kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 02-01-2016 voor het laatst bewerkt.

biedermeier

Biedermeier (1815-1848)

Stroming in de literatuur en de beeldende kunst, die zich in de jaren 1815-1848 hoofdzakelijk in Duitsland en Oostenrijk ontwikkelde. Het werk werd gekenmerkt door burgerlijke zelfgenoegzaamheid, conformisme en een afkeer van uitersten.

Een bekende fantasiefiguur uit de 19e-eeuwse satire, Gottlieb Biedermeier, was een standaardtype van de bezadigde, degelijke, hypocriete burgerman. Hij gaf zijn naam aan een stroming in de beeldende kunst en literatuur, die, vooral in Oostenrijk en Duitsland, toonaangevend was voor de periode 1815-1848. De biedermeierperiode viel samen met de Restauratie in Duitsland en Oostenrijk, in politiek opzicht een conservatieve tijd. Dit conservatisme uitte zich in literatuur, mode, interieur- en schilderkunst. Het werd gekenmerkt door knusse tevredenheid, zin voor orde, afkeer van het avontuur, liefde voor het kleine, het uit de weg gaan van politieke en religieuze problemen, een gevoel van verbondenheid met de natuur en een vergaand conformisme.

Voor de beeldende kunst was de biedermeierperiode een voortzetting van het neoclassicisme van de empire in een vereenvoudigde vorm. In de literatuur vormde deze stroming de overgang van Romantiek naar realisme.

Ook in andere landen werd de stijl wel nagevolgd, zoals bijvoorbeeld door Beets en Kruseman in Nederland, en door Christen Købke in Denemarken. Noch in de literatuur, noch in de beeldende kunst heeft de biedermeierperiode werkelijk grote kunstenaars voortgebracht.

Schilderkunst
De schilderkunst werd gekenmerkt door een uitgesproken naturalistisch karakter. Landschap, stadsgezicht, portret en genretafereel (= tafereel uit het dagelijks leven) werden zeer realistisch en vaak met nadruk op kleine details weergegeven. Veelvuldig werd de burger in zijn huiselijke omgeving afgebeeld.

De periode van de Biedermeier was een lange tijd door de kunstcritici niet bijster gewaardeerde kunststroming. In de schilderkunst uitte de Biedermeier-stijl zich door weergave van huiselijke waarden, intimiteit, gezinsleven, innige kinderportretten. Deze ontstonden zowel in het burgerlijke als in het aristocratische milieu en ook aan het keizerlijk hof. Echter, ook de keerzijde, zoals armoede van de laagste standen, vormde een veel voorkomend motief. Belangrijke schilders zijn: Ferdinand Georg Waldmüller, Josef Danhauser, Jakob Alt, Johann Peter Krafft en Friedrich von Amerling.

Oostenrijk (vooral Wenen) was de herkomstplek van het karakteristieke zware Biedermeiermeubilair (Firma Joseph Danhauser, 1804-1838). Een standaardvoorbeeld van een biedermeierschilder is F.G. Waldmüller (1793-1865), werkzaam in Wenen, die onder meer zonnige landschappen schilderde. Tot de bekendste Centraal-Europese Biedermeier-kunstenaars behoort de Oostenrijkse portretschilder Friedrich von Amerling (1803-1887).

In Tsjechië waren de schilder Taddeo Mayer (1812-1856) en de tekenschool van J.F. Zwettler typische vertegenwoordigers van deze stijl. Een specifiek Tsjechisch element van de Biedermeier stijl waren de opkomende glasblazerijen in het Sudetengebied – Harrach, Friedrich Egermann in Haid (Bor), Buquoy en Joseph Meyer in het Boheemse Woud (Šumava) – die op bestelling individuele stukken in Biedermeierstijl maakten met vooral donker gekleurd rood en blauw glas versierd met gouden en porseleinen ornamenten.

In Berlijn werkte Franz Krüger (1797-1857). De belangrijkste Duitser was Karl Blechen (1798-1840), die realistische landschappen met een vleugje romantiek maakte. Aan het eind van de periode werkten in München Carl Spitzweg (1808-1885) en Moritz von Schwind (1804-1871). De eerste maakte kleine schilderijtjes, waarin hij onder andere het leven van de kleine burger afbeeldde, de tweede verwerkte thema's uit de Duitse sprookjeswereld.

Van de Denen, die juist in deze periode enkele opmerkelijke schilders voortbrachten, is Christen Købke (1810-1848) het bekendst.

In Nederland kwam slechts het biedermeierportret voor, zoals o.a. J.A. Kruseman (1804-1862) het schilderde.

Interieurkunst
In het interieur verdween het statige karakter van de empirestijl. Het geheel werd soberder. De kleuren waren eerst licht, maar werden na 1840 donkerder. In het meubilair werden de rechte lijnen nu gebogen. De meubels waren van glimmend, gepolitoerd mahoniehout of van lichtere houtsoorten gemaakt.

Vaak kwamen voor de ronde tafel op een zware middenpoot en de rechthoekige tafel met afgeronde hoeken, op een x-vormige poot. Veel gebruikte zitmeubelen waren de rechte stoel op gespreid uitstaande poten met een licht s-vormig gebogen rug, de armstoel waarvan de armleuningen gebogen naar onderen lopen en in een s-bocht eindigen, en de canapé met golvende rugleuning en hellende zijwanden. De bekleding bestond onder meer uit trijp (een fluweelachtige stof), rips (een geribde stof) of zwart, gevlochten paardehaar. Na 1840 kwam ook op de meubels veel borduurwerk voor.

Als verlichting gebruikte men vooral de olielamp, die eerst van geschilderd blik of ijzer was, later ook van groen, blauw of wit opalineglas (glas dat met een dunne laag melkglas bedekt is).

Op de vloer lagen tapijten met een streep-, bloem- of ander patroon. Voor de ramen hingen neteldoekse gordijnen.

Populair was de pendule, geflankeerd door kunstboeketten onder glazen stolpen op de schoorsteenmantel. Erboven hing een spiegel.

Behalve kunstbloemen vonden ook gedroogde en verse bloemen een plaats in het biedermeierinterieur; kamerplanten stonden in de bekende bloempotten van rood aardewerk, die nog steeds gebruikt worden, op de vensterbank of in grote bloembakken (jardinières) bijeen.

Kleding
In de gegoede dameskleding zakte de verhoogde taille van de empirekleding naar de normale plaats. De japon was voorzien van pofmouwen. In de jaren dertig werd de taille steeds nauwer en de rok steeds wijder. Eronder werd toen een hoepelrok gedragen.

Tegen 1840 kreeg de japon een brede, kruiselings over de borst geplooide schouderkraag. De stof was vaak zijde of taftzijde. Paars was de populaire kleur. Dikwijls werd kant en borduurwerk in de kleding verwerkt.

Op het krullenkapsel droeg men buitenshuis eerst een breedgerande hoed, later een luifelhoed; binnenshuis een kanten mutsje.

De welgestelde heren droegen een lange pantalon, een frak (een jas met weggesneden voorpanden) of een redingote (een soort overjas), een vest, een linnen hemd, een 'vadermoorder' (de beruchte hoge boord) en een stropdas.

Sieraden
De gouden sieraden imiteren met hun fijne filigrain- en granuleerwerk antieke sieraden. Na 1830 waren druiventros en slang gangbare motieven. Tevens kwamen lange parelkettingen in de mode. Ook het 'aandenken-sieraad', van haar gemaakt en voorzien van een silhouetportret of portretminiatuur van een geliefd persoon, werd gedragen. Later kwamen er sieraden van ijzer, zgn. 'fer de Berlin' in neogotische stijl.

Duitse literatuur
De volgende schrijvers zijn de belangrijkste vertegenwoordigers van de biedermeierstijl in de Duitse literatuur.

Annette von Droste-Hülshoff (1797-1848) bracht het grootste deel van haar leven door op het Noord-Duitse platteland. In haar balladen en gedichten, die de hoofdmoot van haar oeuvre vormen, staan landschap en bevolking van Westfalen, haar geboortestreek, centraal. Twee bundels onder de titel 'Gedichte' kwamen respectievelijk in 1838 en 1844 uit. 'Das geistliche Jahr' (1851) is een cyclus van religieuze gedichten. Postuum verscheen 'Letzte Gaben' (1860). In haar poëzie geeft Von Droste-Hülshoff veel zintuiglijke indrukken weer: geluid, beweging, kleur en het wisselend licht van het Westfaalse landschap. Ook het volksgeloof van haar geboortegrond is een belangrijk thema, een mengeling van christelijke en heidense elementen: 'Das Fegefeuer des westfälischen Adels' (1840).

Duistere machten spelen eveneens een rol in 'Die Judenbuche' (1842), een novelle gebaseerd op een historisch gegeven. Enerzijds is er een realistische aanpak: de wandaden van de hoofdpersoon worden grotendeels uit zijn milieu en persoonlijke geaardheid verklaard. De sfeertekening echter is romantisch. Zo wordt bijvoorbeeld het dramatische hoogtepunt van het verhaal, een lugubere moord, gesitueerd in een griezelige stormnacht.

Franz Grillparzer werd in 1791 in Wenen geboren en stierf daar in 1872. In de jaren 1818-1823 was hij als toneelschrijver werkzaam bij het Weense Burgtheater. Na de vernietigende kritiek op zijn komedie 'Weh dem, der lügt' (1838) trok hij zich helemaal uit het literaire leven terug. Grillparzer is de belangrijkste Oostenrijkse toneelschrijver; hij heeft in zijn werk vele invloeden, zoals barok, Romantiek, classicisme en Shakespeare, verwerkt tot een individuele stijl. Hij debuteerde met 'Die Ahnfrau' (1817), een noodlotstragedie. In 'Sappho' (1817) is het hoofdthema de tragische tegenstelling tussen schrijver en wereld: kunst en leven blijken onverenigbaar. 'König Ottokars Glück und Ende' (1825) is een historisch drama. In 'Der Traum, ein Leben' (1831) worden de verlokkingen van een avontuurlijk leven aan de kaak gesteld. 'Ein Brüderzwist in Habsburg' en 'Die Jüdin von Toledo', geschreven na het fiasco van 1838, werden pas na zijn dood gepubliceerd en uitgevoerd. In het autobiografische prozawerk 'Der arme Spielmann' (1848), over een straatmuzikant die in maatschappelijk opzicht mislukt is, geeft Grillparzer zichzelf met een milde weemoed en een glimlachende ironie in de wat zonderlinge speelman weer.

Karl Leberecht Immermann (1796-1840) werd geboren in Maagdenburg. In 1915 nam hij deel aan de veldtocht tegen Napoleon; hij trad in 1917 in dienst van de Pruisische staat. Later richtte hij in Düsseldorf een toneelgezelschap op, waarvan hij zelf de leiding op zich nam. In de roman 'Die Epigonen' (1836) behandelt Immermann een persoonlijk probleem: het gevoel te behoren tot de laatste generatie van een samenleving die zichzelf heeft overleefd. Een andere roman, 'Münchhausen' (1839), heeft eveneens zijn eigen tijdperk tot onderwerp, ditmaal op humoristisch-sarcastische wijze benaderd. Immermann levert hierin felle kritiek op zijn tijdgenoten, gepersonifieerd in de oude leugenbaron. Als toneelschrijver kreeg hij bekendheid door het mythische 'Merlin' (1832) en het humoristisch-satirische stuk 'Tülifäntchen' (1830). 'Memorabilien', zijn in 1839 verschenen autobiografie, vertoont invloeden van 'Das junge Deutschland', een stroming die een politisering van het geestelijk leven in Duitsland voorstond.

Nikolaus Lenau (1802-1850) was het pseudoniem van Nikolaus Franz Niembsch, Edler von Strehlenau. Hij werd geboren in Csatád in Hongarije. Zijn leven werd gekenmerkt door een extreme vorm van zwaarmoedigheid. In 1844 werd hij, krankzinnig geworden, opgenomen in een inrichting bij Wenen. De poëzie van Lenau, die een zekere mate van overeenkomst vertoont met het werk van de Engelse dichter Byron, wordt gekenmerkt door het 'Weltschmerz'-thema: 'An mein Vaterland' (1833), 'Der Pechvogel' (1844) en 'Eitel nichts' (1844). Wanhoop en berusting spreken uit 'Die Einsamkeit' en 'An die Melancholie'. Zijn verbondenheid met de natuur, waarbij de poesta's van zijn geboorteland een steeds terugkerend beeld vormen, komt tot uiting in 'Die Heideschenke' (1831) en 'Die drei Zigeuner' (1838). 'Savonarola' (1836-1837) en 'Die Albigenzer' (1838-1842) zijn werken van levensbeschouwelijke aard.

Eduard Mörike (1804-1875), geboren in Ludwigsburg, vertoonde in zijn werk aanvankelijk romantische invloeden: 'Maler Nolten' (1828-1832), een roman over het leven van een kunstenaar, en de liefdeslyriek 'Peregrina-Lieder' (1824) zijn hiervan de belangrijkste voorbeelden.

De uit 1856 daterende novelle 'Mozart auf der Reise nach Prag' vertoont realistische trekken en geeft de tragiek van de componist prachtig lyrisch weer. Zijn voorliefde voor de idylle komt tot uiting in 'Idylle vom Bodensee' (1846) en 'Der alte Turmhahn' (1840-1852). Met name Schumann, Brahms en Hugo Wolf hebben muziek geschreven voor verschillende van zijn gedichten.

Johann Nepomuk Nestroy (1801-1862) was in zijn tijd, behalve toneelschrijver, een van de bekendste toneelspelers in Wenen. In 'Lumpazivagabundus' (1835) dreef hij de spot met zijn stadgenoten. De klucht 'Einen Jux will er sich machen' (1842) is zijn meest gespeelde stuk.

Ferdinand Raimund (1790-1836) was het pseudoniem van F. Raimann. Hij was als toneelspeler verbonden aan het gezelschap van Nestroy en schreef zelf poëtisch getinte stukken met een hoogst pessimistische inslag: 'Der Alpenkönig und der Menschenfeind' (1828) en 'Der Verschwender' (1834).

Adalbert Stifter (1805-1868) was afkomstig uit Bohemen. Hij wordt beschouwd als Oostenrijks grootste verteller en publiceerde drie verhalenbundels: 'Erzählungen' (1869), 'Studien' (1844-1850) en 'Bunte Steine' (1853). In de inleiding van deze laatste bundel gaf hij zijn ideeën over het schrijven weer; een eenvoudige beschrijving op bezadigde toon is zijns inziens te verkiezen boven hartstochtelijke en hoogdravende formuleringen. De voorkeur van de romantici voor natuurgeweld deelt hij geenszins; een beschrijving van een lieflijk landschap dat niet voortdurend aan de gesel van de elementen blootstaat, kan volgens hem even indrukwekkend zijn. Zijn personages zijn bij voorkeur mensen die na een pijnlijke ervaring hun hartstochten overwinnen en gelouterd een nieuw leven beginnen. Veel van zijn werk heeft een didactische inslag en een burgerlijke moraal.

Behalve de genoemde bundels, schreef hij nog twee romans: 'Nachsommer' (1857) en het onvoltooid gebleven 'Witiko' (1865-1867). Hij was ook landschapschilder en als zodanig een voorloper van het Duitse impressionisme.

Biedermeier in de muziek
muziek kan men de Noordduitse Liedertafel (en de Zuidduitse Liederkranz) rekenen tot typische Biedermeier muziek. Componisten die zich hiermee bezig hebben gehouden zijn: Karl Friedrich Zelter (1758 - 1832), die in 1809 in Berlijn de “Zeltersche Liedertafel” oprichtte. Deze zanggroep mocht volgens de statuten 25 leden hebben, die zich moesten onderscheiden als zanger, dichter of componist. In 1819 richtte Ludwig Berger samen met Bernhard Klein, Gustav Reichardt en Ludwig Rellstab de jongere Berlijnse Liedertafel op. Vanaf nu worden overal in Duitse steden mannenkoren opgericht.
In Zwitserland is Hans Georg Nägeli (1773 - 1836) belangrijk en de bundel “Der Schweizerische Männergesang” uit 1833 droeg in belangrijke mate bij tot het populair worden van het koorlied. Friedrich Silcher (1789 - 1860), directeur van de muziekacademie in Tübingen, neemt het werk van Nägeli over en ontwikkelt het vierstemmig volkslied.

Andere belangrijke componisten van het koorlied:
Bernard Klein (1793 - 1832)
Carl Maria von Weber (1786 - 1826): componist van “Leyer und Schwert” op teksten van Körner
Friedrich Schneider (1786 - 1853)
Karl Loewe (1796 - 1869)
Karl Gottlieb Reissinger (1798 - 1859)
Karl Friedrich Zöllner (1800 - 1860)
Heinrich Marschner (1795 - 1861)
Felix Mendelssohn- Bartholdy (1809 - 1847)
Franz Schubert (1797 - 1828)
Konradin Kreutzer (1780 - 1849)
Wenzeslaus Kalliwoda (1801 - 1866).

De komische Spieloper van Albert Lortzing, Otto Nicolai en Friedrich von Flotow worden ook gezien als voorbeelden van Biedermeier-muziek.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 241.