kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 29 11 2016 11:17 voor het laatst bewerkt.

Antonio Gramsci

Antonio Gramsci (Ales, Sardinië, 22 januari 1891 – Rome, 27 april 1937) was een Italiaans schrijver, politicus en politiek theoreticus.

Gramsci was mede-oprichter en eerste leider van de Communistische Partij van Italië (Partito Comunista Italiano, PCI). Door zijn theorieën over de rol van cultuur en leiderschap in de politieke strijd geldt hij als een origineel en invloedrijk denker, zowel binnen als buiten de marxistische leer.

Politieke theorie
Gramsci bekritiseerde het economisch determinisme zoals dat aan het eind van de 19e eeuw in de socialistische beweging had postgevat: de heersende gedachte was dat de economische onderbouw van het kapitalisme vanzelf zou instorten en een structurele verandering in de politieke "bovenbouw" mogelijk zou maken en de arbeiders aan de macht zou helpen. Hoewel ook Lenin al tegen dit economisme ageerde, keerde het na zijn dood terug in het marxisme-leninisme.

Volgens Gramsci leidde een dergelijke gedachtegang tot een gevaarlijk passieve houding bij de arbeidersbeweging. Een onvermogen om praktisch op te treden had het uiteenvallen van de Tweede Internationale veroorzaakt. Recenter, in 1919-20, hadden de Italiaanse socialisten verzuimd de arbeiders voor zich te winnen, terwijl dit de fascisten wel gelukt was met als gevolg de machtsovername van Mussolini.

Tegenover het economisme stelde Gramsci zijn theorie van de politieke praxis. Deze leunt op o.a. het denken van Machiavelli. Gramsci is de theoreticus van de bovenbouw. Hij ontwikkelde concepten rond hegemonie, basis en superstructuren (bovenbouw) en organische intellectuelen. Gramsci is nooit aan systematiseren van zijn werk toegekomen maar uit zijn hele denken blijkt ook duidelijk dat hij niet in een systeembenadering geloofde. Het marxisme, opgevat als filosofie van de praxis is onverenigbaar met een verstrakt, allesomvattend systeem. Gramsci’s belangstelling voor strikt economische problemen is vrijwel nihil; hij dringt wel voortdurend aan op concrete structuuranalyses maar waar hij die zelf uitvoert verplaatst zijn belangstelling zich al gauw naar het bovenbouwmoment. Die nadruk op de actieve betekenis van het bovenbouwmoment is zeker groter dan in het marxistische denken in zijn tijd gebruikelijk was.

Hoewel Gramsci soms als 'verlicht sociaaldemocraat' wordt beschouwd vanwege zijn culturele interpretatie van de begrippen klassenstrijd en revolutie, bleef hij altijd leninist (Visser 1978). Het leninisme gaat ervan uit dat de arbeiders veel sneller tot een revolutie kunnen komen met de leiding van een zogenaamde voorhoedepartij (ook wel avant-garde genoemd). Deze voorhoedepartij moest bestaan uit zo veel mogelijk "geavanceerde arbeiders" (arbeiders die klassenbewust en zeer strijdbaar waren) aangevuld met professionele revolutionairen (intellectuelen), die voltijds bezig zijn met het organiseren en klassenbewust maken van arbeiders, en die na de revolutie de dictatuur van het proletariaat uitvoeren dat wil zeggen de maatschappelijke verhouding van arbeidersklasse en heersende klasse omdraaien - met de steun van het proletariaat.

Jeugd
Antonio Gramsci werd geboren als de vierde van zeven kinderen in een gezin van Albanese afkomst  (de naam is afgeleid van Gramsh) wiens voorvaderen in 1821 waren geëmigreerd naar Italië. In 1897, na de arrestatie en gevangenzetting van vader Francesco, verhuisde het gezin naar Ghilarza, eveneens op Sardinië, waar de jonge Antonio naar school ging. De jonge Antonio gaf al vroeg blijk van een grote interesse in literatuur maar moest op 11-jarige leeftijd gaan werken om het gezin mede te onderhouden. Hij leerde in zijn vrije tijd, en toen hij later naar school terugkeerde stond hij bekend als een zeer begaafd leerling.

Via zijn broer Gennaro, die hem vanuit Turijn socialistische bladen als Avanti! ("Voorwaarts!") toezond, raakte Gramsci rond 1905 bekend met linkse politiek. Op het lyceum in Cagliari kwam Gramsci in aanraking met leden van de arbeidersbeweging.

In 1911 kon hij met een beurs letterkunde gaan studeren aan de Universiteit van Turijn.

Na zijn studie richt Gramsci in 1919 samen met onder anderen Palmiro Togliatti het tijdschrift L'Ordine Nuovo ("de nieuwe orde") op. De mensen achter dit blad gingen in 1921 op in de Communistische Partij van Italië (PCI), waarvan Gramsci de eerste leider werd. Later zou hij ook een belangrijke rol in de Comintern spelen.

In 1924 richtte Gramsci het communistische dagblad L'Unità op, en in datzelfde jaar werd hij lid van het Italiaanse parlement namens de provincie Veneto. In het parlement houdt Gramsci slechts één toespraak, tegen Mussolini's verbod op 'geheime organisaties' (tegenstanders van het fascistische regime).

In 1926 schreef Gramsci een brief aan de Comintern naar aanleiding van de vaste greep over deze organisatie die Stalin kreeg. Hierin verwierp hij oppositie binnen de comintern maar gaf ook aan welke fouten Stalin volgens hem maakte. Togliatti, partijvertegenwoordiger van de Italiaanse communisten, opende en las de brief, waarop hij besloot de brief niet af te leveren. Hierdoor is er een jarenlang conflict ontstaan tussen Togliatti en Gramsci.

Ondanks zijn parlementaire onschendbaarheid werd Gramsci op 8 november 1926 gearresteerd en door een fascistisch tribunaal veroordeeld tot vijf jaar ballingschap in een gevangenenkolonie op het eiland Ustica. Deze ballingschap, die slechts tot februari duurde, werd gevolgd door een veroordeling van 20 jaar gevangenisstraf met de woorden: 'We moeten dit brein twintig jaar lang verhinderen om te functioneren'. Het verblijf in de gevangenis had een dusdanige slechte invloed op zijn gezondheid dat Gramsci kort na zijn vrijlating in 1937, wat o.a. mogelijk werd door een internationale actie die voor hem gevoerd was, in een ziekenhuis te Rome overleed aan een hersenbloeding.

Quaderni del Carcere - culturele hegemonie
In gevangenschap schreef hij zijn bekendste werk, de Quaderni del Carcere ("Gevangenisgeschriften") over culturele hegemonie, bestaande uit 30 naar buiten gesmokkelde notitieboekjes die Gramsci in de gevangenis heeft volgeschreven.

Karl Marx schreef al over het "valse bewustzijn" waaronder arbeiders in het kapitalisme leden: religie en nationalisme vertroebelden hun klassenbewustzijn, het inzicht dat zij worden uitgebuit en onderdrukt. Gramsci was ontevreden met Marx' analyse, die voor hem niet kon verklaren waarom de klassenstrijd zo langzaam voortschreed. De opkomst van het fascisme als vals bewustzijn bij uitstek, leidde Gramsci tot de theorie van de culturele hegemonie. Volgens deze theorie worden ideologisch wenselijke sociale patronen door de heersende klasse door middel van cultuur dominant gemaakt. Door dit systeem van culturele waarden worden revolutionairen steeds verder buiten de orde geplaatst.

De term hegemonie was eerder gebruikt door Plechanov om het leiderschap aan te duiden dat de arbeidersklasse in een coalitie met de andere onderdrukte groepen (met name de boeren) moest uitoefenen in de burgerlijke revolutie, de omverwerping van het tsaristische regime (die uiteindelijk in 1905 uitbrak). Ook Lenin was van deze noodzaak overtuigd.

Waar hegemonie bij Plechanov en Lenin slechts een organisatorisch middel is voor de arbeidersklasse, wordt het bij Gramsci een analytisch concept. Voortbouwend op Croce maakt hij onderscheid tussen de civiele maatschappij (società civile) en de politieke (società politica). De bourgeoisie oefent in een kapitalistisch systeem niet alleen politieke, economische en militaire/politionele overheersing uit, maar ook civiel, intellectueel en moreel leiderschap, oftewel hegemonie. Deze hegemonie is vóór en tijdens, maar ook na de revolutie nodig om de instemming van de meerderheid te verkrijgen en zo steviger in het zadel te zitten. Wil het proletariaat zijn eigen revolutie bewerkstelligen, dan moet het op dezelfde manier hegemonie verkrijgen.

Hieruit vallen bepaalde voorwaarden af te leiden voor iedere culturele beweging die tracht het alledaagse denken en de oude wereldbeschouwingen in het algemeen te vervangen: 1. nooit ophouden de eigen argumenten te herhalen (de literaire vorm ervan moet gevarieerd worden); herhaling is het meest efficiënte didactische middel om de volksmentaliteit te beïnvloeden; 2. onophoudelijk alle krachten inzetten om steeds bredere lagen van de bevolking intellectueel een hoger peil te doen bereiken, om de vormloze massa vorm te geven, d.w.z. bijdragen aan het ontstaan van intellectuele elites van een nieuw type die direct uit de massa voortkomen en tegelijkertijd het contact met die massa behouden om zo de ‘pijlers’ te worden waarop het geheel steunt. Deze tweede voorwaarde wijzigt, als er aan voldaan wordt, werkelijk het ‘ideologische panorama’ van een tijdperk.

Hegemonie wordt niet zomaar afgedwongen: om haar te verkrijgen moet een klasse andere sociale groepen in haar strijd betrekken (voor of tegen de heersende orde), en daarvoor moeten politieke compromissen gesloten worden om tot een nationaal belang te komen. Dit levert een sterke nuancering op in het beeld van de klassenstrijd, die zo centraal is in al het marxistisch denken.

Ideologie
Ideologie is voor Gramsci niet een onderdeel van de (economisch gedetermineerde) bovenbouw van de samenleving, maar een materiële, bepalende factor. Ideologie in deze zin is niet een door één denker of stroming bedacht waardenstelsel, maar een psychologisch noodzakelijk "cement" dat de maatschappelijke verhoudingen in stand houdt. Ideologie is ingebed in de cultuur in de breedste zin van het woord, in de maatschappelijke gedragingen van mensen en in hun 'gezond verstand'. Het marxisme moet volgens Gramsci een kritiek van dit paradoxale, vertekende verstand zijn, met als doel een 'goed verstand' over te houden. Om de overgang van kapitalisme naar socialisme te maken, moet er een 'intellectuele en morele hervorming' plaatsvinden, waarbij een nieuwe ideologie wordt gevormd die de belangen van verschillende onderdrukte groepen uitdrukt.

Passieve revolutie
Zich afvragend waarom grote revoluties zo zeldzaam waren, kwam Gramsci op het concept van de passieve revolutie: een revolutie die door de staat, en niet door de leden van een bepaalde klasse uitgevoerd wordt. Als voorbeeld hiervan noemt Gramsci het Risorgimento, de Italiaanse eenwording, die weliswaar gedeeltelijk door nationalistische strijders uitgevochten werd, maar voornamelijk door het leger en de diplomatie van het koninkrijk Sardinië-Piëmont, en niet door de mobilisatie van boeren die op landhervorming zonnen. De passieve revolutie is volgens Gramsci het geëigende instrument van heersende klassen om een wankelende hegemonie opnieuw te schragen in een nieuw nationaal belang.

Invloed
Gramsci's theorie van culturele hegemonie ligt aan de grondslag van de hegemoniale stabiliteitstheorie van de internationale betrekkingen, die tegenwoordig voornamelijk door liberalen wordt aangehangen.

Gramsci's theorieën hadden een grote invloed op het eurocommunisme, de marxistische filosofie in Joegoslavië en op latere denkers als Louis Althusser, Edward Said en Pier Paolo Pasolini.

Ook nieuwrechtse denkers zoals Alain de Benoist beroepen zich wat betreft de theorie van de culturele hegemonie op Gramsci.

Bovenstaand srtikel is uit onderstaande artikelen samengesteld:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Antonio_Gramsci
http://www.marxistsfr.org/nederlands/gramsci/index.htm
http://www.vonk.org/Theorie/de-revolutionaire-ideeen-van-antonio-gramsci.html


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 45.