kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 13-01-2016 voor het laatst bewerkt.

fiets

Een fiets (velo) is een voertuig dat door spierkracht wordt aangedreven, bestaat uit ten minste twee wielen, een frame, een zadel, een stuur, een fietsketting en een trapas met pedalen. Sommige fietsen hebben een (hulp)motor. Tot 1966 was de wettelijke term in Nederland rijwiel. In Vlaanderen wordt ook het Franse woord velo gebruikt.

Van de fiets zijn ook andere vervoermiddelen afgeleid, zoals de vooral in Azië populaire riksja en becak, en ook enkele gemotoriseerde varianten die als uitvindingen een "eigen" leven zijn gaan leiden: de bromfiets, snorfiets, scooter en motorfiets.

Geschiedenis van de fiets
Het afleggen van de hobbelige weg van loopfiets tot “veiligheidsfiets” zou ongeveer zeventig jaar beslaan. John Starley’s fiets uit 1885 uitgerust met Dunlops luchtbanden verschilt functioneel niet van onze moderne stadsfiets.

Baron Karl Drais bedacht een zogeheten loopfiets. Deze bestond uit een houten frame, houten wielen met een ijzeren velg, een zeer primitief zadel, een primitief stuur en een soort rem op het achterwiel. De loopfiets had geen trappers; de berijder bewoog zich voort door zich af te zetten tegen de grond. Het eerste exemplaar ontstond in 1817. Von Drais noemde zijn toestel velocipede. Later (ca 1830) ontwikkelde hij ook een handkar die op het spoor gebruikt kan worden. Men noemde zo'n wagentje een draisine naar Von Drais. Pas veel later, aan het eind van de 19e eeuw, duidde men ook de door hem ontwikkelde loopfiets of velocipede aan als draisine. [1][2]

Hoewel de berijder van de draisine de voeten op de grond hield, was toch heel wat balanceerkunst nodig. Dit werd vervelend gevonden, en decennialang werden daarom driewielers en vierwielers gebouwd. Ze werden aangedreven op de manier waarop een spinnewiel of scharensliep wordt aangedreven, met een trapplank en een stangenstelsel.

Pas in 1865 ontstond een toestel dat op onze fiets leek. Het was een tweewieler, gebouwd door de Fransman Pierre Michaux en zijn zoon Ernest. Hun vélocipède (snelle voet, van Latijn: velox, snel en pes, voet) had een ijzeren frame en ijzeren wielen. Aan de voorwielen waren trappers gemonteerd; deze voorloper van onze fiets kende nog geen kettingaandrijving.

Door het ontbreken van een kettingaandrijving was er ook geen overbrengingsverhouding. De snelheid van de fiets kon alleen maar worden opgevoerd door het wiel waarop de trappers waren gemonteerd steeds groter te maken. Zo ontstond rond 1870 de hoge bi (bi van bicyclette, tweewieler), een fiets met een zeer groot voorwiel en een klein achterwiel. Het balanceren op zo'n hoge fiets was niet gemakkelijk en bij obstakels op de weg schoot de berijder over zijn voorwiel. De Hoge Bi die gezien wordt als de start van het Hoge Bi tijdperk was de Ariel, gebouwd door James Starley in 1871. Het was een stalen fiets (geen houten wielen) met radiaal geplaatste spaken, die op spanning gebracht werden door een ingenieus mechanisme dat de spaken in een keer allemaal aanspande.

In 1868 werd de eerste fiets met een kettingaandrijving gebouwd. De trappers zaten nu niet meer aan het wiel, maar aan het frame. Aanvankelijk werd deze aandrijving op driewielers toegepast. In 1885 bouwde John Kemp Starley de Rover, een fiets met een kettingaandrijving, en een frame uit stalen buizen. De beide wielen waren vrijwel even groot. Dit type fiets werd safety genoemd, omdat het fietsen erop veel veiliger was dan op de hoge bi.

In 1888 vroeg John Dunlop patent aan op luchtgevulde fietsbanden, die de banden van massief rubber vervingen. Daarmee was de ontwikkeling van de fiets vrijwel voltooid. Het patent moest hij later weer intrekken, omdat Thomson hem in 1845 al voor was geweest. Hij behield het patent op het ventiel.

Sindsdien is er aan het ontwerp van de fiets niet zoveel meer veranderd. Wel worden tegenwoordig andere materialen toegepast. De frames worden thans vooral gemaakt van aluminium of staal, maar voor duurdere sportfietsen worden ook wel (lichtgewicht) metalen als magnesium en titanium gebruikt. Ook kunnen (delen van) frames gemaakt worden van glas- of koolstofvezel. Ook voor de wielen worden soms andere materialen gebruikt en er bestaan fietsen met een cardanas in plaats van kettingaandrijving. Maar de meeste fietsen lijken nog sterk op de Rover uit 1885. De enige uitzondering daarop zijn de ligfietsen.

1817 De houten draisine
De vulkaanuitbarsting van de Tambora op Soembawa veroorzaakte in 1816 het "jaar zonder zomer" waardoor wereldwijd de oogsten mislukten. In Europa ontstonden transportproblemen doordat voor de last- en trekdieren geen voedsel was. Deze omstandigheid zou de uitvinder Friedrich Christian Ludwig Freiherr Drais von Sauerbronn hebben aangezet tot het ontwikkelen van een dier-onafhankelijk vervoermiddel: de loopfiets[1]. Karl Drais werd in 1785 geboren en studeerde aan de Heidelbergse universiteit. Als houtvester van de groothertog Karel van Baden knutselde hij in zijn vrije tijd dermate verdienstelijk, dat Van Baden hem van zijn reguliere werkzaamheden vrijstelde, waardoor Karl zijn houten transportmiddel kon ontwikkelen. In 1817 legde hij met het 22 kilo wegende prototype vanuit Mannheim een afstand van 13 kilometer af in minder dan een uur. Denis Johnson uit Londen verbeterde de loopfiets in 1819 enigszins, door een welving in het frame, wat de berijder comfortabeler in staat stelde zich op grotere wielen te verplaatsen zonder concessies te hoeven doen aan de zithoogte. Na deze kleine verbetering zou de ontwikkeling vooralsnog stagneren. Waarschijnlijk doordat er weinig commerciële waarde werd gehecht aan dit vervoermiddel zou het bijna vijftig jaar duren voordat de draisine tot de fiets evolueerde. De loopfiets had nog geen rem, maar werd in deze periode wel enigszins populair, en wel dusdanig dat er een paar duizend van werden geproduceerd en dat de autoriteiten zich her en der genoodzaakt voelden het gebruik in de steden aan banden te leggen omwille van de veiligheid.

1866: Pierre Lallements patent
De draisine was letterlijk een voorloper en er zou een Franse mecanicien aan te pas moeten komen om het vehikel tot fiets te transformeren. In 1862 inspireerde een passerende loopfiets de kinderwagenbouwer Pierre Lallement tot het construeren van zijn eigen exemplaar maar dan met pedalen aan het iets vergrote voorwiel. Hoewel het een oncomfortabel en inefficiënt geheel vormde, was dit toch een fiets in zijn meest rudimentaire vorm en niet meer het tweewielig karretje van von Drais. Hij nam voor de fabricage contact op met de gebroeders Olivier en deze broers richtten samen met de smid Pierre Michaux een fietsfabriek op. Nadat Lallement een tijdje voor Michaux had gewerkt, vertrok hij naar de Verenigde Staten waar hij zijn uitvinding in 1866 patenteerde[2]. Het lukte hem niet in Amerika voor zijn bedenksel een bedrijfsmatige bouwer te vinden en hij keerde daarom in 1868 terug naar Frankrijk waar Michaux et Cie, op basis van Pierres ontwerp, gietijzeren fietsen maakte. Hun tweewielers bleken niet erg solide en de concurrentie vaagde de werkplaats spoedig weg.

Met metalen banden en een gietijzeren frame moet het langdurig fietsen op dit ding hebben geleid tot een losgeschudde schedel en daarom noemden de Engelstaligen het een boneshaker. Op de nieuwe Parijse wegen van Macadam (een vorm van wegverharding) bleek het echter een succes en het ontketende tot de Frans-Duitse oorlog van 1870 een ware rage. De volgende innovaties, zoals kogellagers en vaste rubberbanden, maakten het fietsen uiteindelijk tot een minder schokkende ervaring.

1867: De hoge bi
De pedalen van dit transportmiddel waren direct aan het wiel bevestigd en daardoor hadden trapas en wiel dezelfde rotatiesnelheid. Om bij deze constructie de snelheid te verhogen moest het voorwiel worden vergroot en dit resulteerde in de hoge bi, zonder enige twijfel de gevaarlijkste massageproduceerde fiets. In het Engels spreekt men wel van "penny-farthing" (een penny is een grote munt, een farthing is een klein muntje), vanwege het grote voorwiel en het kleine achterwiel. Het massamiddelpunt van de wielrijder zat zo hoog dat een abrupte stop de fietser over het stuur lanceerde. De overmoedige die een heuvel wilde afdalen werd aangeraden de benen op het stuur te leggen om zo een onvrijwillige val op te vangen! Andere nadelen waren het moeizame opstijgen, de onmogelijkheid om bij een tussenstop een voet op vaste grond te zetten en de instabiele wegligging.

Desalniettemin kon een avontuurlijke fietser, zoals de in 1854 geboren Brit Thomas Stevens, met het hoge bespaakte wiel enorme afstanden afleggen. Stevens vertrok op 22 april 1884 richting Oostkust vanuit San Francisco aan de Amerikaanse Westkust met in zijn stuurtas: een tentje, een slaapzak, een paar sokken en een revolver. 104 dagen later en 6000 kilometer verder voltooide hij op 4 augustus 1884 in Boston de eerste transcontinentale fietstocht, van de 104 dagen had hij 20 dagen niet kunnen fietsen vanwege vermoeidheid en het slechte weer. Zijn reisverhaal werd in afleveringen gepubliceerd in ‘Outing Magazine” en dit trok zoveel lezers dat het blad besloot hem als speciale fietscorrespondent te contracteren. Hij fietste via West-Europa naar Iran. In Hongarije werd hij vergezeld door een andere grote wielrijder, maar doordat zij elkaars taal niet spraken bleef de conversatie beperkt. Vervolgens fietste hij door Afghanistan, India en delen van China om met de boot over te steken naar Japan. Stevens stelde dat hij bijna 22 000 kilometer fietsend had afgelegd en hij heeft zijn avonturen vastgelegd in het boek met de originele titel: “Rond de Wereld op een fiets”. Hiermee is duidelijk dat de hoge bi, ondanks al zijn beperkingen, het eerste echt bruikbare rijwiel was.

1885: John Starleys veiligheidsfiets
In Engeland werd de hoge bi geproduceerd door James Starley. Zijn neef John Kemp Starley introduceerde in 1885 de eerste fiets die eigenlijk niet verschilt van de moderne fiets. De Rover Safety van John Starley had een achterwiel met kettingaandrijving, waardoor de pedaalrotatie niet meer gelijk hoefde te zijn aan het draaiende wiel en het hoge wiel niet meer nodig was. Hiermee kreeg de fiets zijn moderne uiterlijk dat in wezen sinds 1885 niet meer is veranderd. Doordat de wielrijder nu veel lager en verder van het stuur zit, is het valrisico minimaal. Bovendien werd de wrijving verminderd door de toepassing van kogellagers. Het comfort was echter nog steeds niet optimaal doordat de banden nog steeds van massief rubber waren, maar dit veranderde reeds in 1888 met John Dunlops luchtbanden. Nu brak het gouden fietstijdperk aan dat zou duren totdat de onstuitbare opmars van de auto de populariteit van alle andere transportvormen zou overvleugelen (toen de fiets eindelijk bruikbaar was verliet de eerste auto bijna de fabriek).

De fiets in de 21e eeuw
Als Starley uit het graf zou opstaan dan zou het hem waarschijnlijk weinig moeite kosten een regulier rijwiel te herkennen: de oervorm uit 1885 is immers behouden maar door het lichtgewicht materiaal, de geavanceerde derailleurs en het hoogwaardige wegennet is het fietsen geëvolueerd tot de meest economische manier van voortbewegen en met aanzienlijk meer gemak dan in de 19e eeuw. In 1817 rolde Karl Drais 13 kilometer in een uur terwijl Ondřej Sosenka in 2005 bijna 50 kilometer in zestig minuten aflegde! Met een ligfiets gaat het nog sneller doordat dit rijwiel door de lagere luchtweerstand efficiënter is dan de standaardfiets. In 2006 reed Fred Markham met zijn ligfiets in een uur 86 kilometer. In het dagelijks gebruik is een ligfiets echter nogal onhandig door de verminderde wend- en zichtbaarheid en daardoor is slechts een fractie van de verkochte fietsen een aërodynamisch aangenaam lage ligfiets.

Hoeveel fietsen wereldwijd in gebruik zijn is natuurlijk erg moeilijk te schatten maar volgens het Worldwatch Earth Policy institute worden jaarlijks meer dan 100 miljoen fietsen geproduceerd en als wij ervan uitgaan dat fietsen gemiddeld 10 jaar mee gaan dan moeten er meer dan 1 miljard bruikbare fietsen zijn. 75 procent van de wereldfietsproductie vindt plaats in China en het overgrote deel hiervan wordt geëxporteerd. Het Chinese fietsgebruik daalt overigens zeer snel, hetgeen leidt tot ernstige milieuverontreiniging. In 1998 fietste 60% van de Bejingse werknemers naar zijn baas terwijl dit percentage al in 2002 was teruggelopen tot minder dan twintig.

Records
Het werelduurrecord fietsen (de afgelegde afstand na 1 uur fietsen) is 49,700 km, sinds 2005 en staat op naam van Ondřej Sosenka uit Tsjechië. Op een gestroomlijnde ligfiets kan het echter nog harder: in 2008 bereikte de de Sloveen Damjan Zabovnik een afstand van 87,123 km, en op 19 september 2008 bereikte de Canadees Sam Whittingham over tweehonderd meter, met vliegende start, een snelheid van 132,5 kilometer per uur.

Kinderfiets
Een kinderfiets is kleiner en daardoor is het moeilijker het evenwicht te bewaren. Om te leren fietsen kunnen zijsteuntjes met wieltjes gemonteerd worden of kan aan de fiets een stok worden bevestigd die wordt vastgehouden door een meelopende volwassene. De banden van een kinderfiets zijn gemiddeld breder om de stabiliteit te verhogen. Veel kinderfietsen hebben een achteruittraprem zodat kinderen zich kunnen concentreren op het sturen in plaats van op het remmen.

Heren en dames
Gewone fietsen worden vaak onderscheiden in een "heren-" en "damesmodel".

De eerste "moderne" fietsen werden in de 19e eeuw gebouwd met een min of meer horizontale bovenbuis. Doordat deze door rokdragende dames moeilijk berijdbaar waren lieten constructeurs de bovenbuis zakken, tot bijna parallel aan de onderbuis. Zo ontstond het damesmodel.

Het traditionele model (feitelijk dus onterecht als herenfiets omschreven) is door de driehoeksconstructie van de buizen steviger dan het damesmodel. Wil men het damesmodel even stevig maken, dan wordt de constructie zwaarder. Zou men de bovenbuis uit een herenfiets wegzagen (wat soms wordt geprobeerd door vrouwen die een tweedehands fiets kopen), dan breekt de resterende fiets gauw doormidden.

Inmiddels door traditie blijven zowel mannen als vrouwen de voorkeur geven aan heren-, dan wel damesfietsen, hoewel daar vaak geen reden meer voor is. Veel vrouwen dagen nooit een rok en veel mannen realiseren zich niet dat een herenfiets steviger is.

Tegenwoordig zijn er zelfs fabrikanten die 'damesfietsen met bovenbuis' maken. Ze doen dit om zo min mogelijk verschillen te hebben tussen de verschillende types die in productie zijn. Het betreft hier een fiets met een extra dikke onderbuis die zonder bovenbuis al berijdbaar is. Er wordt een bovenbuis aan toegevoegd omdat de mannelijke kopers dat willen.

Een tussenvorm waren de "mixte-frames" waarbij men de bovenbuis liet zakken tot halverwege de zitbuis. Soms loopt de bovenbuis dan nog door naar de achteras. Deze constructie is sterker dan een "echt" damesframe en werd vooral gebruikt in de jaren zeventig en tachtig voor sportieve damesfietsen. Door het thans gangbare sloping frame voor race- en sportfietsen is het mixte-frame in onbruik geraakt.

Damesfietsen zijn wel populair, soms in aangepaste vorm of benaming als seniorenfiets, onder ouderen door de gemakkelijker instap.

Tandem
Een sport- of racetandem is meestal met een bovenbuis voor en achter. Een eenvoudige toertandem, waarvan de fabrikant zelden meer dan een model aanbiedt, is meestal zonder bovenbuizen, zodat iedereen tevreden is.

Ook een ladyback komt voor. Dit is een tandem met een kruisframe, dus een buis van balhoofd naar achteras. Deze buis biedt voor de 'stoker' (achter) een lage instap.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Fiets
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 911.