kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 27-08-2009 voor het laatst bewerkt.

Cuijk

Cuijk is een gemeente en een dorp in het noordoosten van de provincie Noord-Brabant en ligt aan de west-oever van de Maas. Het ligt 15 kilometer ten zuiden van Nijmegen. De regio waar de gemeente Cuijk in ligt heet het Land van Cuijk. De gemeente Cuijk bevat de volgende woonkernen: Beers, Cuijk, Haps, Linden, Katwijk, Sint Agatha, Vianen.

Cuijk is al oud. De naam Cuijk is afgeleid van het Indo-Germaanse woord ‘Keukja’ wat ‘kromming’ of ‘bocht’ betekent. Dit duidt op de kromming of bocht in de Maas ter hoogte van Cuijk. ‘Keukja’ werd later verbasterd tot ‘Ceuclum’, waaruit uiteindelijk de naam Cuijk is ontstaan.

Een bekende legende is dat Cuijk ooit stadsrechten heeft gehad maar deze verkocht heeft aan het dorp Grave dat nu wel een stad is. Werkelijk bewijs hiervoor is tot dusver niet gevonden. Desondanks wordt Cuijk wel vaak nog geduid als een voormalige stad.

Vóór Christus
Honderden jaren voor Christus woonden er al relatief veel mensen in de streek waar nu Cuijk ligt. De Kelten bebouwden hun land, hielden vee en woonden in houten schuren of hutten. Hun doden werden gecremeerd en in urnen in grafvelden geplaatst. Vaak hadden deze heuvels een opening op het oosten. Veel van dergelijke grafheuvels, gedateerd op omstreeks 700 jaar voor Christus, zijn aangetroffen op het Kampse Veld in Haps, maar ook in Cuijk zelf zijn in 1825 (De Kalkhof) en 1844 (De Hanshof) dergelijke heuvels aangetroffen. Recentere vondsten, bijvoorbeeld van vuurstenen werktuigen rondom de Kraijenbergse Plassen en in de Heeswijkse Kampen, bevestigen de bewoning van het gebied uit die tijd en vermoedelijk zelfs eerder. Cuijk en omgeving werd dus ruim voor onze jaartelling al bewoond door mensen.

De Romeinse tijd
Toen keizer Julius Caesar kort voor onze jaartelling Gallië veroverde en de Romeinse invloed doordrong tot het gebied rond Cuijk, veranderde er veel. Een rij van plaatsen waarin Romeinse legioenen waren gelegerd (de Castelia) zorgde voor de verdediging van de grenzen van het Romeinse rijk. Voorbeelden hiervan zijn Nijmegen, Xanten, Keulen en Bonn. Deze legerplaatsen waren met elkaar verbonden door begaanbare wegen. Eén van deze wegen liep van Nijmegen naar Tongeren, via Cuijk. Al in de vorige eeuw zijn talloze sporen van deze weg gevonden. Op een middeleeuwse ‘natekening’ van een Romeinse wegenkaart, de zogenaamde ‘Peutinger kaart’, zijn de wegen aangegeven met hun afstandsmaten en worden de voornaamste Romeinse nederzettingen aangeduid door een bouwwerk. Naast Nijmegen staat hierop ook Ceuclum, het tegenwoordige Cuijk, vermeld.

Cuijk was in de Romeinse tijd dus een belangrijke nederzetting langs de Maas. Tijdens opgravingen werd in 1846 een compleet Romeins graf met voorwerpen van het warmrode Terra-Sigillata-aardewerk en enkele sieraden gevonden. Toen in 1912 de oude dorpskerk plaats moest maken voor de huidige neogotische Sint Martinuskerk, werden veel muurresten en voorwerpen uit de Romeinse tijd ontdekt. Tijdens de aanleg van de Maasboulevard in de jaren zestig van de vorige eeuw kwamen veel Romeinse vondsten te voorschijn. Ook op andere plaatsen in Cuijk zijn Romeinse resten gevonden. Zo vonden archeologen bij de Hervormde Kerk een nederzetting van ambachtslieden, kooplui en andere personen, die in hun bestaan betrokken waren bij de dienstverlening aan of bevoorrading van het Romeinse castellum. Na het vertrek van de Romeinen werd de streek onder andere bewoond door de Franken. De vooruitgeschoven hoogte aan de Maas leende zich uitstekend voor een nederzetting.

Heer Jan I van Cuijk
De Heren van Cuijk komen van oorsprong uit de Betuwe. Vanaf de 11e eeuw zijn zij ‘historisch aantoonbaar’. Zij hadden veel bezittingen en nauwe banden met de Graven van Holland, Gelre en Vlaanderen, de Hertog van Brabant, de Koning van Engeland en de bisschoppen van Keulen en Utrecht. Van groot belang voor het Land van Cuijk was Heer Jan I van Cuijk. Hij ‘regeerde’ van 1265 tot 1308 en verbleef meestal op zijn kasteel in Grave. Jan I van Cuijk nam deel aan veel veldtochten in de omgeving, waaronder de slag bij Woeringen in 1288. Met in zijn wapen de nog steeds gebruikte acht ‘merletten’ vocht hij aan de kant van Hertog Jan van Brabant tegen de Geldersen, de Limburgers en de Keulsen. Ook nam hij deel aan de Guldensporenslag bij Kortrijk in 1304. Jan I van Cuijk was ook de stichter van het Graafse Sint Catharinagasthuis. Het bestuur van het Land van Cuijk zetelde in Grave. De Hoofdbank (het huis voor onder andere rechtspraak) bleef echter in Cuijk en ook de Landdag (een soort dorpenvertegenwoordiging) kwam jaarlijks in de Cuijkse kerk bijeen. Bij de hoofdbank konden niet alleen de dorpsbanken van Escharen tot Maashees in beroep gaan, maar ook die van het vrijwel onafhankelijke Boxmeer.

De Tachtigjarige oorlog
De Tachtigjarige oorlog ging niet geruisloos aan Cuijk voorbij. Spaanse belegeringen van kastelen Middelaar en Bleijenbeek onder Afferden brachten voor de bevolking veel ellende. Na de verovering van Grave door prins Maurits, in september 1602, werd het Land van Cuijk een zwevend niemandsland tussen Staats en Spaans gebied.

Bij de vrede van Munster in 1648 werd de Cuijkse parochiekerk toegewezen aan de protestanten. Veel altaren en beelden werden uit de dorpskerk (rond 1845 door een brand verwoest, vervolgens herbouwd en uiteindelijk in 1912 weer gesloopt) verwijderd. Cuijk vormde in die tijd een klein bestuurscentrum en er woonden nogal wat protestantse ambtenaren. Met enkele anderen vormden zij ongeveer tien procent van de bevolking. De Cuijkse katholieken bezochten rond 1650 samen met hun geloofsgenoten uit Haps een kerkenhuis ‘even over de grens’ in Oeffelt, dat toen nog bij Kleef hoorde. Toen de tijden soepeler werden, betrokken zij een bescheiden kerkgebouw in de Molenstraat in Cuijk. Dit duurde tot ongeveer 1800. In dat jaar werd de oude kerk, onder protest van de protestanten of gereformeerden, aan de katholieken terug gegeven. Naderhand bouwden de hervormden op het zuideinde van de Grotestraat en met subsidie van de overheid een eigen kerkje.

De 18e en 19e eeuw
In 1712 legde een vernietigende brand nagenoeg heel Cuijk volledig in de as. Besloten werd om, in plaats van de gebruikelijke daken van stro, voortaan pannendaken te gebruiken. Bij de dorpskerk stond in die tijd het ‘rechtshuis’, een voorloper van het afgebroken raadhuis in de Maasstraat. De meeste inwoners werkten in de landbouw of veeteelt, de kleine nijverheid of de scheepvaart. Cuijk bleef echter bescheiden van omvang. Maar toch; op de stad Grave en de ‘zelfstandige vlek’ Boxmeer na, was het wel het dichtstbevolkte dorp van het Land van Cuijk. Volgens een opgave uit het jaar 1785 had Cuijk in die tijd 201 huizen, 258 gezinnen, 60 schuren, één kerk, één kasteel, 87 paarden, 263 runderen, 73 karren, 49 bakovens en één wind- en rosmolen.

De ongekanaliseerde Maas zette in de wintermaanden de lage landen bij Cuijk en Katwijk dikwijls helemaal onder water. Herhaaldelijk bezweken de dijken zoals in 1820, 1861 en 1880. De laatste overstroming, die van 1926, was de ergste. Het drama van de Beerse Maas vormt overigens een verhaal op zichzelf. Deze overlaat heeft de ontwikkeling van het Land van Cuijk, vergeleken met andere streken van het expansieve Brabant, erg gestremd. Pas in 1942, toen de Beerse Maas voorgoed werd gesloten, verbeterde de structuur aanzienlijk. Door de overstromingen van de Maas en de werking van de Beerse overlaat raakte het gebied vooral in de winter vaak geïsoleerd.

Cuijk aan het spoor
Door zijn ligging in het noordoosten van de provincie, de nukken van de Maas en de overlast van de Beerse overlaat waren de verbindingen niet optimaal. Cuijk lag er, net zoals de andere plaatsen in dat gebied, wat geïsoleerd bij. Groot was dan ook het enthousiasme toen aan het eind van de jaren zeventig in de 18e eeuw plannen werden ontwikkeld tot het aanleggen van een treinverbinding tussen Nijmegen en Venlo. Hoewel, het kostte veel moeite om de verbinding zoals we die nu nog kennen tot stand te brengen. Oorspronkelijk was het niet de bedoeling om de lijn al bij Cuijk de Maas te laten passeren, maar deze bijvoorbeeld parallel te laten lopen aan de (oude) Rijksweg Nijmegen-Venlo. Aan de Limburgse kant van de Maas dus. Veel acties hebben er echter voor gezorgd dat de spoorweg nu via het huidige traject loopt.

De aanleg van de spoorweg in de omgeving van Cuijk verliep redelijk vlot. Het grootste werk was uiteraard de bouw van de spoorbrug over de Maas. In augustus 1879 werd begonnen met de bouw en eind februari 1883 was de klus geklaard. De lengte van de brug was ruim 354 meter, de kosten bedroegen 579.901 gulden. Met enig feestelijk vertoon reed de eerste personentrein op 1 juni 1883 over deze voor de streek zo belangrijke verbinding. Bij de aanleg van een spoorlijn horen natuurlijk ook stations. Het station in Cuijk werd gebouwd in 1881 en is in zijn (bijna) oorspronkelijke vorm nog te bewonderen. Dit is mede het resultaat van een actie opgezet door het gemeentebestuur en de bevolking. In 1975 kwam namelijk het bericht dat het stationsgebouw gesloopt zou worden en vervangen door een moderner gebouw. Dit ging de gemeente en haar inwoners echter te ver. Er was al veel gesloopt en men was bang dat er weer een stuk geschiedenis verloren zou gaan.

Handel, middenstand en industrie tot 1930
De ontwikkeling die Cuijk in de periode tot 1930 doormaakte op het gebied van handel, middenstand en industrie is waarschijnlijk het best te beschrijven aan de hand van een aantal karakteristieke voorbeelden. Neem het postkantoor. Waarschijnlijk had Cuijk al in 1850 een hulppostkantoor. Pas in 1883 echter kreeg deze PTT-vestiging de status van ‘echt’ postkantoor. Het ging hier om het gebouw op de hoek van de Grotestraat en de Maasstraat. De gemeenteraad wilde eigenlijk wachten met deze ‘promotie’ totdat de spoorlijn Nijmegen-Venlo klaar was. Het telegraafverkeer kon dan namelijk via het spoorwegstation worden afgewerkt. Toch werd er, mede op verzoek van de inwoners, ook het telegraafkantoor gevestigd.

Ook in die tijd was Cuijk van alle markten thuis. In 1850 bijvoorbeeld waren er in Cuijk zes jaarmarkten, met daarnaast een staalmarkt voor de graanhandel waar granen op monster of staal werden verhandeld. Naast vee werd er vooral vlas en linnen verhandeld. Tijdens goede jaarmarkten werden er ongeveer 250 runderen aangevoerd. Later, vanaf 1860, werden bijvoorbeeld 8500 el linnen verhandeld, 24 el lakens, 4800 pond vlas en 1550 pond wol. In 1895 wordt het aantal marktdagen uitgebreid tot 13, later zelfs tot 24, met een aparte paardenmarkt. In 1927 worden bijna 8000 runderen en meer dan 12.000 biggen aangevoerd. We kunnen dus zeggen dat Cuijk in de periode 1850 tot 1930 meer was dan alleen een boerendorp. Het ging nog niet echt mee in de industriële expansie, maar de plaatselijke nijverheid ontwikkelde zich aardig. Het was een agrarisch getint dorp met een bescheiden nijverheid.

En de ontwikkeling van de Cuijkse industrie? Neem bijvoorbeeld de balans-, bascule- en koffiemolenmakerij van Johannes van Susteren. De firma maakte per jaar ongeveer 5000 koffiemolens, 300 balansen en 75 bascules (een soort weegschaal). Verder kende Cuijk omstreeks 1860 nog een brandkastmakerij met een productie van zo’n 15 brandkasten per jaar, een bescheiden brandspuitmakerij met twee spuiten per jaar en twee brouwerijen met in het jaar 1865 een productie van 2630 tonnen bier. Een orgelmakerij, maar vooral de werkplaats voor kerkornamenten, leverde producten voor de eredienst. Er werden één of twee orgels per jaar afgeleverd. Een ander bedrijf, actief in dezelfde sector, maakte in 1865 drie altaren, twee communiebanken, twee koorbanken, drie biechtstoelen, één lievevrouwetroon èn één beeld ‘voorstellende Heer Jan I van Cuijk’. Dit laatste beeld is nu nog steeds te zien in de Maasstraat bij het viaduct. Daarnaast kende Cuijk een aantal looierijen dat schommelde tussen vier en tien. In 1865 werden bijvoorbeeld 1510 koeievellen, 40 paardenvellen en 470 schapenvellen bewerkt. En dan waren er nog een paar smeerkaarsenmakerijen met in 1859 een aflevering van wel 4500 pond kaarsen. Cuijk telde circa acht schoenmakerijen en een paar zadelmakerijen. Ook de meubelmakerijen breidden zich steeds uit.

Veel belangrijker voor Cuijk was echter de sigarenindustrie: zowel sigarenmakerijen als tabakskwekerijen. In 1859 werd 20.000 pond gekerfde tabak verwerkt. De sigarenfabriek was indertijd één van de filialen van de firma J. Baars en Zonen uit Krommenie. De eerste aanzet werd gemaakt in een klein pand in de Molenstraat. Toen dit pand te klein werd, zocht men naar een andere locatie om er een echte fabriek te bouwen. In de Molenstraat lag een terrein braak. De firma Van Dongen en Reniers had hier al een sigarenfabriek gebouwd, maar dit bedrijf was door brand verwoest en niet meer herbouwd. Op dezelfde plaats werd omstreeks 1901 een nieuwe sigarenfabriek gebouwd. De productie van deze fabriek was ongeveer 100.000 sigaren per dag. Een paar jaar later komen hier de sigarenmakerijen van A. van Aernsbergen en van J. Baars en Zoon nog bij. Bij Philipsen en van Hussen werkten van 1900 tot 1930 ongeveer 50 man, bij J. Baars en Zoon (gebouw ‘Victor Hugo’) in 1907 24 volwassenen en 2 kinderen en in 1930 al 146 mannen, 31 vrouwen en 41 kinderen. Bij de leerlooierijen van A. Kaal, L. Manders de gebroeders Meijer en Co., en de gebroeders Manders werkten ieder ongeveer 5 man, terwijl de machinale stoomleerlooierij van de firma M.B. Regouin er uit springt met ongeveer 30 man. In 1907 staat er op naam van J. Dekker een zuivelfabriek geregistreerd: Sint Maarten. Er werkten ongeveer 15 man. Ook was er de melkfabriek Lacto, tegenwoordig Nutricia. In 1917 verschijnt er in Cuijk een zoutzuurfabriek door toedoen van de firma G.B. Wolf. In 1925 waren de bierbrouwerij en ijsfabriek Cevelum er al.

Een gebouw ten slotte dat velen zich zullen herinneren is ongetwijfeld dat van de Coöperatieve Handelsvereniging van de NCB, beter bekend als ‘het rattenhuis’. Dit gebouw stond op de plaats waar eerst de molen van Poos heeft gestaan, later die van Van der Eyken en nu een supermarkt, langs de spoorlijn bij de spoorwegovergang.

Na de Tweede Wereldoorlog
Op 1 januari 1940 telde Cuijk ongeveer 4600 inwoners, die inmiddels de lange crisistijd met zijn grote werkloosheid en werkverschaffing achter de rug hadden. Zij woonden in een bescheiden dorp met een redelijk bedrijfsleven. In 1942 werd de gemeente Linden opgeheven. Het hoofddorp, Groot-Linden, ging over naar Beers, terwijl Katwijk en Klein-Linden bij Cuijk werden gevoegd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag Cuijk in de periode 17 september 1944 tot maart 1945 nagenoeg in de frontlinie. Dit kwam omdat het gebied aan de andere zijde van de Maas, zoals Mook, pas in maart 1945 werd bevrijd. Af en toe vonden er beschietingen plaats, met als gevolg een aantal slachtoffers onder de burgerbevolking en materiële schade. Veel huizen werden verwoest. In Katwijk werd in 1947 een monument opgericht ter nagedachtenis van de op 10 mei 1940 in de Maassector tussen Katwijk en Oeffelt gesneuvelde manschappen. Jaarlijks organiseert het Comité Herdenking en Bezinning met de gemeente Cuijk de nationale herdenking en de herdenking van de gevallenen op 10 mei 1940 in Katwijk.

Na 1945 werden onder bezielende leiding van de toenmalige burgemeester Jansen de zaken energiek aangepakt. Door zijn gunstige ligging aan de Maas en de spoorlijn Nijmegen-Venlo en ook door de stimulerende maatregelen van de regering, kon een industriële ontwikkeling op gang worden gebracht en brak er voor Cuijk een nieuw tijdperk aan. Er moesten gebieden worden aangewezen waar de nieuwe industrieën zich konden vestigen. Er ontstonden twee grote industrieterreinen: ‘De Beijerd en ’t Riet’ en ‘Haven Cuijk’. Op deze industrieterreinen hebben zich in de loop der jaren verschillende industriële bedrijven gevestigd.

Zoals de naam van het laatstgenoemde industrieterrein al doet vermoeden, kwam hier de Cuijkse haven tot stand. Deze haven staat in open verbinding met de Maas. Een keersluis zorgt voor de goede waterstand in de haven. Ook kon er dankzij deze haven met zijn keersluis een doorsteek gemaakt worden van de Maas naar de Kraijenbergse Plassen, die een grote rol gaan spelen in de toekomstige recreatie in de hele streek. Tegelijk met deze expansieve industrialisatie nam de bevolking van Cuijk in snel tempo toe. Cuijk groeide bijvoorbeeld van 5645 inwoners in 1950 tot ruim 15.300 inwoners eind 1975. Op dit moment heeft Cuijk overigens een kleine 25.000 inwoners.

Aan de snel groeiende bevolking moest goede huisvesting worden geboden. De beschikbare ruimte voor woningen was snel uitgeput en er moest worden uitgekeken naar nieuwe woongebieden. Rond 1960 werd een begin gemaakt met de uitbreiding in noordelijke richting. Zo ontstond Cuijk-Noord, beter bekend als ‘De Valuwe’. In een vrij snel tempo werd deze wijk volgebouwd. De wijk telt ongeveer 1550 woningen. In 1970 werd gestart met de wijk ‘Padbroek’ en in 1980 begon men met de bouw van de wijk ‘Heeswijkse Kampen’.

Uiteraard waren naast de woningen andere voorzieningen nodig. Er werden scholen gebouwd in de diverse wijken, niet alleen voor het kleuter- en basisonderwijs, maar ook een Lagere Technische School, een school voor Lager Huishoud- en Nijverheidsonderwijs, de Middelbare Landbouwschool (MAS) en niet te vergeten het Merletcollege met atheneum, havo- en mavo-opleiding. Er werden winkelcentra aangelegd, zowel in het centrum als in de wijken, het gebouw Victor Hugo kreeg wat later zijn functie als dienstencentrum. Cuijk kreeg een zwembad en een sporthal, een sportterrein (de ‘Groenendijkse Kampen’) en erg belangrijk natuurlijk, de Streekschouwburg.

Bron: www.cuijk.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 618.