kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30 11 2016 14:40 voor het laatst bewerkt.

filosofie

De term filosofie komt uit het klassieke Grieks en betekent liefde (filia = vriendschap, fileo = liefde, kus) voor of streven naar kennis of wijsheid (sofia).

Filosofie of wijsbegeerte is 'de studie van de betekenis en de geldigheid van ons geloof in dingen.' Deze studie wordt niet uitgevoerd met behulp van experimenten, maar eerder door problemen zorgvuldig te formuleren, argumenten voor oplossingen aan te dragen en een dialectiek/dialoog over al het voorgaande aan te gaan. Zie ook levensbeschouwing.

de waarde van filosofie
De geschiedenis van de filosofie is tussen theologie en wetenschap in één lange zoektocht naar de waarheid. Vele duizenden jaren hebben de mensen in angst geleefd voor demonen en geesten, die achter de natuurverschijnselen verborgen zouden gaan en de mensen zouden bedreigen. Het is vooral aan de filosofie te danken dat de mensen de natuur gingen zien als een 'kosmos', een geordend geheel, dat begrepen -en in zekere mate beheerst- kon worden.

In deze tijd worden filosofische vragen - bijvoorbeeld over het ontstaan van het heelal of het leven - vooral door de wetenschap beantwoord. Antwoorden op levensvragen, zoals de theologie die meende te kunnen geven, worden steeds minder geaccepteerd. Vragen naar de mogelijkheid van zingeving en naar het normatieve karakter van de ethiek, zullen naar het zich laat aanzien steeds meer door de filosofen beantwoord gaan worden.

Belangrijke stromingen binnen de filosofie

filosofie van het oude indie:
De induscultuur (3000 - 1700 vC ),
De veda of het vedische tijdperk (1500 - 500 vC) (vedisme en brahmanisme),
 oud-vedische en hymnentijdperk (1500 - 1000 vC) (veda),
 offermystiek (1000 - 750 v.c) (brahmanen),
 oepanisjaden (750 - 500 vC) (brahman en atman),
Hindoeïsme,
De niet-orthodoxe klassieke Indische filosofie (500 vC - 1000 nC)
Āstika (er is, er bestaat) and nāstika ("er is niet"),
 tsjarvaka en het materialisme,
 mahavira en het jainisme,
 boeddha en het boeddhisme,
De orthodoxe indische filosofie (500 vC - 1000 nC) ( astikas,),
 nyaya, sankhya, poerva mimansa, vaisjesjika, yoga en vedanta,

oud-chinese filosofie:
 confucius en confucianisme, lao tse en taoisme, mo tse en mohisme, mencius, hsuun tse, tsjoeng yoeng, wan tsjoeng, yin yang,

Klassieke filosofie
De vóórsocratische periode - natuurfilosofie
Milesische  school met Thales (±585 v.Chr.), Anaximander en Anaximenes en Herakleitos (540 v.Chr. - 480)
Pythagoras (±580 - ±490 v.Chr.) en de pythagoreeërs  sterk beïnvloed door de wiskunde
Xenophanes (560 - ±478 v.Chr.) en de eleaten Parmenides en Zeno van Elea (± 490 - 430 v.Chr.),
Anaxagoras (± 500 - 428 v.Chr.),
Empedokles (± 485 - 425 v.Chr.),
 Atoomleer van Leukippos (± 450 v.Chr.) en Demokritos (± 460 - 375 v.Chr.),
Sofisme met Protagoras (± 490 - 420 v.Chr.) en Gorgias,

Bloeitijd Griekse filosofie te Athene met Sokrates (470 - 399 v.Chr.), Plato (428 - 347 v.Chr.) en Aristoteles (384 - 322 v.Chr.),

De hellenistische filosofie
Epicurisme van Epikuros (341 - 270 v.C.) en Lucretius,
Stoïcisme van Zeno van Citium (333 - 262 v.Chr.) en Chrysippus (280 - 206 v.Chr.), Paneatius (185 - 112 v.Chr) en Posidonius (135 - 51 v.Chr.) en Seneca (3 v.Chr. - 65 n.Chr.).
Skeptici met Pyrrho (± 365-275 voor Chr.), Carneades (219 - 128 v.Chr.) en Cicero  (106 - 43 v.Chr.)
 
 Neoplatonici met Plotinos (204 - 270 n.Chr.) en Proclus (± 410 - 485 na Chr.)

Middeleeuwse filosofie
Gnosticisme, manicheïsme, gnostiek, patristiek, arianisme,
Augustinus van Hippo (354-430 na Christus),
Scholastiek

Boëthius (±480-525 n.Chr.)

Renaissance - humanisme
Nicolaus Cusanus (1401-1464), Machiavelli (1469-1527), Erasmus (1466-1536), Thomas More (1478-1535), Giordano Bruno  (1548-1600),

Jakob Böhme  (1575-1624),

Francis Bacon (1561-1626), Galileo Galilei (Pisa 1564 - Florence 1642), Hugo de Groot of Grotius (1583-1645), Thomas Hobbes (1588-1679).

Rationalisme
René Descartes (1596-1650), Blaise Pascal (1623-1662), Spinoza (1632-1677), Gottfried Leibniz (1646-1716),

De Verlichting - encyclopedisten - idealisme - empirisme/scepticisme
 John Locke (1632-1704), George Berkeley (1685-1753), Montesquieu (1689-1755), Voltaire (1694-1778), David Hume (1711-1776), Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), Edmund Burke (1729-1797)

Duits idealisme - Immanuel Kant (Pruisen 1724 - 1804), Johann Gottlieb Fichte, Friedrich von Schelling, Georg Hegel (Stuttgart 1770 – Berlijn 1831)

Arthur Schopenhauer (1788 - 1860),  Friedrich Wilhelm Nietzsche (1844 - 1900).

Positivisme - Auguste Comté (Montpellier 1798 - Parijs 1857)

Søren Kierkegaard (1813-1855)

Marxisme - Karl Marx (1818-1883), Friedrich Engels (1820-1895), Max Weber (1864-1920), Antonio Gramsci (1891-1937)

Anti-intellectualisme
Pragmatisme - Charles Sanders Peirce (1839-1914), William James (1842-1910), John Dewey (1859-1952), Hilary Putnam (1926-2016), Richard Rorty (1931-2007)
Levensfilosofie
- Henri Bergson (1859-1941), Maurice Blondel  (1861-1949), Wilhelm Dilthey (1833 - 1911) en Ludwig Klages  (1872-1956)

Sigmund Freud (1856-1939)

Structuralistische taalkunde - Ferdinand de Saussure (1857-1913)

Angelsaksische of Analytische filosofie - taalfilosofie
Kenmerkend voor analytische filosofie is met gebruik van de logica streven naar helderheid en precisie in verwoording en argumentatie van ideeëngoed meer in de natuurwetenschappen en de wiskunde dan in de menswetenschappen. Sommige analytische filosofen menen dat ze dan vanzelf zullen verdwijnen, omdat ze simpelweg voortkomen uit verkeerd taalgebruik. De meeste analytische filosofen komen voort uit de Angelsaksische wereld.

Realisme, logica en logisch atomisme (1900-1910) - Gottlob Frege (1848-1925), Bertrand Russell (1872-1970), G.E. Moore (1873-1958)
Ludwig Wittgenstein (1889-1951)
neopositivisme of logisch positivisme, Wiener Kreis (1930-1945) - Moritz Schlick (1882-1936),  Rudolf Carnap (1891-1970), Alfred Ayer (1910-1989), Otto Neurath (1882-1945), Herbert Feigl (1902-1988), Carl Hempel (1905-1997) en Kurt Gödel (1906-1978)
Ordinary language philosophy (1945-1965) - Gilbert Ryle (1900-1976), John Wisdom (1904-1993), John Austin (1911-1960), Peter Strawson (1919-2006)
Willard Van Orman Quine (1908-2000), Donald Davidson (1917-2003), John Rawls (1921-2002)
Filosofie van de geest (Philosophy of mind)
Gilbert Ryle (1900-1976), John Searle (1932), Hilary Putnam (1926).

Kritisch rationalisme van Karl Popper (1902-1994)

Continentale filosofie
Continentale filosofie hangt samen met de kantiaanse thesis dat de aard van kennis en ervaring gebonden zijn aan omstandigheden die niet direct toegankelijk zijn voor empirisch onderzoek. Het is een beschrijvende, meer literair-historische aanpak van problemen die relevant zijn voor de mens in het algemeen. De belangstelling gaat uit naar actuele politieke en culturele onderwerpen en de zin of betekenis van het leven.

Fenomenologie
Edmund Husserl (1859-1938), Max Scheler (1874-1928), Martin Heidegger (1889-1976), Emmanuel Lévinas (1906-1995).

Existentialisme - Karl Jaspers (1889-1969), Jean-Paul Sartre (1905 - 1980), Maurice Merleau-Ponty (1908 - 1961), Simone de Beauvoir (1908-1986), Albert Camus (1913-1960).

Hans-Georg Gadamer (1900-2002), Ayn Rand (1905-1982), Alasdair MacIntyre (1929).

Structuralisme - Claude Lévi-Strauss (1908-2009).

Neomarxisme - kritische theorie - Frankfurter Schule
Georg Lukács (1885-1971), Max Horkheimer (1895-1973), Theodor Adorno (1903-1969), Herbert Marcuse (1898-1979), Jürgen Habermas (1929),  Walter Benjamin (1892-1940), Louis Althusser (1918-1990).

Differentiefilosofie (poststructuralisme)
François Lyotard (1924-1998), Gilles Deleuze (1925-1995), Michel Foucault (1926-1984), Jacques Derrida (1930).


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 481.