kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 02-01-2016 voor het laatst bewerkt.

bril

Bril

Een bril is een optisch instrument dat voor de ogen gedragen wordt en de ametropie (refractiefout) van het oog opheft waardoor de drager scherper ziet.

Een bril bestaat uit het montuur en de glazen (optische lenzen).

Het oud Nederlandse woord voor bril is spiegel of oogspiegel, bril is een verbastering van Beryl, een halfedelsteen waarvan de glazen werden gemaakt.

300 v.C.
Euclides schrijft de oudste verhandeling over optiek: hij neemt aan dat licht zich rechtlijnig beweegt.

250 v.C.
De oude Grieken wisten al dat glas gebruikt kon worden om te vergroten. Zo ontdekten ze de basisprincipes van de breking van het licht in glas. De Griekse geleerde Archimedes hield zich onder andere bezig met de toepassing van zonne-energie en vindt hierdoor de brandspiegel uit. Volgens de legende heeft hij hiermee zelfs Romeinse schepen in de brand gestoken.

100 v.C.
Hero van Alexandrië toont aan dat licht wordt gereflecteerd op een vlak volgens een hoek die gelijk is aan de hoek van de inval, met een door hem uitgevonden instrument, 'Dioptra' genaamd.

65 v.C.
Marcus Tullius Cicero, een Romeinse politicus, klaagt op 41-jarige leeftijd in een brief over de afname van het gezichtsvermogen op latere leeftijd. Hij schreef dat hem niets verder overbleef, dan zich door slaven te laten voorlezen.

50
Cleomenes wijst op het gebroken uiterlijk van stokken of roeiriemen, wanneer ze voor een deel onder water worden gedompeld.

75
De bekendste monocledrager aller tijden en tevens de eerste persoon van wie we weten dat hij een monocle droeg, is wellicht Nero Claudius. Gajus Plinius de Oudere, een Romeinse schrijver, schrijft over Caesar Augustus Germanicus (beter bekend als keizer Nero), die bij het bekijken van gladiator-gevechten, gebruik zou hebben gemaakt van een hol uitgeslepen smaragd. Smaragd is een variëteit van beryl.

87-150 na Christus
Ptolomaeus beschrijft het breken van het licht door lenzen en het reflecteren van het licht door spiegels.

100
Rufus van Ephese, een medisch schrijver, beschrijft voor het eerst de anatomie van het oog.

950
In China worden in een raamwerk geplaatste edelstenen gebruikt bij het lezen.

Het was de Arabische arts en wiskundige Aboe Ali al-Hazin ibn al Haitham (965-1039) die de breking van het licht in glas ontdekte. Ibn al Haitham, ook Alhazen genoemd, die aan het hof van de Kalief van Egypte leeft, beschrijft voor het eerst dat een glazen halve bol een voorwerp kan vergroten. Hij schrijft het boek 'Kitab-al-Manazir' (schat der optiek). Hierin schrijft hij over de leer van het zien, breking en reflectie. Baanbrekend is zijn veronderstelling dat ogen gecorrigeerd kunnen worden door geslepen optische lenzen.

Tegen het eind van de 12e eeuw komt de Arabische kennis in Venetië. In Venetië weten ze al dat de vergrotende werking van een glazen bol met water niet aan het water ligt, zoals eerst werd gedacht, maar dat het ligt aan de bolling van het glas. Erazm Golek Vitello, vertaalt in 1240 het boek van Ibn al Haitham uit het Arabisch naar Latijn. West-Europese monniken maakten volgens de beschrijvingen halfkogelvormige lenzen. Deze lenzen worden met het vlakke gedeelte op de boeken gelegd, waardoor een aanzienlijke vergroting ontstaat. Slechtziende monniken konden hierdoor weer lezen.

Roger Bacon, een Engelse monnik, beschrijft in zijn Opus Majus (1267), dat het plaatsen van glazen bollen op zijn boeken hem helpt met lezen en dat deze zeer goede instrumenten zouden kunnen vormen voor grijsaards en hen met zwakke ogen, zodat ook zij kleine letters op normale afstand kunnen lezen.
Doordat binnen de monniksorde deze geschriften hun weg vinden naar de kloosters van vele landen, hoeft er slechts één iemand met een zekere technische vaardigheid zich van deze kennis meester te maken om de uitvinding van de bril tot stand te brengen.

Vanaf 1280 wordt er in Italië melding gemaakt van lenzen die gebruikt werden om het gezichtsvermogen te verbeteren. Het is mogelijk dat in die tijd ook al een soort brillen in gebruik waren in de Arabische wereld en in China, maar de gegevens daarover zijn nogal vaag. Mogelijkerwijze is deze uitvinding in de 13e eeuw op een niet nader vast te stellen plaats gedaan en heeft zij zich vervolgens snel over een groot gebied verbreid.
Aanvankelijk bevond de lens zich in een standaard, die met de hand werd vast gehouden. De op de neus geklemde bril (knijpbril of pince-nez) met twee glazen kwam wat later. Ook kwamen er brillen met aan een zijde een stokje om vast te houden, een zogenaamde lorgnet.
De eerste brillen waren voor vérziende mensen, vooral oudere monniken die moeite hadden met het lezen.
De moderne bril, met poten die de bril achter de oren bevestigen, dateert pas uit de vroege 18e eeuw, en wordt het eerst in Engeland vermeld. De poten worden door de vakman veren genoemd.

Alessandro della Spina, een Franciscaner monnik uit het klooster van Pisa, is één van de eersten die in staat is om een bril te maken. Maar mogelijk komt de eer van de eerste bril toe aan Salvarino d'Armati, die in 1317 overleed en in de kerk van Santa Maria Maggiore in Florence werd begraven; op zijn graf staat vermeld, dat hij de uitvinder van de bril is geweest.

In de 13e en 14e eeuw maakte de glasfabricage in Venetië een bloeiperiode door. Het geheim van glasblazen en -slijpen probeerde men angstvallig bewaard te houden. De gemeenteraad van Venetië vaardigde hiervoor zelfs strenge regels uit. De orde van Dominicaner monniken had echter connecties op vele plaatsen in Italië en het geheim van de fabricage was snel ontsluierd. De vindingrijke en geleerde Dominicanen waren vanaf het begin van de 14e eeuw in staat zelf brillen te fabriceren.

De Nietbril
In het jaar 1305 werden in Murano bij Venetië twee lenzen in ringen, eerst van ijzer, later van hout of hoorn gevat waaraan steeltjes werden gemonteerd. De uiteinden van deze steeltjes werden dan met behulp van een nagel (niet) als een soort scharnier aan elkaar verbonden. Zo is de nietbril ontstaan, die nog tot het eind van de 16e eeuw werd gebruikt.

Onder invloed van de handelsbetrekkingen tussen Venetië en Vlaanderen ontstond ook in de lage landen in de 14e eeuw het ambacht van brillenmaker. In de eeuwen hierna verbreidde het beroep zich naar Duitsland, Engeland en Frankrijk.
Voor de monturen gebruikte men in eerste instantie hout, been of leer, later goud, zilver of schildpad, versierd met edelstenen, parels en geslepen steen. De eerste brillen leken op vergrootglazen die met een V-vormige brug aan elkaar waren verbonden. Het was vaak een probleem om het montuur op zijn plaats te houden. Spaanse brillenmakers gebruikten zijden koorden om het montuur met lusjes rond de oren te bevestigen. De Chinezen verbonden gewichtjes aan de koorden, zodat ze achter het oor bleven hangen. Na verloop van tijd werden de monturen echter steeds eleganter.

Tommaso da Modena, maakt een schilderij (te bezichtigen in de San Nicolokerk in Treviso, dichtbij Venetië) met daarop de eerste afbeelding van een bril met convexe (= vergrotende) glazen voor dichtbij. Op dit portret zien we Kardinaal Hugo de Province met zijn nietbril.

De volgende eeuwen
De bril maakt een snelle evolutie door. Mede door de ontwikkeling van de boekdrukkunst, ontstaat er een groeiende vraag naar leeshulpen. Montuur en glazen worden telkens verbeterd en gaan met hun tijd mee.
In de begintijd hadden brillen alleen nog maar positieve lenzen: glas dat door een bolling voorwerpen vergroot. Deze brillen zijn geschikt voor mensen die verziend zijn. Veraf zien zij scherp, dichtbij zien ze niet goed. Brillen die bijziendheid corrigeren, ontwikkelden zich pas in de 15e eeuw.

1404
De beugelbril is een technische verbetering op de instabiele nietbril: de 2 glazen worden door een soort boog verbonden. Deze bril is te zien op een schilderij van Konrad von Soest.

1420 tot 1700
De mutsenbril, een metalen bril die aan een hoofddeksel wordt bevestigd, komt in zwang. Deze bril wordt vooral door vrouwen gedragen.

1430 tot 1950
Een monocle, een verdere ontwikkeling van de leessteen wordt vanaf de 16e eeuw gebruikt. Het momocle of oogglas is een halve bril, dat wil zeggen, een bril bestaande uit één glas en bedoeld voor één oog. Het glas wordt tussen wang en wenkbrauw geklemd. Later wordt de monocle een echt modeverschijnsel.
Een monocle functioneert op dezelfde wijze als een bril, met het verschil dat ze niet op de neus wordt geplaatst en ook niet achter het oor wordt gehaakt. In feite bestaat een monocle uit een rond glas, dat afgestemd is op de noden van de slechtziende en waarrond een ring zit. Aan die ring is een touwtje bevestigd, dat men ofwel rond de nek kan hangen, ofwel ergens anders aan de kledij kan vasthaken, zodat de monocle in geval van loskomen niet op de grond terechtkomt. Men klemt de monocle tussen het jukbeen en de wenkbrauw.
De monocle is sinds medio twintigste eeuw uit de mode geraakt; mensen die slechts aan één oog problemen hebben, verkiezen veelal toch een bril te dragen, waarvan dan slechts één glas werkzaam is. Misschien is de aristocratische connotatie die met het oogglas verbonden is een van de redenen voor het uit zwang geraken — dit verklaart echter niet waarom de monocle niet populair is onder snobs, of in omstandigheden waarin uiterlijk vertoon gewenst zou zijn. Vermoedelijk wordt de monocle als minder gebruiksvriendelijk dan de bril ervaren.

1517
Raffaël maakt een portret van Leo X met daarop de eerste afbeelding van een bril met concave (= bijziendheid-corrigerende) glazen.

Zo vanzelfsprekend als de bril in onze moderne samenleving is, zo beladen was deze vaak in het verleden. Tot de 16e eeuw gold de bril als teken van intelligentie en genoot deze groot aanzien. Na 1500 veranderde de sociale status, omdat de bril de nadruk legt op een lichamelijk gebrek.

Tot in de 18e eeuw was het aan de Europese koningshoven taboe een bril te dragen. Slechts stiekem maakte men gebruik van optische hulpmiddelen. De gewone bevolking trok zich echter niets aan van deze opmerkelijke hofzeden en maakte volop gebruik van de bril, die nu eindelijk onder hun handbereik was gekomen. In de 19e eeuw kenterde het tij voor de bril. Wel bleef het een schande een bril te dragen in bijzijn van een hoger geplaatste. Tegenwoordig is de bril een onontbeerlijk attribuut met vele toepassingen.

1600 tot 1850
De knijpbril, Pince nez, die een veerconstructie boven de neus van ijzer of koper heeft, wordt in zeer veel uitvoeringen gemaakt.

1610
Snellius, stelt de optische formules en wetten op in een 5-delig werk over de optiek.

1715 Le lorgnon (Fr. lorgner = gluren), ook wel schaarbril genoemd, is een inklapbare omgekeerde nietbril en d.m.v. een veer te openen. Later wordt de steel verlengd waardoor de hand niet te veel in het gezichtsveld komt.

1725
De Orenbril, ofwel Slapenbril, is een bril met aan de zijkant aangebrachte stangen. Om grip op het hoofd te verbeteren zitten er aan het einde van de stangen metalen ringen.

1728
Scarlett, een Engelse brillenmaker, doet een geweldige uitvinding: hij vindt de brilveren uit waarmee de bril stevig tegen het hoofd geklemd wordt.

In de 19e eeuw verschenen onder andere de volgende brillen ten tonele:
. Schubertbril: ovale metalen bril met steekveren.
. Face à main - bril aan handvat.
. Lorgnette, een knijpbril met gebogen veer bovenlangs.

Een lorgnet is een soort bril met aan een zijde een stokje of handvat, meestal door (welgestelde) dames gebruikt. De lorgnet werd omstreeks 1780 door de Engelsman George Adams ontworpen. Hiervoor gebruikte men de schaarbril, maar deze was moeilijk te gebruiken tijdens een gesprek, omdat de steel of handvat voor de mond zat. Handiger zou het zijn als de steel zich aan de zijkant bevond.
De eerste lorgnet bestond uit twee grote ronde glazen met aan een kant een vaste lange steel. Bij sommige typen was het mogelijk de glazen in de steel te schuiven, zodat ze beschermd werden tegen krassen.

Dudley Adams maakt in 1797 de eerste hoofdbandbril, een metalen band waar de glazen aan hangen. Deze hoofdbandbril maakt het al mogelijk om de glazen precies goed voor de pupillen te plaatsen en de mogelijkheid bestaat om de bril achter de oren te bevestigen.

De Franse revolutie maakt niet alleen een eind aan de pruikentijd, op brillengebied, begon er ook veel te veranderen. Tot die tijd kende men uitsluitend bolle glazen en men is blijven experimenteren met lenzen. Voor- en achterkant bol; een vrijwel platte achterkant en een bolle voorzijde. Ergens moet een geniale geest, het tegenovergestelde geslepen hebben. Dat moet een lens met een platte kant én een holle zijde geworden zijn! Een glas dat het beeld verkleind, in plaats van te vergroten! Voordien kon men mensen met een leesprobleem, met bolle glazen helpen; die hadden vergrotende glazen nodig. Men wist heus wel, dat er mensen waren, die tot op hoge leeftijd, àlles van dichtbij, haarscherp, zonder hulpmiddel, konden zien! Maar die zagen in de verte niet scherp. (Tenzij ze hun ogen tot spleetjes knepen.) Als ze door holle glaasjes keken, zagen ze in de verte, alles veel scherper. Een wereld ging voor hen open. - (Europa overal kleine monturenfabrieken. De bril, als gezichtshulpmiddel, raakte ingeburgerd. Stapje voor stapje, ontwikkelde men het brilmontuur. In China geldt de bril als statussymbool. Hoe hoger de functie van de hoogwaardigheidsbekleder (mandarijn), hoe groter de brillenglazen. Hier komt dus het woord mandarijnenbril vandaan.

Rond 1818 ontwierp de Fransman M. Lepage een scharnierlorgnet waarbij de glazen dubbelgeklapt in de steel verdwenen. De lorgnet werd hierdoor kleiner en sierlijker.

In de periode van de Empirestijl (1804-1830) was de scharnierlorgnet erg populair. Niet veel later kwam de springlorgnet. Met een druk op een knopje dat in de koker of steel was verwerkt, sprong het ene glas achter het andere vandaan. Omdat de springlorgnet en scharnierlorgnet zo populair waren en rijk versierd werden kregen ze de status van sieraad. Omstreeks 1850 werd de lorgnet langer en langer. Het springmechanisme of scharnier verdween weer en de glazen werden in de steel opgeborgen.

De lorgnet was ook zeer populair tijdens de Belle-epoque (1900-1910) en er zijn ook hele mooie en aparte modellen in de art-nouveau en art-deco-stijl ontworpen. Na deze periode werden de "gewone" brillen meer gangbaar en verdween de lorgnet uit beeld.

Doelmatige vormen en gebruiksgemak hebben ervoor gezorgd dat een bril met oorveren terrein wint. Schaarbrillen en lorgnetten werden nog wel gedragen door decadente mensen, na de 1e wereldoorlog verdwenen ze. Verbeterde slijpmethodes van brillenglazen, en de behoefte om beter te zien, heeft daartoe enorm bijgedragen.

1930
Ronde brillen zowel in metaal als in celluloid

1940
Pantoscopische brillen, van boven afgeplatte ronde, eivormige glazen. Rond de 2e wereldoorlog wordt het weer hip om een monocle te dragen.

1950
De komst van nieuwe kunststoffen in de 20e eeuw ontketenen een sensatie. De weg is gebaand voor serieproductie. Kunststofglazen zorgen voor een lager brillengewicht.

1980
Er komt een ultralicht metaal voor brilmonturen: Titanium.
De bril wordt een modeartikel en is tegenwoordig niet meer weg te denken uit de samenleving.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 774.