uitbreiding bij zijn lessen of kwamen zijn lessen juist uit deze gesta. Een passage impliceert dat hij het werk schreef na 1143. Kort daarna verschijnen immers ook de eerste verwijzingen naar dit werk.
(Abt Suger heeft opvallende uitspraken gedaan over esthetische kwaliteiten. Zo spoorde hij de mensen aan om niet het goud en de juwelen in de kerk te bewonderen, maar het 'vakmanschap'. Wellicht is dit een weerspiegeling van de kijk van de 'gewone burger'. De nadruk lag op de eer aan god en inspiratie tot geestelijke meditatie en op die basis werden de sculpturen beoordeeld, behalve dan door een kleine minderheid.

Suger ontwikkelde zijn architectuuropvatting vanuit de Griekse filosofie en Griekse cultuur. Hij ontwikkelde een theorie naar aanleiding van de theologie van Dionysius dat je van het aardse naar het hemelse kon overgaan. Zijn idee: door het materiële (de kerk) het immateriële (Gods koninkrijk) weerspiegelen.

In de stad Sens had Suger een nieuwe kerk gezien met hogere muren en spitse bogen, waardoor er ook grote ramen gebruikt konden worden… Meteen wilde Suger ook zoiets, maar nog hoger en gedurfder. Zijn rijke abdij had het geld en de middelen om zo'n geweldig project redelijk snel uit te voeren. Toen de kerk af was, nodigde Suger heel wat mensen uit voor de inhuldiging: de koning en de koningin en alle bisschoppen en aartsbisschoppen van heel Frankrijk. Toen die gezien hadden wat Suger bereikt had, keerden ze naar hun eigen steden terug met maar één verlangen: ook zo'n kathedraal in hun stad bouwen!

De onder zijn leiding en volgens zijn ideeën uitgevoerde verbouwing van het koor van de abdijkerk van Saint Denis geldt als het begin van de gotiek in de kerk. Zijn opvatting was dat door middel van materiële schoonheid en stralend licht mensen ontvankelijker werden gemaakt voor de geestelijke glorie van het Goddelijke.

Wie gij ook zijt, wanneer gij er naar streeft dit portaal te roemen
Verwonder u niet over het goud en de weelde maar over de inspanning van het werk
Het werk schittert edel, maar het werk dat edel schittert
Moge de geesten verlichten opdat zij ingaan door de ware lichten
Tot het ware licht, waar Christus de ware poort is
Hoe het binnen is, geeft dit gouden portaal aan
De zwakke geest verheft zich tot het ware door het stoffelijke
En vol verlangen verheft hij zich door het licht uit zijn verdorvenheid

Uit: Vers bestemd voor het portaal van de kathedraal van Saint Denis

Daar waar wij God offers moeten brengen met goud en kostbare stenen
Wijd ik, Suger, dit vaatwerk aan de Heer.

Uit: Opschrift van een kelk in de kathedraal van Saint Denis

Suger schreef een verhandeling, waarin hij verslag uitbracht over de gebeurtenissen onder zijn beheer zoals de verbouwing van het koor van St. Denis. (zie koor
In hetzelfde jaar, opgemonterd door een zo heilig en gelukbrengend werk, haastten wij ons een begin te maken met de bouw van de ruimte der goddelijke verzoening in het hoge koor, waar het altijd durende en druk vereerde Offerlam van onze Verlossing geofferd moest worden, in afzondering en stilte, ver van de drukte der massa. En zoals men in onze verhandeling over de inwijding van deze hoogst gelegen bouw kan vinden, zijn wij genadig waardig bevonden - want God hielp en begunstigde ons en onze bemoeiingen - samen met onze broeders en mededienaren een zo heilig, zo schitterend bouwwerk tot een goed einde te brengen; wij voelen ons des te meer verplicht aan God en de heilige martelaren daar Hij, door zo een langdurig uitstel, wat gedaan moest worden aan onze generatie en aan onze inspanningen heeft voorbehouden. Want wie ben ik, of welk is mijn vaders huis, dat ik het aandurfde de bouw te beginnen van een zo groots en bekoorlijk gebouw, of mocht hopen het te voltooien, als ik niet, vertrouwend op de barmhartigheid van de Goddelijke genade en de steun van de heilige martelaren, mijzelf volledig met geest en lichaam uitgerekend op deze taak had toegelegd? Maar Hij, die de potentie het te willen gaf, gaf tevens de kracht het te kunnen; en omdat het goede werk Zijn wil was, kon het volbracht worden met Zijn hulp.
Hoe zeer echter de Goddelijke hand, in dergelijke zaken werkzaam, dit glorieuze gebouw beschermd heeft, daarvan is dit ook een zeker bewijs dat hij in drie jaar en drie maanden dit hele prachtige gebouw, zowel van de lager gelegen crypte tot de hoger gelegen verhevenheid der gewelven, dat door de afwisseling van zoveel bogen en zuilen een gevariëerde aanblik biedt, liet voltooien, zelfs de voltooiing van het dak.
Daarom geeft de inscriptie van de voorgaande inwijding, met de weglating van slechts één woord, ook het jaar van de voltooiing hiervan aan als volgt:

'Het was het Een Duizend, Een Honderd en Vier en Veertigste jaar van het Woord, toen dit gebouw werd ingewijd'.

Wij kozen ook deze verzen uit om toegevoegd te worden aan de verzen van de inscriptie:
Terwijl men aan d'aloude gevel een nieuw koor verbindt,
Straalt het midden van het heiligdom in al zijn schittering,
Wat men zo schitterend verenigt, weerkaatst in schittering,
En een nieuw licht overstroomt het nobele gebouw.
Ik, Suger, heb in mijn tijd dit gebouw vergroot,
Onder mijn leiding heeft men het gedaan.

Verlangend om mijn succes te laten voortduren, aangezien ik niets meer wenste onder deze hemel dan het nastreven van de eer van mijn moederkerk, die mij met moederlijke liefde gezoogd had als kind, mij gesteund had als struikelende jongeman, als volwassene gesterkt had en die mij plechtig tussen de prinsen van kerk en koninkrijk plaatste, wijdden wij ons zelf aan de voltooiing van het werk en spanden ons in om de vleugels van het transept van de kerk te verhogen en te vergroten tot de vorm, waarmee het vroegere en het latere gebouw samengevoegd moest worden.
Uit: SUGER, Liber Sugerii Abbatis Sancti Dionysii De rebus in administratione sua gestis (over de tot stand gebrachte zaken tijdens zijn beheer)

Niet iedereen was het met Sugers opvattingen eens. Zijn grote tegenspeler was Bernard van Clairvaux, de abt van Cïteaux, die tegen de pracht en praal van de kerkelijke bouwkunst ten strijde trok.

Over de heilige kunst
'Maar deze misbruiken zijn niet het ergst. Ik ga over tot andere, die slechts geringer lijken omdat ze gewoonte zijn geworden. Ik spreek niet over de hoog opgebouwde kapellen, hun overgrote breedte, de rijke versiering en de te opvallende schilderingen die de aandacht trekken, maar de vrome gevoelens verstoren en mij herinneren aan de oude gebruiken in de joodse synagoge. Ik geloof wel dat men dit meent te doen ter ere van God, maar in mijn kwaliteit van monnik stel ik aan andere monniken de vraag die een heiden aan andere heidenen stelde: 'Zegt mij, priesters, waartoe dient het goud in de heiligdommen?' En ik zeg u, armen van Jezus Christus (want ik houd mij niet aan de maat van het vers, maar aan de zin), zegt mij, als ge dan werkelijk armen zift, waartoe dient het goud in uw kerk?
(...)
En eerlijk gezegd, is het niet hebzucht, een vorm van afgoderij, die ons tot dit alles brengt? We hechten aan de gave die men ons schenkt, meer dan aan de vrucht die ze moet opleveren. Vraagt ge mij hoe dat komt, dan zeg ik dat het bij verrassing geschiedt. Er bestaat een zekere handigheid om geld uit te strooien waardoor het vermeerdert; men besteedt het om meer te krijgen en verkwisting schept overvloed. De aanblik van die verbazende ijdelheid en rijkdom wekt de mensen meer op om aan God geld te offeren dan gebeden. Zo trekken rijkdommen rijkdommen tot zich, en geld trekt geld aan. Ik weet niet hoe het komt dat, hoe meer schatten men ziet, men des te meer geneigd is de zijne te offeren. De ogen genieten bij het aanschouwen van relieken in goud, en men doet meteen zijn beurs open; ziet men een mooi schilderij van een heilige man of vrouw, dan acht men het des te heiliger naarmate het de ogen streelt en men wil het kussen; men vraagt om een gift en bewondert meer de schoonheid dan dat men de heiligheid eert van een schildering of reliekschrijn. En in de kerk hangt men geen kronen op, maar raderen vol juwelen met lampen eromheen, die feller schitteren door de fonkelende edelstenen. En in plaats van kandelaars ziet men grote bomen van brons, enorm zwaar en wonderbaarlijk bewerkt, waaraan de lichten niet sterker stralen dan de kostbare stenen die ze opluisteren.

Uit: BERNARD VAN CLAIRVAUX Apologia ad Guillelmum Ed. Alsatia, Parijs 1953

Suger had zich in zijn boek al tegen deze opvattingen verweerd. Om een aanval voor te zijn schreef Suger die ook de functie van minister vervulde en die een tomeloze hartstocht had voor rijkdom en schittering, een brief aan de strenge kerkhervormer Bernard van Clairvaux, die alle overbodige luxe wilde verbannen.
XXXIII
Laat iedereen handelen overeenkomstig zijn eigen opvattingen. Wat mijzelf betreft, ik verklaar, dat het mij altijd volkomen juist heeft geleken, dat alles wat mooi is boven alles dienstbaar gemaakt moet worden aan de viering van de Eucharistie (viering van de mis). Als naar het woord van God en het bevel van de profeet gouden schalen, gouden fiolen en kleine gouden schotels moesten worden gebruikt om het bloed van bokken of kalveren of rode vaarzen op te vangen, hoeveel te meer dient men dan niet, om het bloed van Jezus Christus te ontvangen, gebruik te maken van het gouden vaatwerk, edelgesteente en alles wat men in de schepping voor kostbaar houdt. (...)
Zij, die onze opvattingen hekelen (Suger denkt hier nog steeds aan Bernardus), werpen hiertegen op, dat bij de viering van de Eucharistie een reine ziel, een zuivere geest en een trouwe bedoeling volstaan. Ongetwijfeld zijn wij het daar geheel mee eens. Maar wij houden staande, dat men ook door middel van de uitwendige sier van de heilige vaten eer moet brengen en nergens zo zeer als juist bij het heilig misoffer, in algehele inwendige reinheid, in algehele uitwendige adel.
Wij hebben het hoofdaltaar helemaal laten inbouwen door aan ieder zijde (van het bestaande altaar) gouden panelen aan te brengen en door er een vierde, die nog kostbaarder was, aan toe te voegen, zodat het altaar nu rondom helemaal van goud is. Terwijl ik mij uit zwakheid en kleinmoedigheid had voorgenomen voor het (kleinere) altaar (op het graf van Saint Denis) een gouden retabel van bescheiden afmetingen te plaatsen, voorzagen de heilige martelaren zelf ons van zoveel goud en edelstenen als men zelfs bij koningen ternauwernood zou aantreffen, alsof ze ons met hun eigen monden wilden zeggen: Of je het nu wilt of niet, wij willen in ieder geval het mooiste dat er te krijgen is. (..) Wij hebben een porfieren vaas geschikt gemaakt voor gebruik op het altaar, een bewonderenswaardige prestatie van de hand van beeldhouwer en polijster, door haar van de amfoor die zij eerst was, met goud en zilver om te vormen tot een adelaar. Wij hebben ons weten te verzekeren van een kostbare kelk, die van een massieve sardonyx was vervaardigd en van nog een ander stuk vaatwerk, vervaardigd van dezelfde stof, maar in een andere vorm, die gelijkt op een amfoor en nog een andere die schittert als beril of kristal. (...) Wij willen niet stilzwijgend voorbijgaan aan een vermakelijk maar opmerkelijk wonder dat God hier voor ons gedaan heeft.
Toen ik door gebrek aan edelstenen moest ophouden en niet in de mogelijkheid verkeerde er voldoende van aan te schaffen (hun zeldzaamheid maakt ze erg duur), komen me daar monniken van drie abdijen ons kleine, bij de kerk gelegen kamertje binnen en bieden ons een overvloed van edelstenen te koop aan: amethisten, saffieren, robijnen, smaragden, topazen, kortom zoveel als ik niet kon hopen in tien jaar bijeen te kunnen brengen. Zij hadden ze als aalmoes van graaf Thibaud gekregen. (...)
Wij dankten God, omdat we nu bevrijd waren van de zorg van het zoeken naar edelstenen, en gaven hun er vierhonderd pond voor in de plaats, hoewel ze meer waard waren. En niet alleen deze, maar nog tal van andere paarlen en edelstenen dienden in overvloed om dit heilige sierstuk te vervolmaken. Als ik me goed herinner, heb ik ongeveer 80 mark zuiver goud gebruikt. In nauwelijks twee jaar tijds konden we door verscheidene, nu eens vijf dan weer zeven goudsmeden uit Lotharingen het voetstuk laten afwerken met de beeltenissen van de vier evangelisten en de zuil waarop het heilige beeld is aangebracht buitengewoon fijnzinnig laten emailleren en de geschiedenis van de Verlosser laten aanbrengen met tekeningen van allegorische figuren uit het Oude Testament en de dood des Heren op het bovenste kapiteel.

Uit: SUGER, Liber Sugerii Abbatis Sancti Dionysii, De rebus in administratione sua gestis (over de tot stand gebrachte zaken tijdens zijn beheer)
Suger aan Bernard van Clairvaux, ca 1127/8. in: E. Panofsky, Abbot Suger, Princeton, 1946

In de middeleeuwen bestond er een groot verschil in opvattingen tussen de voorstanders van grote soberheid zoals Bernard van Clairvaux en hun opponenten die in schoonheid Gods hand zien. Suger hoort duidelijk bij deze laatsten.
De lieflijkheid van de vele kleurige stenen, ontsproten aan mijn verrukking over de schoonheid van Gods huis, haalde mij uit mijn uiterlijke zorgen. Eer innerlijke meditatie bewoog mij de verscheidenheid der heilige deugden te overdenken, doordat ik materie betrok op het niet-materiële. Zo scheen het mij als zag ik mij verwijlen in een wonderlijk gebied van het heelal dat noch geheel in de modder der aarde bestaat noch in de zuiverheid van de hemel; en dat ik dankzij de goddelijke genade van deze nederige naar die hogere wereld op een mystieke wijze verplaatst kan worden.
Uit. Abt Suger van Saint Denis, Liber de administratione XXXIII. (bron: kerk van Saint Denis liet Suger deze tekst beitelen:
Terwijl men aan d'aloude gevel een nieuw koor verbindt Straalt het midden van het heiligdom in al zijn schittering. Wat men zo schitterend verenigt, weerkaatst in schittering. En een nieuw licht overstroomt het grootse werk. Ik, Suger, heb in mijn tijd dit gebouw vergroot, Onder mijn leiding heeft men het gedaan.

Bronnen:
Saint-Denis-Basiliek


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1786.