kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 02 02 2017 18:27 voor het laatst bewerkt.

Arthur Schopenhauer

Duits wijsgeer, die geldt als de klassieke vertegenwoordiger van het pessimisme.

Arthur Schopenhauer werd op 22 februari 1788 geboren in de vrijstaat Danzig (nu Gdánsk). Zijn vader, Heinrich Floris Schopenhauer, was een rijke, kosmopolitische koopman met republikeinse sympathieën. Hij las Rousseau en Voltaire, had een abonnement op de Times en had een diepe bewondering voor alles wat Engels was en voor de Engelse democratie in het bijzonder. Hij stond te boek als streng en onkreukbaar, maar neigde ook tot driftaanvallen en tot hypochondrische somberheid. Zijn vrouw, Johanna Trosiener, was twintig jaar jonger dan hij. Het huwelijk tussen hen was geschikt en in de loop der tijd werd het van gemiddeld tot chagrijnig en treurig. Terwijl Heinrich Floris zaken deed, verveelde de mondaine, wat wufte Johanna zich stierlijk in hun idyllische buitenhuis. De geboorte van Arthur verlichtte haar leven even, maar al snel werd ze weer verzwolgen door verveling en eenzaamheid.

'Ik heb van mijn vader de angst geërfd die ik vervloek (...) en bestrijd met alle wilskracht die ik heb', zou Schopenhauer later in zijn geheime dagboek krabbelen. Over zijn moeder schreef hij heel wat zuurder: 'Terwijl mijn vader ziek en ellendig aan zijn stoel was gekluisterd, gaf mevrouw mijn moeder partijtjes - terwijl hij bittere pijnen leed en zonder de liefdevolle toewijding van een oude bediende zou zijn verkommerd van eenzaamheid, was zij zich aan het amuseren: dat is wat je noemt vrouwenliefde.'
De slechte relatie met zijn moeder was, zo wordt vaak verklaard, de wortel van de vrouwenhaat die Schopenhauer bijvoorbeeld etaleerde in zijn Parerga und Paralipomena. Daarin staan - vermakelijke - venijnigheden als: 'Het korte, smalschouderige, breedheupige, kortbenige geslacht het schone te noemen, daartoe was alleen het door de geslachtsdrift benevelde mannelijke verstand in staat.' Maar hoezeer Schopenhauer zijn moeder ook minachtte en een domme gans noemde, dom was ze niet. Ze werd door tijdgenoten zelfs de Duitse Madame de Staël genoemd. Na de dood van zijn vader publiceerde ze twintig romans en was ze zelfs een tijd de succesvolste schrijfster van Duitsland. Ze woonde toen in Weimar waar ze een salon hield, met Goethe als trouwe gast.

In 1797, toen hij negen jaar oud was, reisde hij met zijn vader naar Parijs. Hij bleef vervolgens twee jaar bij een bevriende koopmansfamilie in Le Havre om Frans te leren. In 1797 werd ook zijn zuster Adele geboren.

Terug in Hamburg - de familie was verhuisd omdat Danzig werd bedreigd door een Pruisische invasie - werd Schopenhauer naar een chique handelsschool gestuurd. Zijn vader had een toekomst als koopman voor hem uitgetekend; zelf wilde Schopenhauer liever naar het gymnasium om geleerde te kunnen worden.
Zijn vader stelde hem toen voor een onmogelijke keuze. Hij mocht of onmiddellijk naar het gymnasium en vervolgens naar de universiteit, of hij mocht zijn ouders begeleiden op een plezierreis van een paar jaar door Europa, maar dan moest hij bij terugkomst wel in de leer bij een vooraanstaand koopman.

Schopenhauer bezweek voor de verleiding van de grand tour - een keuze waar hij nog lang mee zou worstelen. Toch was de reis, die van 3 mei 1803 tot 25 augustus 1804 duurde en door Nederland, Engeland, Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk voerde, vooral voor zijn ontwikkeling als filosoof van belang. Hij zag de galeislaven in Toulon en zag wat gevangenschap was. Maar als gevangenschap een universeel gegeven is waar je ook zelf deel aan hebt, hoe kun je dat dan zien? Schopenhauer geloofde niet in een hemel van waaruit je het menselijk schouwspel kunt observeren, maar in zijn latere filosofie beschreef hij wel de mogelijkheid van een goddelijke extase zonder God: de wil kan zich tegen zichzelf keren en alleen oog worden. Zij is dan niet meer, zij ziet alleen.

Het alleen oog zijn, dat wat Schopenhauer later het 'wereldoog' noemde, ervoer hij ook tijdens de grote reis, en wel tijdens het bergbeklimmen. Vanaf de top van de berg zag hij niet meer de chaos van de wereld, de veelheid van kleine, afgescheiden objecten, maar één groot kleurrijk beeld, 'de eeuwige herhaling en de eeuwige afwisseling van bergen en valleien, bossen en weiden en steden en dorpen'.

Terug in Hamburg moest Schopenhauer bij een koopman in de leer, maar toen zijn vader niet lang daarna zelfmoord pleegde - hij maakte een dodelijke val in een van zijn pakhuizen - kon hij van zijn belofte afzien. Hij had daar wel gewetensproblemen mee en gaf pas de brui aan het koopmanschap toen zijn moeder hem daartoe aanspoorde: 'Ik weet wat het is om een leven te leiden dat in tegenspraak is met je diepste natuur, en als dat mogelijk is hoop ik (...) dat die ellende je bespaard blijft.'

Schopenhauer volgde zijn eigen wens door in enkele jaren het gymnasiumprogramma in te halen en aan de universiteiten van Göttingen en Berlijn filosofische en filologische vakken, maar ook chemie, fysica, astronomie en andere vakken te volgen.

Schopenhauer diende vervolgens even in de vrijheidsoorlog maar keerde al snel terug naar Weimar. Hier haalde Goethe hem naar zich toe. In 1813 promoveerde Schopenhauer op zijn geschrift 'Over de viervoudige wortel van de stelling van de toereikende grond.' Zijn proefschrift schreef Schopenhauer, op de vlucht voor de legers van Napoleon en het patriottisme van zijn medestudenten, in een dorpsherberg in Rudolstadt.

In het huis van zijn moeder was hij niet welkom. Toen zijn moeder zijn dissertatie, 'uber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde', onder ogen kreeg, zei ze venijnig dat het boek vast iets voor apothekers was. 'Het zal nog steeds gelezen worden', antwoordde Schopenhauer, 'als er van jouw boeken nauwelijks meer een exemplaar in een rommelwinkel te vinden is.' Het was kort voor een definitieve breuk tussen moeder en zoon. Na de nodige stampvoetende ruzies en een vinnige correspondentie zou Schopenhauer zijn moeder nooit meer zien.

Schopenhauer verhuisde naar Dresden waar hij vier jaar verbleef. Hier schreef hij 'Over het zien en de kleuren' (1816) en zijn hoofdwerk 'De wereld als wil en voorstelling' (1819).

Schopenhauer vergeleek de menselijke maatschappij ooit met een mand vol stekelvarkens die wegens de kou bij elkaar kruipen, maar dit niet kunnen doen zonder elkaar te steken. Die vergelijking gaat zeker op voor de verhouding tot zijn moeder. Schopenhauer was dan ook in het geheel niet salonfähig. In gezelschap deed hij bars de ene na de andere dwarse uitspraak. Hij was humeurig, ongeduldig, drammerig en zwartgallig en tot in het absurde overtuigd van zijn eigen genie.

Toen hij in 1819 als 31-jarige zijn hoofdwerk 'Die Welt als Wille und Vorstellung' af had, wist hij zeker dat hij het wereldraadsel had opgelost. En ook al werd het imposante boek met een oorverdovend stilzwijgen onthaald, hij twijfelde er geen moment aan dat alleen zijn wereldbeschouwing waar was. Zijn beroemde wijsgerige tijdgenoten Fichte, Schelling en bovenal de didactische geweldenaar Hegel onthaalde hij op bijtende schimpscheuten. Schelling maakte zich volgens hem schuldig aan 'schaamteloze plompe sofismen', Fichte kwam uitte 'bedaarlijke nonsens' en 'krankzinnig gebabbel' en Hegel was 'een charlatan'. Hun filosofie ontaardde in 'Windbeutelei', pure speculatie die met de empirische werkelijkheid niets van doen had.

Schopenhauer was zelfs zo vermetel zich in het hol van de leeuw te wagen: hij ging in 1920 colleges geven in Berlijn, aan de universiteit van Schelling en Hegel, en hield zijn lessen precies op het zelfde tijdstip als Hegel. Door zijn zelfverzekerde en agressieve houding vooral ten opzichte van Georg Wilhelm Friedrich Hegel kreeg hij nauwelijks toehoorders, zodat hij in 1831 bij de cholera-epidemie Berlijn verliet om er nooit meer terug te keren.

Schopenhauer heeft heel lang op zijn gelijk moeten wachten. Na twee reizen naar Italië, het docentschap in Berlijn, een rumoerige verhouding met een lichtzinnige toneelspeelster en een slepende procedure die een naaister tegen hem had aangespannen (hij had haar driftig uit zijn voorhuis verwijderd en bij haar val op straat had zij haar rechterarm zodanig verwond dat die bleef trillen) vestigde hij zich in 1833 in Frankfurt am Main.

Hij zou zich in Frankfurt tot 'een onverbeterlijke kleinburger in geest en persoon' ontwikkelen. Tijdens de revolutionaire rellen in 1848 leende hij schielijk zijn toneelkijker aan de officieren die zijn huis binnendrongen om op de rebellen te schieten. Hij was, conform zijn pessimistische filosofie, wars van elk vooruitgangsdenken en revolutionair optimisme.

Pas toen Schopenhauer in 1850 zijn Parerga und Paralipomena het licht deed zien, begon zijn werk het publiek te bereiken. Hij kreeg zowaar volgelingen die hij zonder spot discipelen en apostelen noemde. Een positieve kritiek in de Westminster Review van de tweede druk van 'Die Welt als Wille und Vorstellung' in 1853 deed de rest: via Engeland werd Schopenhauer ook wereldberoemd in Duitsland.

Zo'n drie jaar heeft Schopenhauer van zijn roem kunnen genieten. Op 21 september 1860 stierf hij rustig in zijn stoel. Zijn filosofie was misschien, als we Eduard Hirschmann mogen geloven, het kind van zijn leven; hij werd niet zelf de verzinnebeelding van zijn filosofie. De blinde wil die ook door zijn lichaam joeg, bracht hij niet tot zwijgen. Hij had het niet in zich om de geresigneerde Boeddha van Frankfurt te worden, zijn hele leven bleef hij een koppige, onmogelijke eenzaat die hevig kon lijden onder zijn eenzaamheid maar tegelijk het gezelschap van stekelvarkens vermeed.

===============================================================================

Schopenhauers denken speelde zich af in dialoog met Kant en stond sterk onder invloed van de Indische filosofie. De titel van zijn hoofdwerk geeft de kern van zijn gedachten al weer: De wereld is wil en voorstelling.

De wereld als voorstelling, is niets anders dan de leer van Kant, die zegt dat alle dingen ons slechts als verschijnselen gegeven zijn. Dit is in principe dezelfde waarheid die Plato uitdrukt in zijn vergelijking van de grot. Ook is het de waarheid die uitgedrukt wordt in de Indische veda's: De zichtbare wereld is slechts een schijn zonder wezen, een illusie.

Dat de wereld voorstelling is, is een onweerlegbaar feit. Het is echter eenzijdig haar echter aleen maar als voorstelling te beschouwen. Dit gaat tegen al ons gevoel in. Kant ontkende de metafysica, maar Schopenhauer doet dit niet. Schopenhauer verstaat onder metafysica ook niet de wetenschap van alles van datgene wat buiten alle mogelijkheid van ervaring ligt. Schopenhauer zegt dat de uiterlijke en innerlijke ervaring op het juiste punt verbonden moeten worden.

Van buiten af kan het wezen der dingen nooit benaderd worden, men komt slechts tot namen en beelden. De enige plaats die toegang geeft tot het innerlijke wezen van de wereld ligt in onszelf, in het individu. Aan het individu is zijn lichaam op twee verschillende wijzen gegeven: Als voorstelling temidden van de andere objecten in de causale samenhang van alle verschijnselen, maar ook op een geheel andere wijze: Als dat aan elk ogenblik bekende iets, dat door het woord wil wordt aangeduid. De wilsdaad en de lichamelijke activiteit zijn hetzelfde. Het lichaam is de in ruimte en tijd geobjectiveerde wil.

Deze wil openbaart zich in onszelf en anderen als een blinde en onredelijke drift tot voortbestaan ondanks het feit dat het leven voornamelijk lijden is. Een verlossende uitweg uit dit lijden biedt slechts het opheffen van de eigen wil, waartoe de mens in staat is in de ethiek en in de kunst. Ook het boeddhisme kent dit afzien van de wil.

Tussen de wil en de voorstelling staan de ideeën, die Schopenhauer min of meer in de geest van Plato opvatte als modellen waarnaar de wil zich richt bij het doorlopen van de verschillende stadia in zijn ontwikkeling van anorganische natuur tot de mens. De ideeën zijn bovenindividueel en onvergankelijk en missen dus de beperktheid van de voorstelling, terwijl ze anderzijds niet 'willen' en dus het egoïsme van de wil ontberen.

Op de aanschouwing van de ideeën berust volgens Schopenhauer de werking van de kunst en het schone. Ware kunst is altijd afbeelding van de idee. Uitzondering vormt de muziek, die, aangezien ze geheel voorstellingsloos is, volledig onafhankelijk is van de wereld van de schijn en dus boven alle andere kunsten verheven: zij is afbeelding van de wil zelf.

In de mens komt de wil tot bewustzijn. Bijgevolg kan alleen de mens een keuze maken tussen een bevestiging en een ontkenning van de wil, tussen het egoïsme en het ascetisme dat de wereld als schijn doorziet. Alleen het laatste begrijpt werkelijk dat het ik, het individu, niets is en offert het individu dan ook op. Willen echter betekent niet-bevredigd zijn. Leven is willen; willen is lijden. dat is in het kort Schopenhauers pessimisme. Niet het geluk is het positieve, het werkelijke, maar de smart. het geluk kan slechts bestaan in tijdelijk vergeten dat we er zijn. het beste zou zijn niet te bestaan.

Wie hierin een pleidooi voor zelfmoord leest, aldus Schopenhauer, doet dat ten onrechte. Zelfmoord immers treft slechts het individu, dat schijn is, nog afgezien van het feit dat de zelfmoordenaar alleen de smart niet wil, maar eigenlijk wil leven. Zelfmoord is zinloos volgens Schopenhauer, omdat de wil zich terstond een nieuwe belichaming schept. Hij gelooft dus in een vorm van reincarnatie. Hier is ook duidelijk de Indische invloed op Schopenhauer te zien.

De wil bedient zich uitsluitend van het individu als een instrument en heeft als enig object de soort. De ontkenning van de wil culmineert dan ook in de vrijwillige en absolute seksuele onthouding, die consequent doorgevoerd, de ondergang van de soort ten gevolge moet hebben.

De geslachtsliefde is dus, als men het van een andere kant bekijkt, de meest voltooide manifestatie van de wil. Deze 'metafysica van de geslachtsliefde', een uniek verschijnsel in de geschiedenis van de filosofie, beschouwde Schopenhauer niet ten onrechte als een van zijn meest oorspronkelijke bijdragen aan de wijsbegeerte. Het blinde, irrationele wrede karakter van de wil vindt in de geslachtsdaad zijn hoogste bevestiging. Ook hier bedient de wil zich van de illusies van het individu ten einde zichzelf in de soort te verwezenlijken.

Schopenhauer meende dat het 'Ding an sich', het wezen van de wereld, bepaald kon worden. Als individu maakt de mens, zo stelde hij, immers deel uit van de wereld en is hij dus niet gedoemd de wereld slechts als voorstelling te kennen. Hij doorschouwt haar van binnenuit door de intuïtie van 'het meest innerlijke van zijn wezen', de wil.

Uit deze gedachtegang blijkt dat volgens Schopenhauer de wereld bestaat als voorstelling en als wil, zoals ook de titel van zijn hoofdwerk aangeeft. De wereld als wil mag echter niet geïdentificeerd worden met de wil van het individu. Deze is immers onderworpen aan ruimte, tijd en causaliteit, waarvan Kant heeft beweerd dat ze subjectief zijn en dus tot de wereld als voorstelling behoren.

De wereld als 'Ding an sich', als wil, is echter ontheven van die subjectiviteit en heeft als kenmerken:
1. dat ze in al haar manifestaties, die zich uitstrekken van de zwaartekracht tot de met bewustzijn gepaard gaande menselijke wil, altijd zichzelf gelijk blijft.
2. dat ze onvergankelijk is, zodat alle dood en vernietiging schijn is.
3. dat ze vrij is, terwijl de individuele wil, als behorend tot de wereld als voorstelling, absoluut gedetermineerd is.

zie Groene Amsterdammer, Een eenzaam stekelvarken, Xandra Schutte


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 38.