kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 13-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Etrusken

Museo Etrusco Guarnacci - 2008 Volterra Television

De Etrusken (Gr. Tyrsênoi of Tyrrhênoi; Lat. Tusci of Etrusci; Etr. Rasenna of Rasna; Engels Etruscan) vormden een bevolkingsgroep die van ca. de achtste tot de eerste eeuw v.Chr. het gebied tussen de rivieren de Arno en de Tiber (thans Toscane, Umbrië en Latium) in het midden van Italië bewoonde. Dit gebied noemt men in dit kader Etrurië.

Etrurië was in de oudheid een landschap in het midden van Italië dat Toscane, het noordelijke deel van het huidige Latium en delen van Umbrië omvatte. Het was het thuisland van de Etrusken en een van de belangrijkste landen aan de Middellandse Zee tot het in de 3e eeuw v.Chr. door Rome werd ingenomen.
Van 1801 tot 1807 werd de naam Etrurië weer gebruikt voor het door Napoleon geschapen Koninkrijk Etrurië voor het huis Bourbon-Parma. Deze familie kreeg het grondgebied ter compensatie voor hun hertogdom Parma dat hij had geannexeerd. De eerste koning van Etrurië werd Lodewijk (1773-1803), echtgenoot van hertogin Maria Louisa van Lucca (1782-1824), dochter van Karel IV van Spanje. Deze stierf echter al in 1803 en werd opgevolgd door zijn zoon Karel Lodewijk (1799-1883) met Maria Louisa als regent. Het Verdrag van Fontainebleau maakte in 1807 alweer een einde aan het jonge koninkrijk. Etrurië werd aan Frankrijk toegevoegd in ruil voor Noord-Portugal, dat Frankrijk aan Spanje afstond. Napoleon herstelde het groothertogdom Toscane en schonk het aan zijn zuster Elisa Bacciocchi. Na Napoleons val in 1814 kwam de oude Habsburgse groothertog Ferdinand III weer aan de macht. Karel Lodewijk kreeg ter compensatie na het Congres van Wenen in 1815 het Hertogdom Lucca toegewezen.

Door de zeer succesvolle handel in ijzer (destijds een nieuw en kostbaar product) en het contact met Griekse kolonisten op het Italisch schiereiland (de Etrusken namen van hen het schrift en de techniek om aardewerk met het pottenbakkerswiel te maken over) heeft de Etruskische cultuur zich kunnen ontwikkelen tot een van de meest hoogstaande culturen van Europa. De Etrusken worden ook wel als de "grote voorgangers" van de Romeinen beschouwd.

Ondanks de grote beïnvloeding van de Griekse cultuur en de culturen van het Oosten (die vooral na 700 v.Chr. waarneembaar wordt) heeft de Etruskische cultuur altijd een zeer eigen identiteit gehad. Zo hadden de Etrusken, met uitzondering van enkele leenwoorden, een geheel eigen taal, die in tegenstelling tot de contemporaine talen van het Italisch schiereiland geen Indo-europese taal was. Daarnaast waren bepaalde gebruiken niet in in overeenstemming met de Italische tradities. Met name de rol van de vrouw, die in de Etruskische samenleving veel groter was dan bijvoorbeeld in de Griekse en Romeinse samenleving, en het typische Oosterse gebruik om de wil van de goden in de ingewanden van offerdieren te lezen. De culturele verschillen met de omringende Italische volkeren waren zo groot, dat in de oudheid al werd gespeculeerd over de herkomst van de Etrusken. Dat debat wordt nog steeds gevoerd.

Etruscheria en etruscologie
Na het culturele en intellectuele dieptepunt van de Middeleeuwen staan de Etrusken in de Renaissance weer in de belangstelling: de inwoners en heersers van Toscane en Umbrië keken met trots terug op een glorieus verleden. In de 18e eeuw is er zelfs sprake van een ware etruscheria ('etruscomanie'), aangewakkerd door het populaire De Etruria regali libri septem ('Zeven boeken over het Etrurië der Koningen', 1723) van de Schotse, in Italië werkende geleerde Thomas Dempster (1579-1625), en de vondst van vele topstukken. Met name in de 19e eeuw worden grootschalige "opgravingen" georganiseerd: deze campagnes hadden meer met schatroverij dan met wetenschap gemeen. Etruskische necropoleis werden letterlijk geplunderd in de zoektocht naar juwelen en andere kunstvoorwerpen. Alles wat niet mooi genoeg werd gevonden of geen handelswaarde had werd weggegooid of kapotgemaakt. Zo kwam het voor dat bij ontdekte grafinboedels met veel dezelfde vazen het leeuwendeel werd kapotgeslagen om de exclusiviteit en marktwaarde van de collecties te waarborgen en te bevorderen. Grote verzamelaars waren onder meer Lucien Bonaparte, broer van Napoleon en organisator van dergelijke opgravingen, en (niet in de laatste plaats) het Vaticaan (waaronder paus Pius VII, Gregorius XVI), dat zich in de loop der tijd vele kunstvoorwerpen heeft toegeëigend. Vele particuliere verzamelingen vormden later de kern van belangrijke museale collecties (Museo Gregoriano Etrusco, Villa Giulia, Musée du Louvre, British Museum, Rijksmuseum van Oudheden, etc.).

De wetenschap die zich vandaag de dag met de studie naar alle facetten van de Etruskische cultuur bezig houdt is de etruscologie. Als grondlegger van de moderne etruscologie wordt de italiaanse hoogleraar klassieke archeologie Massimo Pallottino (1909-1995) beschouwd. Zijn Etruscologia (1942) geldt als een belangrijk standaardwerk. Bij de reconstructie van de Etruskische cultuur is men vooral aangewezen op archeologisch onderzoek. De Etrusken hebben een zeer rijke materiële cultuur nagelaten, maar van hun literatuur is vrijwel niets overgeleverd. Alhoewel zij religieuze boeken hadden, zoals de beroemde liber linteus Zagrabiensis (waarvan een deel met ca. 1300 woorden is overgeleverd), zijn er weinig aanwijzingen dat ook andere literaire genres (dichtkunst, wetenschappelijke verhandelingen, etc.) werden beoefend.

Wel vinden we talloze vermeldingen bij Griekse en Romeinse auteurs (van de Romeinse keizer Claudius is bekend dat hij een 20 delen tellende -helaas niet overgeleverde- geschiedenis van de Etrusken schreef; verder vermeldingen bij Herodotos, Dionysios, Ploutarchos, Livius, Plinius maior, Cicero, Seneca minor, en anderen), maar hun beschrijvingen zijn vaak kort, foutief of (niet in de laatste plaats) bevooroordeeld.

De herkomst van de Etrusken
Het debat over de etnische formatie van de Etrusken wordt al sinds de oudheid gedomineerd door twee theorieën, die de geleerden van vandaag de dag nog steeds in 'oriëntalisten' en 'autochtonisten' scheiden:
1. Volgens de Griekse geschiedschrijver Herodotos (5e eeuw v.Chr.) stamden de Etrusken uit Lydië. Hij beschrijft hoe ten gevolge van een tragische hongersnood de Lydische koningszoon Tyrsènos een deel van de bevolking meegenomen heeft naar de andere zijde van de Middellandse Zee om daar een nieuw leven te beginnen, en zo zouden zij in het land van de Ombrikoi (de Umbriërs) zijn terechtgekomen. Deze stelling werd door vrijwel alle historici in de oudheid aanvaard. Deze volksverhuizing zou ca. 1200 v.C. moeten hebben plaatsgevonden.
2. Dionysius van Halicarnassus (1e eeuw v.Chr.) achtte de stelling van Herodotos echter een fabel. Hij maakte een vergelijking tussen de Lydiërs en de Etrusken van zijn tijd, en concludeerde dat er geen enkele verwantschap bestond. Hij beschouwde de Etrusken als een autochtone bevolkingsgroep in de streek die ruw geschetst, begrensd wordt door de Tyrrheense Zee, de Tiber, de Apennijnen en de Arno.

Later kwam de bekende Italiaanse archeoloog M. Pallottino met een nieuwe zienswijze. Hij was van mening dat het zoeken naar de herkomst van het Etruskische volk uitgaat van een onjuiste veronderstelling, namelijk dat volkeren één nauwkeurig te bepalen herkomst zouden kunnen bezitten. Hij wees in dit opzicht op de huidige Franse beschaving, die culturele elementen in zich bergt van de Kelten, (Gallo-)Romeinen, Franken, Visigoten, Bourgondiërs en Normandiërs. De herkomst van de Fransen terug te leiden naar één van de genoemde groepen zou de complexe realiteit geweld aandoen. Liever sprak Pallottino dan ook van de 'vorming' van het Etruskische volk, die heeft plaatsgevonden in prehistorisch Italië gedurende een lange periode. Autochtone bevolkingsgroepen en nieuwkomers vanuit het oostelijke Middellandse-Zeegebied kunnen zijn versmolten tot een volk dat in historische tijd als een eenheid werd beschouwd. De vrij sterke culturele verschillen tussen de verschillende steden maken deze visie aannemelijk.

Archeologische en andere aanwijzingen
. Op het eiland Lemnos in het noorden van de Egeïsche Zee werd in 19e eeuw een grafstèle gevonden, de zgn. Stèle van Kaminia, met een inscriptie in een taal die gelijkt op het Etruskisch. Volgens enkele wetenschappers betreft het hier een archaïsche vorm van het Etruskisch. Daarmee zou deze vondst dus pleiten voor Herodotos' stelling van een Oosterse herkomst.
. . Daarentegen menen sommige geleerden op basis van bepaalde grammaticale uitgangen dat het Lemnisch juist een jongere vorm van het Etruskisch is (m.a.w. men heeft het eiland vanuit Etrurië aangedaan). Daarnaast dateert de stèle uit ca. 510 v.C., en men begint in Etrurië al vanaf 700 v.C. te schrijven!
. . In de klassieke literatuur bestaan geen vermeldingen van op Lemnos wonende Etrusken. Sterker, volgens Homeros woonden er Thracische sintiërs.
. . Een andere zienswijze ten aanzien van het Lemnisch is dat zowel het Lemnisch als het Etruskisch twee (zeldzame) onafhankelijke overblijfselen zijn van een vóór-Indo-europese oertaal, die bij de komst van de Indo-Europese talen zijn blijven bestaan.
. Voor de aanwezigheid van Tyrsênoi in Klein-Azië bestaan geen archeologische bewijzen, terwijl de Etruskische materiële cultuur op het Italisch schiereiland een zeer lange navolgbare traditie heeft (tot ver vóór 1200 v.C.), met veel Italische invloeden.
. Oriëntalisten menen dat de volksverhuizing heeft plaatsgevonden na 1200 v.C. Egyptische teksten vermelden dat rond die tijd (farao Merneptah, Ramses III) de Egyptische noordkust wordt geteisterd door plunderingen van de beruchte zeevolken. Een van de volkeren zijn de Twrsh (Teresh/Tursha). Volgens sommigen zijn dit de Tyrsênoi op hun weg naar Midden-Italië.
. Recentelijk is ontdekt dat Homeros een Etruskische naam noemt ("Lethos") in de context van Troje. Troje echter lag veel noorderlijker dan waar Herodotos Lydië situeerde. Misschien is Herodotos' situering van Lydië als moederland van de Etrusken onjuist en lag het eigenlijke gebied van de Lydiërs vóór Herodotos' tijd noordelijker.
. In 2007 selecteerde prof. Alberto Piazza (Universiteit van Turijn) op basis van typisch Toscaanse achternamen mannen uit drie Toscaanse steden. Hij onderzocht hun erfelijk materiaal en vergeleek dat met DNA-stalen uit andere regio's zoals Zuid-Italië, de zuidelijke Balkan, het eiland Lemnos en Turkije. In één Toscaanse stad, Murlo, troffen we een genetische variant aan die verder alleen in Turkije gevonden werd, zegt Piazza. De Etrusken waren immigranten uit het zuiden van Klein Azië luidt zijn conclusie.
. Recent biochemisch onderzoek (mitrochondriaal DNA bij Toscaanse runderen, 2007) zou duiden op een herkomst van deze rassen uit Anatolië.

De taal
De Etruskische tekens zijn erg verwant met die van de Grieken. Er zijn zo'n 12000 Etruskische inscripties bewaard. Het Etruskisch is relatief makkelijk te lezen omdat zij het Grieks alfabet hanteerden, weliswaar geschreven van rechts naar links. Het grootste probleem is dat we geen inhoudelijk diepgaande teksten hebben. De meeste teksten zijn korte grafinscripties, votiefteksten of korte verklarende teksten op vazen, beeldjes, spiegels, munten en grenspalen. De langste tot nu toe gevonden tekst is een linnen boek (Liber linteus Zagrabiensis), overgeleverd als mummiewindsel, dat ca. 1300 woorden bevat; het betreft hier een rituele kalender. Daarnaast beschikken we nog over enkele andere langere teksten zoals de Steen van Perugia (juridisch document ivm een grensgeschil), de bronzen Tabula Cortonensis (lange juridische tekst over de verkoop van gronden) en de Tabula van Capua (een archaïsche religieuze tekst). Zeer uitzonderlijk zijn de gouden Plaatjes van Pyrgi (2 in het Etruskisch, 1 in het Fenicisch, de taal van Carthago); de plaatjes hebben het alle drie over de schenking van een tempel, maar zijn spijtig genoeg geen exacte vertalingen van elkaar. Vermeldenswaardig tenslotte zijn de Teerlingen van Tuscania (met de telwoorden van 1 tot 6 voluit geschreven) en de Lever van Piacenza, een bronzen modellever met godennamen, gebruikt bij het onderwijs voor Haruspices (zieners).

Linguïsten slagen er niet in de Etruskische taal te classificeren, maar zoveel is zeker: het Etruskisch is in géén geval verwant met de andere talen van Italië (Keltisch, Latijn, Oskisch, Umbrisch, etc.), het behoort niet eens tot de Indo-Europese taalfamilie, en zelfs niet tot de Semitische talen van het Oosten. Vanuit een aantal tweetalige teksten, maar vooral vanuit de inhoudelijke en structurele vergelijking van Etruskische teksten met gelijkaardige opschriften uit het Grieks of het Latijn, zijn ondertussen zo'n tweehonderd woorden duidelijk, alsook het feit dat het Etruskisch een agglutinerende taal is.

Geschiedenis van de Etrusken
. De Villanovaperiode (ca. 1100 - 700 v.Chr.).
. De Oriëntaliserende periode (ca. 700 - 600 v.Chr.)
. De Archaïsche periode (ca. 600 - 480 v.Chr.)
. De Klassieke en Hellenistische periode (ca. 480 - 30 v.Chr.)

De vroegste aanwijzingen voor de Etruskische cultuur dateren uit de late bronstijd.

Onder de Villanovacultuur, vernoemd naar de stad Villanova, nabij Bologna , wordt een cultuur uit de Italiaanse vroege ijzertijd verstaan, gedateerd van de 9e eeuw tot ca. 650 v.Chr. De cultuur is zeer verwant met de Hallstatt-cultuur in het noorden en er zijn vele aanwijzingen voor contacten. Deze cultuur wordt beschouwd als de voorloper van de Etruskische beschaving, maar het is niet zeker of de mensen van het Villanovavolk ook de voorouders van de Etrusken waren.
De rijkdom van de Villanova-cultuur berust op de rijke koper- en ijzerertsen van Toscane. De ijzerindustrie produceerde wapens en werktuigen, de bronsindustrie verlegde het accent naar vaatwerk, helmen en sieraden. Deze rijkdom legde de basis voor de Etruskische beschaving. De Etrusken hebben waarschijnlijk ook veel gewoonten en de religie overgenomen. (Etruskische cultuur ligt in de archaïsche periode (6e eeuw v.C.), neergang en einde in de klassieke en hellenistische periode.

Hun oorspronkelijke gebied was gelegen in Toscane, de vallei van de Tiber in Umbrië en een deel van Latium. In Umbrië hoorde het gebied van Perugia vanaf het begin tot hun kernland en in Latium het Noord-Westen van deze regio, namelijk de hele linkeroever van de Tiber, het gebied rond het Lago di Bracciano en het gebied rond het Lago di Bolsena. Hun eigenlijke beschaving heeft zijn wortels in de Villanova-cultuur, maar zij begonnen pas het schrift te gebruiken omstreeks het midden van de 8e eeuw v.Chr., toen zij contacten onderhielden met de Grieken en de Feniciërs, beiden zeevarende volkeren.

In de 7e eeuw v.Chr. bouwden zij op hun beurt hun zeemacht uit en stichtten verschillende havensteden.

De 6e eeuw v.Chr. was toch hun belangrijkste periode: zij breidden hun invloedssfeer uit, in noordelijke richting tot aan de voet van de Alpen, en in het zuiden tot Campanië. Op zee bereikten zij de oostkust van Corsica, en zij sloten met de Carthagers een bondgenootschap tegen de Grieken van Magna Graecia. De stichting van Alalia door inwoners van het Griekse Phocaea in 565 v.Chr. op de oostkust van Corsica vormde een bedreiging voor de Etrusken. Vluchtelingen uit Phocaea in Klein-Azië, die uit hun stad geëmigreerd waren na de Perzische verovering in 545 v.chr. voerden raids uit op de Etruskische kust. In de zeeslag bij Alalia (omstreeks 535 v.Chr.) vocht een vloot van Carthagers en Etrusken tegen de Grieken van Phocaea. De Grieken leden zware verliezen zodat ze Corsica ontruimden.

De stad Rome werd misschien niet door hen "gesticht", maar alleszins toch veroverd (dat blijkt uit de sage van koning Tarquinius Priscus en zijn opvolgers, de dynastie der Tarquinii) en tot een "moderne" stad uitgebouwd (volgens de traditie onder koning Servius Tullius).

Tegen het einde van de 6e eeuw v.Chr. begon hun machtspositie af te takelen. Eerst leden zij een nederlaag (in 474, de Slag bij Cumae) tegen de Grieken onder Hiëro I van Syracuse. Zij verloren langzaam hun greep op Campanië en Latium, en de Tarquinii werden uit Rome verjaagd, volgens de traditie in 509 v.Chr.. In 479 v. Chr. versloeg de dicht bij de Tiber gelegen stad Veii een Romeins leger bij de Cremera rivier, maar in 396 v.Chr. werd de stad door de Romeinen veroverd. Kort daarop kregen de Etruskische steden de genadeslag door de invallende Galliërs in 390 v.Chr. Rome veroverde, nadat het de Galliërs hadden verdreven, langzaam maar zeker heel Etrurië. De laatste vrije Etruskische steden Caere en Volsinii werden respectievelijk in 273 en in 265 v.Chr. onderworpen.

In 90 v.Chr. kregen de Etrusken het Romeinse burgerrecht, waardoor zij definitief in het Romeinse Rijk werden geïntegreerd. Zo verloren zij dan snel hun eigenheid, hoewel hun taal tot het begin van onze tijdrekening werd gebruikt naast het Latijn. Grote delen van de Etruskische bevolking werden uitgeroeid door Sulla tijdens de bondgenotenoorlog.

Politieke en sociale structuren
Etrurië vormde géén "rijk" met een centralistisch bestuur: er bestond een twaalftal onafhankelijke vorstendommen (stadsstaten) die met elkaar een confederatie hadden gevormd (de zgn. dodekapolis of Etruskische twaalfstedenbond). Oorspronkelijk had een "lucumo", een soort sacraal-militaire monarch, de leiding in zijn "lucumonie", maar dat systeem werd later iets meer gedemocratiseerd en dan zien we een "zilath" opduiken, een tijdelijk aangestelde heerser (zoals de Romeinse consul of dictator).[9]

De Etruskische maatschappij had een gelaagde structuur. Bovenaan stonden de aristocraten die begraven werden in een weelderig graf in een necropolis. Daarnaast waren er handelaars, ambachtslui, boeren en helemaal onderaan de slaven.[10]

De fresco's in de graven van de necropolis van Tarquinia uit de 6e en 5e eeuw v.Chr. tonen ons een levenslustig volk dat hield van uitgelaten feesten, met dans en muziek. Wat nog het meest opvalt is een - voor die tijd, en in vergelijking met Grieks-Romeinse toestanden - hoogst ongewone sociale gelijkheid tussen man en vrouw. Etruskische vrouwen lagen naast hun man mee aan de feesttafels en namen deel aan uitingen van het openbare leven.

De stichting van steden
Van bij het aanbreken van de historische tijden waren de Etrusken de eersten die steden stichten in centraal Italië. De rationele indeling van de stadsruimte, met straten die elkaar kruisen in een rechte hoek, zal echter pas later voorkomen, vanaf het midden van de 6e eeuw v.Chr., onder invloed van de Griekse wereld, met name Ionië. De principes van een regelmatig urbanisme, voor zover de Etrusken besloten om ze toe te passen (wat niet altijd of overal het geval was) geraakten dus pas in de loop van het Archaïsche tijdperk in zwang. Deze principes komen niet zozeer tot uiting in de herindeling van bestaande agglomeraties, maar eerder in nieuwe verwezenlijkingen zoals de kolonie Marzabotto ten noorden van de Apennijnen, of in Etrurië de Necropoli della Banditaccia in Cerveteri, maar alleen in de sectoren die gevrijwaard gebleven zijn van de tumulustombes die al geplaatst waren. Als we aannemen dat dat zo is, en hoe onregelmatig het grondplan ook is en hoe wankel de gebouwen ook zijn, dan krijgt de Etruskische stad vaste vorm tussen midden van de 8e eeuw en het begin van de 7e eeuw v.Chr.

Op dat moment laten ze zich gelden als een materiële realiteit , maar ook (en essentiëler) als een juridische realiteit, als hoofdstad van een grondgebied, waarbij op eenzelfde plaats de politieke, militaire en religieuze macht verenigd worden. In de Etruskische mentaliteit was de prestige van de stad zo groot dat ze als heilig beschouwd werd. Latijnse schrijvers bevestigen dat de Etruskische disciplina, met andere woorden van de Etruskische godsdienst, onder andere voorschreven volgens welk ritueel de steden gesticht worden en de altaren en tempels ingewijd worden om te zorgen voor de onschendbaarheid van de omwallingen en de rechtmatigheid van de poorten

De omwallingen
De Etrusken maakten hoofdzakelijk gebruik van de natuurlijke verdedigingsmiddelen om hun versterkte omwalling te plaatsen. In zuidelijk Etrurië , waar het reliëf uit vulkanische turfsteen bestaat, zijn de wallen vaak niet meer dan een vervollediging van de kunstmatig opgetrokken rotshellingen, die om het zo te zeggen de kern van de vestingsmuur vormen. In hun oudste vorm zijn de Etruskische omwallingen terug te brengen tot een houten omheining of zijn ze opgetrokken uit onregelmatige breuksteen.

de muren van onbewerkte bakstenen, die gewoon in de zon gedroogd werden, zien we pas vanaf de VIIe eeuwv.C. Daarvan kennen we slechts enkele zeldzame voorbeelden. De vergroting van de omwallingen , of anders gezegd : hun bouw in grote blokken steen die droog geplaatst werden begint pas in de Vie eeuw v.C. Dit fenomeen zien we in de grote steden en soms in de secundaire vestigingen die ervan afhingen. De omwallingen in veelhoekig metselwerk van Rosselle zijn daar een mooi voorbeeld van dat bovendien ook nog buitengewoon goed bewaard is gebleven. De bouw van muren in gehouwen steen neemt toe in de volgende eeuwen ten gevolge van de toenemende dreiging - van de Grieken, de Galliërs en de Romeinen - die op de Etruskische steden weegt. De Hellenistische omwallingen van Volterra, die gebouwd is van schelpkalksteen, bekoort door de grote variatie van zijn verbindingen in onregelmatig rechthoekig metselwerk en trekt tot vandaag de dag nog zijn okergele lint rond de stad en zijn tuinen. Volgens de Etruskisch godsdienst ploegde de stichter van de stad de plaats van de omwallingen om en hief hij zijn ploeg op, op de plaats waar de stadspoorten moesten kwamen.

British Museum's Romano Estruscan rooms

Sier- en beeldende kunsten
De Etruskische kunst wordt gekenmerkt door de liefde voor schoonheid van de Etrusken. Dat bewijzen hun necropolen (= grafsteden). Hun kunst had een geheel eigen karakter. Zij vervaardigden geen beelden van marmer, maar maakten veelvuldig gebruik van brons en klei (terracotta). Zie ook: Etruskisch kamergraf.
Voorbeelden:
. de beroemde Lupa Capitolina Ca 500 v.Chr.
. de Apollo van Veii. Terracotta. Hoogte 1,8 m. Ca 500 v.Chr.
. de Chimaera van Arezzo. Brons. Hoogte 80 cm. Vroege 4e eeuw v.Chr.
. de "Mars" van Todi. Brons. Hoogte 1,41 m. Vroege 4e eeuw v.Chr.
Hun beelden zijn realistisch en vertonen niet steeds de tendens tot idealisering die zo typisch is voor de Griekse kunst.
De Etrusken waren eveneens onovertroffen meesters in het bewerken van goud tot schitterende juwelen. Hun schilderkunst vertoont enige verwantschap met die van de Grieken. De graven van de aristocratie waren soms versierd met fresco's in levendige kleuren. De belangrijkste vindplaatsen van deze fresco's zijn Tarquinia, Veio en Sarteano.
Belangrijk was ook het aardewerk. De meest typisch Etruskische vorm van aardewerk was Bucchero dat een zwarte of asgrijze kleur had. Dit werd eerst geproduceerd in Caere in de 7e eeuw voor Chr. Bucchero werd geëxporteerd over heel het Middellandse Zeegebied en naar Centraal Europa.

De Etruskische kunst kan niet los worden gezien van de invloed die zij, vanuit het moederland en Groot-Griekenland, ondergaan heeft van ontwikkelingen in de Oud-Griekse kunst. De resultaten van deze invloed verschillen per kunstvorm. Er is geen sprake van slaafse imitatie: de Etruskische kunst heeft haar eigen karakter.
In de oriëntaliserende periode van de Etruskische kunst, van 700 tot 575 v.Chr., kwam de invloed vooral van Fenicië en de Oud-Cypriotische cultuur. Vanaf 625 begon de Griekse invloed de overhand te nemen. Grotere sculpturen (zoals die van 'de meester van de Apollo van Veii' Vulca) en muurschilderingen deden hun intrede. Deze invloed hield aan gedurende de periode van de Griekse Archaïsche kunst. Het verlies van de Slag bij Cumae (zie Etruskische geschiedenis) tekende het begin van het politieke en culturele verval ven Etrurië. De Oud-Griekse invloed nam tijdens de Klassieke periode af. In de 3e eeuw v. Chr. kwam het Hellenisme weer meer overeen met de Toscaanse smaak en liefde voor het realistische.

Etruskisch aardewerk wordt gekenmerkt door haar sierlijke vormen. Een belangrijke collectie van Etruskisch keramiek kan gezien worden in de Ny Carlsberg Glyptothek in Copenhagen en in de Villa Giulia te Rome. Alhoewel er gewone Etruskische vazen bestaan, was de meest typisch Etruskische vorm van aardewerk bucchero dat zwart of asgrijs was. Dit werd eerst geproduceerd in Caere in de 7e eeuw voor Chr. De pottenbakkers van deze stad (nu Cerveteri) waren de uitvinders van dit zwarte aardewerk dat bekomen werd door de vorm die uit klei gemaakt was een lange periode in een oven zonder zuurstof te laten carbonizeren. Bucchero werd geëxporteerd over heel het gebied van de Middellandse Zee en zelfs naar Centraal Europa. Schalen, borden en schotels in bucchero werden gebruikt bij de maaltijden. Kleine potjes en doosjes in bucchero dienden om parfum, cosmetica en juwelen te bewaren.

Architectuur en stedenbouw
We kennen de Etruskische architectuur best uit de dodensteden, meestal necropolis genoemd. Pas recent is in Murlo een belangrijk aristocratisch paleis opgegraven en wetenschappelijk onderzocht. Rome zou er zonder de Etrusken beslist anders hebben uitgezien. Het rioleringssysteem (cloaca), de wegenbouw, het atrium-huis, de oudste (Romeinse) tempels, allemaal zijn ze op Etruskische ideeën gebaseerd. Op het gebied van de architectuur waren zij immers onovertroffen grootmeesters: ze voerden de boog en het gewelf in, en het gebruik van baksteen uit gebakken klei.
Voordat het Hellenisme in de keizertijd de officiële Romeinse staatskunst werd, bouwden de Etrusken al eeuwen tempels naar het model van de Jupitertempel op het Romeinse Capitool (gebouwd onder koning Tarquinius Superbus; meer dan een halve eeuw vóór de Parthenon te Athene).

Alhoewel geen enkele Etruskische stad goed bewaard gebleven is, kunnen we toch dankzij de archeologie iets weten over hun wooncultuur. Op de site van Marzabotto, dicht bij Bologna, werd een stadsdeel opgegraven uit het begin van de 5e eeuw v.Chr. Er stonden grote huizen gebouwd uit baksteen op funderingen in natuursteen. In Volterra is een Etruskische poort bewaard. Op meerdere plaatsen in Etrurië heeft men vastgesteld dat de tempels versierd waren met beeldhouwwerk dat goden of mythologische wezens voorstelde. Veel energie werd besteed aan de bouw van graven voor de aristocratische klasse, zoals in Cerveteri en in Tarquinia. De Etruskische architectuur, die een grote invloed uitoefende op de Romeinse, was in Italië zeker vernieuwend. De Etruskische bouwmeesters voerden de boog en het gewelf in, en het gebruik van baksteen uit gebakken klei.

Etrukische schilderkunst
De Etruskische schilderkunst vertoont enige verwantschap met de Oud-Griekse. We vinden ze vooral terug op de muren van de typische Etruskische kamergraven. De belangrijkste vindplaatsen van deze fresco's zijn Tarquinia, Veio en Sarteano. Enkele bekende graven met fresco's uit Tarquinia zijn het graf van de Stieren, het Orcus graf, het Orcus II graf, het graf van de Auguren, het graf van de jacht en de visvangst en het graf der Luipaarden. Men vermoed dat in de 2e helft van de 6e eeuw voor Chr. Griekse kunstenaars die zich in Tarquinia gevestigd hadden actief meegewerkt hebben aan deze fresco's.

Muziek
Als we de beeldende kunst mogen geloven, hielden de Etrusken erg veel van muziek en dans. Vaak worden dansers uitgebeeld in sensuele, gestileerde houdingen, die nu nog in het verre Oosten (India, Bali) voorkomen. Voor de begeleiding kende men (in oorsprong Griekse) instrumenten als dubbelfluit en lier.

Etruskisch kamergraf
Het Etruskische kamergraf is een bepaald graftype in de Etruskische cultuur. Het kamergraf is onstaan in de oriëntaliserende periode (ca. 700-600 v.C.) en vermoedelijk voortgekomen uit het greppelgraf, het voor de Villanovaperiode (ca. 900-700 v.C.) typische inhumatiegraf (dat overigens in de oriëntaliserende periode blijft bestaan). Aanvankelijk bouwt men met natuurstenen blokken bovengrondse grafkamers met een lange toegangshal, waarover een aarden heuvel wordt opgericht (zgn. tumuli). Mooie voorbeelden hiervan bevinden zich op de Banditaccia-necropolis van Cerveteri. Vanaf ca. 650 v.C. worden kamergraven volledig onder de grond gemaakt. Overigens geldt dat niet voor heel Etrurië, omdat het gebied in bepaalde streken geologisch anders is dan in andere. Ondergrondse kamergraven vinden we vooral in het zuiden van Etrurië. De mooiste voorbeelden van ondergrondse kamergraven vinden we wellicht in Tarquinia. Een pionier in het onderzoek van dergelijke graven was de etruscoloog Carlo Lerici.

Het zijn vooral de wandschilderingen in de Etruskische kamergraven die voor de schilderkunst van betekenis zijn. Het Etruskische schilderwerk is echter wel grover, minder fijn in penseelbewerking, maar wel realistischer in figuratie dan de werken uit de Attische stijl, uit de gelijktijdige periodes. Voor de schilderkunst is Tarquinia wel de voornaamste vindplaats.
Tot de oudste vondsten behoort het graf met de Bocchoris-vaas met de opmerkelijke gouden sieraden. Ook de Tomba Regolini-Galassi te Caere, de Tomba Bernardini en de Tomba Barberini te Praeneste, de graven te Marsigliana d'Albegna, Vitulonia en Populonia behoren tot de oudere vondsten en zijn uniek, ook omwille van hun betekenis voor de goudsmeedkunst.
In een 2de periode, tussen 500 en 400 v. chr., vertonen de wandschilderingen erg realistische voorstellingen, zoals de jachttaferelen in de Tomba della Caccia e della Pesca, de palaestra-scènes in de Tomba della Biche, de feestmaaltijden in de Tomba delle Leonese, deTomba dei Leopardi, de Tomba de Triclinio en de figuratie in de Tomba degli Auguri.
Uit de jongste periode, in de 3de en de 2de eeuw v.Chr., vinden we de grote beschilderingen van de Tomba François en de Tomba dell'Orco. Uit dezelfde periode kennen we de opmerkelijke Tomba dei rilievi van Caere, een graf dat reliëf-elementen in stucco vertoont.

In de meeste van deze tomben vinden we ook beeldhouwwerk in albast, terracotta of brons, zowel op sarcofagen in reliëf of losse portretbeelden. Naast niet weg te denken Griekse invloeden (zie: Etruskische kunst#De invloed van de Oud-Griekse kunst), bezit de Etruskische beeldhouwkunst haar eigen karakteristieke kenmerken. Dat wordt zichtbaar in de vorm van de graven.
Het Egyptische vlakornament van de sarcofaag wordt in de Etruskische grafkunst vermengd met een pilastertektoniek, en er ontstaat een dodenlegerstede (zie afbeelding). Het echtpaar ligt uitgestrekt op kussens, elkaar omhelzend, zoals in de Egyptische kunst de goden de koning omarmen. De doden liggen niet in een ideaalpose, maar rustend, op hun gemak. De terracotta plastiek is Oud-Grieks als vormidee, maar verschilt van de Griekse beelden uit dezelfde tijd, namelijk de kouroi, Bij deze beelden gaat het om een ideaaltype, daar waar de Etruskische maker zich vooral heeft bekommerd om het uitbeelden, op een meer evocatieve dan realistische wijze, van de individuele trekken van het paar.
Datgene wat typerend was, werd benadrukt (tot op het karikaturale en onflatteuze af, zoals het pruilmondje van de vrouw, het lange gezicht van de man), en datgene wat niet essentieel was, werd veronachtzaamd. Er is geen sprake van een streven naar harmonie der delen (zoals bij de Grieken): het onderlijf wordt een vormeloze massa gelaten.
Dit naturalisme is religieus gestuurd. Het geloof dat het aardse leven slechts een voorspel is voor het belangrijkere, eeuwige voortbestaan na de dood (in de latere Etruskische cultuur, naar Grieks voorbeeld, in het Schimmenrijk) vormt de basis voor het willen vereeuwigen van de individuele trekken van de dode, om hem zodoende te conserveren voor het hiernamaals, en hem magischerwijs te beschermen tegen duistere krachten.

Godsdienst en levensbeschouwing
Godsdienst en levensbeschouwing waren uiterst belangrijk in de Etruskische maatschappij. Hun godenwereld en mythologie waren gebaseerd op de Villanovacultuur. In de steden aan de kust die intens handel dreven met de Griekse wereld werden naast hun eigen godheden ook enkele Griekse goden vereerd onder een Etruskische naam. De sagen van de Griekse helden Herakles en Theseus waren bekend.
Ze ontwikkelden het begrip van een goddelijke trias (= drie-eenheid), later overgenomen door de Romeinen. Deze bestond uit Tinia (= Jupiter / Zeus), Uni (= Juno / Hera ) en Menrva (= Minerva / Athena).
Ieder jaar kwamen de vertegenwoordigers van de Twaalfsteden-confederatie samen in een centraal heiligdom (in de buurt van Bolsena) waar religieuze plechtigheden werden gehouden en een nieuwe leider van de confederatie werd verkozen. Deze religieuze bond was het werkelijke bindelement van de Etruskische cultuur.
Hun fanatieke geloof in rituelen, voortekens en voorspellingen kwam misschien uit het Nabije Oosten. Een belangrijke beslissing werd nooit genomen zonder eerst bijvoorbeeld de lever van offerdieren, het gedrag van heilig pluimvee of de inslaande bliksem te bestuderen.
Priesters en zieners stonden dus heel hoog in aanzien. Hun leer, genoteerd in de boeken van de disciplina etrusca, had een onuitwisbare invloed op de gehele Romeinse denkwereld. De religieuze literatuur bestond nog in de vroege middeleeuwen, in een Latijnse vertaling.
Dodencultus, voorouderverering en een fatalistisch geloof in het onafwendbare noodlot beïnvloedden het dagelijkse leven. De Etruskische dodensteden met hun onderaardse grafkamers, ingericht als echte huizen vol prachtige beelden, vazen, juwelen en muurschilderingen zijn ronduit sensationeel en zelfs voor die tijd bijzonder levendig. De muurschilderingen beelden taferelen uit van het dagelijkse leven, van historische momenten of mythologische verhalen.

Seksualiteit
Volgens hun vijanden, Grieken en later Romeinen waren de Etrusken onzedelijk, hoewel prostitutie en orgieën in beide culturen voorkwamen. Als we sommige auteurs mogen geloven waren de Etrusken een van de meest losbandige volkeren van de Oudheid. De objectiviteit is in deze roddelpraatjes echter ver te zoeken.
In enkele graven zijn seksueel getinte fresco's gevonden waaruit conclusies zijn getrokken met betrekking tot de seksuele leefwijze van de Etrusken. Het is echter onduidelijk wat de betekenis van deze fresco's is. Volgens een interpretatie van de afbeeldingen zouden mannen en vrouwen samen sporten en werden ze gezien als gelijken. Mannen en vrouwen worden weergegeven als jong en gezond. Een interpretatie die duidt dat partnerwisseling voor zou komen kan worden afgewogen tegen een andere die wijst op het "gebruik" van slaven door de Etrusken.

Opkomst van de Romeinen
Toen in 753 v.Chr. (volgens de mythe) Rome gesticht werd, bleven de Romeinen nog lange tijd onderdrukt door de Etrusken. Vanaf de vijfde eeuw v.Chr. werden de Etrusken echter steeds vaker aangevallen door de Italiërs aan de ene kant en de Kelten aan de andere kant.
Onder meer door deze aanvallen kon een vloot van Syracuse in 453 v.Chr. zonder veel weerstand enkele havensteden verwoesten van Etrurië, wat een flinke tegenslag betekende.
Toen in 390 v.Chr. Rome werd ingenomen door de Galliërs, ging veel van de Romeinse geschiedenis verloren en gingen Romeinse verhalen als mythen verder. Ook de Etrusken kenden hun eigen mythologie en deze vormde de basis voor de Romeinse mythologie. Zo werden bijvoorbeeld de Etruskische tempels als voorbeeld gebruikt door de Romeinen.
Rond de 3e eeuw v.Chr. vielen de Etrusken onder Romeins gezag. De laatste Etruskische stad die door de Romeinen werd ingenomen was Velzna, in 265 v.Chr..
In 90 v.Chr. kregen ze Romeins burgerschap, maar een eeuw later werd hun taal niet meer gesproken. Bovendien is de kennis die we nu hebben over de Etrusken erg gekleurd door de Romeinen en de Grieken.

Italiaanse musea met grote Etruskische collectie
Museo Nazionale Etrusco di Villa Giulia (Rome)
Museo Gregoriano Etrusco, een afdeling van de Vaticaanse Musea (Vaticaanstad)
Museo archeologico nazionale di Firenze
Museo Archeologico Nazionale, Tarquinia

Nederland
Rijksmuseum van Oudheden (Leiden)
Allard Pierson Museum (Amsterdam)


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Etrusken
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 33.