kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 03-01-2016 voor het laatst bewerkt.

begijnen

Begijnen en begarden

Begijnen en begarden zijn resp. vrouwen en mannen die leven als alleenstaanden en deel uitmaken van een soort vrije lekengemeenschap binnen de Rooms-katholieke Kerk.

Anders dan een lid van een kloosterorde leggen begijnen en begarden geen eeuwige geloften af; hoewel zij kuisheid beloven, mogen zij wel geldelijk en onroerend eigendom behouden. Door sommigen wordt de term begijn ook (spottend) gebruikt voor "vrome vrouw" of kwezel (Zuid-Nederlands = overdreven vroom iemand).

Hun patroonheilige is de Heilige Begga. Het woord 'begijn' zou afgeleid zijn van deze naam. Andere bronnen zeggen echter dat 'begijn' afkomstig is van de kleur van hun pijen: beige. Nog andere bronnen zeggen dat het woord afkomstig zou zijn van Albigenzen. Ook wordt wel verondersteld dat de term 'begijn' is afgeleid van de stam begg die zou duiden op mompelen, stamelen (vgl. het Franse bègue= stamelaar). In deze opvatting is een begijn een vrouw die voortdurend gebeden prevelt.

Dit artikel behandelt in eerste instantie de begijnen.

11e eeuw
In de Lage Landen ontstonden de eerste begijnhoven, als infrastructuur voor een nieuw spiritueel samenwerkingsverband, op instigatie en inspiratie van ‘heilige vrouwen’, zo noteerde augustijner biograaf van Maria van Oignies, Jacob van Vitry in 1215. Zij ‘wijdden zich aan hun hemelse bruidegom’, en hij haastte zich eraan toe te voegen dat zij ‘de vleselijke verlokkingen de rug toe keerden en de rijkdommen van de wereld verachtten’.

Als gevolg van de Gregoriaanse hervormingen ontstonden in geheel West-Europa spontane en georganiseerde religieuze bewegingen. Omstreeks de 11e eeuw waren er bewegingen die een terugkeer naar de oorsprong van de kerk zoals beschreven in het Nieuwe Testament en de Handelingen van de Apostelen voor ogen hadden.

Het streven van deze Apostolieken was een leven in eenvoud, armoede en kuisheid uit protest tegen een geestelijkheid die openlijk samenleefde met concubines en geen aandacht meer had voor hun parochianen.

12e eeuw en 13e eeuw
Het waren vooraanstaande vrouwen, de gravinnen Johanna en Margaretha van Vlaanderen die ook begijnhoven stichtten in Gent (1234), Valenciennes (1239), Kortrijk (1242), Rijsel (1244-45) en Douai (1245).

Onder invloed van vernieuwende figuren als Sint-Norbertus en later Sint-Franciscus, die boetebeleving en armoede predikten, kwam er een verdieping van het geloofsleven en verkreeg de geloofsbeleving een nieuw en menselijk karakter. Als gevolg daarvan trof men in het Westen in de loop van de 12e eeuw meer en meer vrouwen aan die alleen of in kleine groepen, thuis bij hun familie of in aparte huizen leefden. Men verkoos om teruggetrokken van de wereld in zelfgekozen armoede ter heiliging, een vroom en kuis leven te leiden. Men trof deze religieuze vrouwen aan over geheel West-Europa van Scandinavië tot in Spanje. Hun naam evolueerde van "vrome vrouwen" naar religieuze vrouwen die in de volksmond de spotnaam "begijnen" kregen met een ketterse bijgedachte. In de aanvang van de 13e eeuw deelden de zogenoemde begijnen die naam met een hele reeks van ketterse bewegingen zoals Albigenzen, Vrije geesten en andere. In sommige groepen begijnen zullen wellicht ook wel verwante ideeën hebben geleefd.

De kerk bekeek deze groep, die steeds groter werd en door zijn onafhankelijkheid ontsnapte aan de controle van de geestelijkheid, met grote argwaan. Sommige geestelijken zagen dat het volk in zijn vraag naar een andere kerk behoefte had aan geestelijke begeleiding; Lambertus li Bege, een priester uit het Luikse, vertaalde voor deze vrouwen het leven van de heilige Agnes en delen uit de Handelingen van de Apostelen. Toen paus Innocentius III in 1216 instemde met de nieuwe beweging stelde men in de daarop volgende jaren een grote bloei en verspreiding vast. Omstreeks 1240 konden de eerste vormen van een georganiseerde beweging onderscheiden worden, die zich langzaam van de naam "Begijn" gingen bedienen zonder nog de bijgedachte aan ketterse praktijken met zich te nemen.

In de Lage Landen in de buurt van Nijvel en Oignies in Brabant en in het Luikse ontstonden de eerste kernen van samenlevende groepen religieuze vrouwen onder de naam Begijnen. Maria van Oignies, Ida van Leuven en anderen begijnen werden door toenmalige geestelijken en het volk als bijna-heiligen beschouwd.

De nieuw ontstane gemeenschappen van vrome vrouwen of mulieres religiosae leefden eerst verspreid in de stad maar naderhand bij voorkeur in de nabijheid van een kerk of een kapel en onderhielden zichzelf door inkomsten uit eigen arbeid. Na verloop van tijd nam hun aantal toe en zij groepeerden zich in de eerste conventen, veelal rond hospitalen en leprozerijen. De beweging concentreerde zich aan het einde van de 13e eeuw voornamelijk in het noorden van Frankrijk, Vlaanderen, Brabant, Luik, de Rijnstreek in Duitsland van Keulen tot Bazel en in mindere mate Italië en Zuid-Frankrijk.

14e eeuw
In 1311 trof de kerk op het concilie van Vienne maatregelen tegen wat genoemd werd de ketterse bewegingen in begijnse kringen. De bewegingen waren weliswaar religieus, maar niet aangesloten bij de officiële kerk, vandaar dat ze als ketters beschouwd werden. De getroffen besluiten werden nooit omgezet in maatregelen behalve in Duitsland en Frankrijk, maar de bisschoppen in de Lage Landen verdedigden het orthodoxe van de begijnen in hun bisdommen, waardoor ze van de verschillende pausen vrijstellingen verkregen en ze hun gemeenschappen verder konden uitbreiden.

In de praktijk kwam het erop neer dat alleen nog begijnen geduld werden die zich vrijwillig samenvoegden in conventen of begijnhoven onder leiding van kloosterlingen of een priester. De begijnhoven werden door een muur omgeven en tussen zonsondergang en zonsopgang van de buitenwereld afgesloten. De begijnen leefden er een godvruchtig leven met alle dagen het volgen van de heilige mis, luisteren naar de preek, gebedsstonden en het lezen van de psalmen in het goddelijk officie indien mogelijk. Bovendien baden zij reeds vroeg de Mariale devotie van de rozenkrans. De begijnen stelden zich onder leiding van een grootmeesteres en gehoorzaamden aan de statuten die door de bisschoppen werden goedgekeurd.

In tegenstelling tot kloosterzusters, die eeuwige geloften aflegden, verklaarden de begijnen alleen maar voor een bepaalde tijd sober, in kuisheid en van hun eigen vermogen of verdiensten te zullen leven. Ze waren vrij om uit te treden om te huwen waarbij ze zes weken voor de huwelijksvoltrekking het begijnhof moesten verlaten. Het begijnhof bevatte jonge meisjes, ongehuwde vrouwen van alle leeftijden en weduwen. Jonge meisjes werden aan de begijnen toevertrouwd om er onderwijs te krijgen.

15e eeuw
De beweging groeide zelfs zover dat ze in de 15e eeuw in bepaalde steden tussen 2 en 5% van de totale bevolking uitmaakte, en sommige begijnhoven als Keulen, Mechelen, Gent en andere telden op hun hoogtepunt tot meer dan 2000 begijnen.

Recente geschiedenis
In de loop van de verdere geschiedenis kende de begijnenbeweging door de vervolgingen in het zuiden van Europa, Zwitserland en Duitsland een grote terugloop om tegen het einde van de 18e eeuw nog vrijwel alleen in de Nederlanden voor te komen. 13 begijnhoven in Vlaanderen maken sedert 1998 deel uit van het werelderfgoed van de UNESCO. Toentertijd kon men nog uitzonderlijk een bejaard begijntje aantreffen.

Nadat op 23 mei 2008 de bijna 100-jarige Marcella Van Hoecke (geboren in 1908), grootjuffrouw van het klein Begijnhof te Gent, overleden is, rest er wereldwijd nog slechts één begijn: Marcella Pattyn (geboren in 1920), begijn in het begijnhof te Kortrijk (nu verblijvend in rusthuis Sint-Jozef in Kortrijk).


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Begijnen_en_begarden
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 69.