kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30 11 2016 14:37 voor het laatst bewerkt.

Georg Hegel

Georg Wilhelm Friedrich Hegel (Stuttgart, 27 augustus 1770 – Berlijn, 14 november 1831) was een Duits filosoof. Hij is een van de centrale representanten van het 19e-eeuwse Duitse idealisme. Daarin staat de gedachte centraal dat niet de materie de grond van de werkelijkheid is, maar ideeën - door Hegel afwisselend het Absolute, de Geest of de Rede genoemd. 

'Wat redelijk is, is werkelijk. En wat werkelijk is, is redelijk.'

Levensloop
Op 18-jarige leeftijd ging hij aan het Tübinger Stift studeren, maar de daar heersende discipline vond hij ouderwets. Wellicht dat dit bijgedragen heeft aan zijn enthousiasme voor de Franse Revolutie, die een jaar later in 1789 uitbrak. Tegelijkertijd had dan hij weer een grote afschuw van de wreedheden en de terreur die volgden op de omverwerping van het Ancien Régime. Heel zijn leven bleef Hegel omgaan met 'subversieve' (gezagsondermijnende) mensen. Hegel zag het als zijn taak de grote innerlijke tegenstellingen in historische ontwikkelingen, zoals de Franse Revolutie, te doorgronden en dan op te lossen.

In september van 1790 ontving hij zijn filosofische graad en drie jaar later zijn theologische licentie. Onder zijn medestudenten, die hem 'de oude man' noemden, zaten ook de dichter Friedrich Hölderlin  (1770-1843) en filosoof Friedrich von Schelling  (1775-1854), met wie hij zijn kamer deelde.

Hegel vertrok in 1800 naar Jena, waar hij een jaar later habiliteerde (promoveerde) en Privatdozent werd. Door een aanbeveling van Goethe, met wie hij een vriendschappelijke en intellectuele correspondentie onderhield, werd Hegel in 1805 tot professor benoemd. Vanwege de slag om Jena, en omdat hij in Bamberg als redacteur van de plaatselijke krant kon gaan werken, verliet hij in 1807 de stad, met in zijn bagage het manuscript van wat later bekend zou worden als de Phänomenologie des Geistes.

In 1812 verscheen het eerste deel van de Wissenschaft der Logik, in 1813 het tweede en in 1816 het derde deel. In 1816 werd Hegel tot professor benoemd aan de universiteit van Heidelberg.

In 1817 verscheen het eerste deel van Enzyklopädie der philosophischen Wissenschaften. Nadat de Duitse filosoof Johann Fichte (1762-1814) was overleden volgde Hegel hem in 1818 op als rector van de Berlijnse universiteit. In 1820 verschenen zijn Grundlinien der Philosophie des Rechts, een uitwerking van de "objectieve geest" uit de Enzyklopädie. Verder gaf hij colleges over de filosofie van de geschiedenis die uitmondden in het postuum gepubliceerde Vorlesungen über die Philosophie der Weltgeschichte (Lezingen over de filosofie van de geschiedenis).

In 1823 gaf hij opnieuw colleges over esthetica. Tegen het eind van zijn leven gaf hij college over natuurfilosofie, godsdienstfilosofie en logica. In 1831 begon hij aan een herziening van de Phänomenologie, maar kort daarop overleed hij.

Zijn faam groeide geleidelijk aan uit tot enorme proporties, zodanig zelfs, dat tot ver in de 19e eeuw in heel Duitsland 'Hegeliaanse' filosofie werd gedoceerd. De invloed van Hegel zou bovendien tot ver buiten de Duitse grenzen reiken. Dat gebeurde vooral, nadat de Hegeliaanse filosofie door Karl Marx omgewerkt was tot het wijsgerig fundament voor het Communisme.

Idealisme
Hegel streefde naar de ontwikkeling van één totaalconcept waarin hij wetenschap, esthetica, godsdienst en filosofie wilde verenigen. Hegel was een zogenaamde 'Idealist': net als Plato dacht Hegel namelijk dat de werkelijkheid geen kwestie van materie was, maar van geest. Plato beschouwde de zintuiglijk waargenomen werkelijkheid als een valse illusie, een slechte reproductie van de (geestelijke) wereld der Ideeën. Ook Hegel dacht dat er maar één werkelijke realiteit bestond, en dat was (de wereld van) de Geest. ‘Geest’ is voor Hegel niet alleen een eigenschap die sommige levende wezens bezitten, het is de motor die het hele universum aandrijft, het principe dat de complete kosmos in al zijn hoedanigheden doordringt.

Dialectiek
Het begrip 'dialectiek' stamt al uit de Oudheid, maar wordt door de speciale betekenis die Hegel eraan gaf vooral met zijn filosofie verbonden. 'Dialectiek' betekent zoiets als 'tweegesprek' en is verwant met ons begrip 'dialoog': een gesprek tussen twee personen waarin tegenstellingen helder worden gemaakt, opdat ze vervolgens kunnen worden opgelost. 

Hegel zag de werkelijkheid niet als statisch maar als de uitkomst van een continu doorgaand dialectisch proces waarbij innerlijke tegenstellingen van een inzicht door een nieuw, beter inzicht worden opgeheven. Tijdens dit dialectisch proces wordt iets gesteld, daar wordt dan tegenin gegaan, om zo in een nieuwe stelling tot een hogere waarheid te komen. Deze hogere waarheid vormt op haar beurt weer een uitgangspunt voor nieuwe negaties op weg naar een nog hogere waarheid, enz. (Eerder werden door Fichte hiervoor de van Kant geleende begrippen these (stelling), antithese (tegenstelling) en synthese (opheffing of overstijging van de tegenstelling) gebruikt, die later door de marxisten werden overgenomen.) Uiteindelijk is alles opgeheven en tegelijk deel van de hoogste waarheid. (Het Duitse woord voor opheffen is Aufheben, dat zowel optillen als afschaffen en bewaren betekent.) 

Het dialectische proces is volgens Hegel ook van toepassing op individuen: eerst is er enkel het bewustzijn van de uiterlijke waarheid, vervolgens ontstaat een zelfbewustzijn, dat zich langzaamaan verzoent met het bewustzijn. Hegel veronderstelde, dat niet alleen de geest van het individu, maar ook de Geest van de hele mensheid zich ontwikkelt als in een twistgesprek.

Hegels systeem omvat drie grote delen die tot elkaar in dialectische verhouding staan: de filosofie van de logica, de filosofie van de natuur en de filosofie van de geest, respectievelijk de these, de antithese en de synthese.

Dit dialectische systeem, waarbij de zogeheten 'Geest' de aard aller dingen is en middels het confronteren van these en antithese tot een nieuwe synthese komt, zou uiteindelijk moeten leiden naar het 'Absolute Idee', waarin alle individuele elementen van de Geest opgaan en zichzelf overstijgen. Er bestaat geen vaststaande waarheid, maar wel een waarheid die steeds dieper en rijper wordt: 'Alles wat is, is een trede in de ontwikkeling naar de Absolute Idee'.

Volgens Hegel was de ontwikkeling van al het bestaande de ontwikkeling van de redelijkheid van 'de Geest' en derhalve die van 'de Geest' zelf: 'De rede kan niets zonder de werkelijkheid; en de werkelijkheid niets zonder de rede'.

Zeitgeist
Volgens een breed aangehangen opvatting zou elke periode in de geschiedenis zijn eigen 'tijdgeest' kennen. Daarmee wordt dan een zeker geestelijk klimaat bedoeld, waardoor bepaalde ontwikkelingen in kunst, wetenschap en samenleving mogelijk zijn. Het idee dat iedere periode een bepaald geestelijk klimaat kent, is in de 18e eeuw in Duitsland ontstaan, waar het werd aangeduid met het woord Zeitgeist. Interessante vraag hierbij is hoe wij, eenvoudige stervelingen, ons precies verhouden tot dat grote begrip 'Zeitgeist'. Zijn wij alleen maar onderworpen aan de tijdgeest, of kunnen wij die tijdgeest ook zelf beïnvloeden? Zijn wij alleen maar kleine radertjes in een groot, onoverzichtelijk uurwerk, of kunnen wij begrijpen wat de consequenties zijn van een bepaalde tijdgeest, en kunnen wij daardoor bepalen wat ons te doen staat? In de 19e eeuw is veel over dit soort vragen nagedacht. Met name Hegel heeft een zeer zwaar stempel op deze discussie gedrukt: Hij richtte een alomvattend filosofisch bouwwerk op, waarmee het verschijnsel van ‘tijdgeest’ verklaard kan worden.

Net als alles in de schepping wordt ook de mens in eerste en in laatste instantie bepaald door de inwerking van die raadselachtige Geest. Het bijzondere aan ons mensen is, dat de geest in ons zich - tot op zekere hoogte - van zichzelf bewust is. Vanuit dit beperkte zelfbewustzijn zoeken wij doelbewust naar vergroting van ons inzicht in onszelf en de ons omringende wereld. Het zelfbewustzijn groeit dan ook voortdurend, in een proces dat gepaard gaat met vallen en opstaan. Het totaal van onze inzichten bepaalt daarom het verloop van onze geschiedenis. Geschiedenis is voor Hegel eigenlijk het proces van de zelfbewustwording van de geest, die zich in en door de mens voltrekt.

Teleologie
Ons zelf-bewustzijn groeit langzaam toe naar iets, wat Hegel de Absolute Geest noemde. Die 'Absolute Geest' is een complex begrip. Van belang om te onthouden is dat Hegels filosofie veronderstelt dat de menselijke geest met het verstrijken van de eeuwen steeds verder groeit, en dat dit groeiproces zich in één duidelijke richting beweegt. De mens is onderweg naar een welbepaald einddoel. Daarom noemt men het wereldbeeld van Hegel 'teleologisch'. ('telos' is Grieks voor 'doel'.Voorbeelden van teleologische wereldbeelden zijn het Christendom en het Communisme: Christenen geloven dat de geschiedenis zich in de richting van Het Laatste Oordeel beweegt; Communisten geloven dat de geschiedenis zich in de richting van de Socialistische Staat beweegt.) Dit teleologische proces van geestelijke groei verliep volgens Hegel dialectisch.

Innerlijke tegenstellingen
Ieder inzicht dat wij gedurende het proces van geestelijke groei verwerven, blijkt op zeker moment incompleet. Sterker nog, ieder inzicht lijkt een tegenovergesteld inzicht op te roepen. Zoals de Franse Revolutie begon als een positief uitvloeisel van het verlichtingsdenken, zo bleek het in zich het zaad van de guillotineterreur te dragen. Volgens Hegel kampen wij als mens steeds met de innerlijke tegenstellingen van onze inzichten. Maar we staan daar niet machteloos tegenover. De geschiedenis van de mensheid laat zien, hoe mensen steeds inventiever hebben gezocht naar oplossingen voor de problemen waarvoor ze gesteld werden, en zo stap voor stap een groter zelfbewustzijn ontwikkelden.

Het einde van de geschiedenis
Hegel beschouwde dus de geschiedenis van de mensheid als de geschiedenis van de menselijke geest. In ieder tijdperk verwerft de mens nieuwe fundamentele inzichten, die hun eigen tegenstelling oproepen, die in een navolgend tijdperk weer worden overstegen. De synthese roept vervolgens weer zijn eigen tegenstelling op, en zo gaat de cyclus steeds maar voort, totdat de mensheid uiteindelijk tot volstrekt inzicht geraakt, en de geschiedenis ten einde komt...
'Het einde van de geschiedenis' is de consequentie van de dialectische filosofie van Hegel, en het is een van meest raadselachtige resultaten van zijn denken. Het is tenslotte moeilijk voorstelbaar dat de geschiedenis ooit ten einde kan komen.
Wij moeten 'het einde van de geschiedenis' dan ook niet al te letterlijk nemen: het gaat om het einde van de geschiedenis van de geestelijke groei, waarin althans het dialectische groeiproces zijn voleinding vindt.
'Het einde van de geschiedenis' is één van de gevleugelde profetieën die de filosofie van Hegel heeft voortgebracht. In de laatste jaren van de 20ste eeuw was de gedachte enorm populair onder intellectuelen, vooral na de verschijning in 1989 van het essay ‘The end of History’ van Francis Fukuyama. Wie vandaag de dag een willekeurig essay leest over een historisch onderwerp, komt daarin nog steeds de bijna obligaat geworden verwijzingen naar Hegels stelling omtrent 'het einde der geschiedenis' tegen.

De Geest volgens Hegel
De Geest ontwikkelde zich van subjectieve Geest (de individuele mens) tot objectieve Geest (in de geschiedenis, de wereldgeest) tot Absolute Geest (in de kunst, religie en wetenschap). Eigenlijk keerde de Geest dus tot zichzelf terug, werd hij zich van zichzelf bewust. Hegel ging er immers van uit dat 'het ware het geheel is, het door zijn ontwikkeling vervolledigde wezen'. Hieruit sprak de typische hang naar eenheid en structuur die de moderniteit zo kenmerkte. De mens moest dus de illusie loslaten dat er ooit iets wezenlijk gezegd kon worden over welke afzonderlijke entiteit dan ook. Want elke uitspraak daarover riep tegelijkertijd zijn tegenspraak op. Aangezien elke stelling haar tegengestelde opriep, verliep het menselijk denken in de richting van dit 'Absolute' op een dialectische en dus dynamische manier (abstract-negatief-concreet).

Aangezien de werkelijkheid gekoppeld werd aan de kennis over de werkelijkheid (absoluut idealisme) ontwikkelde de werkelijkheid (geschiedenis) zich eveneens op een dialectische manier. Deze dynamiek of dit ontwikkelingsproces manifesteerde zich zowel in de natuur als in de menselijke geschiedenis. In de menselijke geschiedenis manifesteerde 'Het Absolute' zich in de manier waarop 'het Begrip' van de werkelijkheid zich steeds verder dialectisch ontwikkelde. Deze ontwikkeling greep plaats op twee niveaus. Het eerste was dat van het individuele subject (of dat van de subjectieve Geest) en het tweede dat van de concrete wereldgeschiedenis (de verschillende beschavingen en dus de objectieve Geest). In zijn uitdrukking als een complex van materiële, historische processen begreep 'de Geest' zichzelf dus steeds beter. Deze ontwikkeling was dus een 'bewustwordingsproces'. De wereldgeschiedenis was uiteindelijk dus het dialectische proces waarin 'de Geest' streefde naar volkomen (zelf)ontplooiing.

Het Absolute
De '(Wereld)geest' bereikte zijn volkomen ontplooiing bij het bereiken van 'de Waarheid' of 'het Absolute' (weten). Het doel van dit kosmisch dialectisch proces werd dus bereikt op het ogenblik dat 'het Absolute' zich via het menselijk begrijpen van het wordingsproces, van zichzelf bewust werd. 'Het Absolute' bereikte dan dus het 'Absolute begrip', het begreep zichzelf. Voor de individuele mens wilde dit zeggen dat er niet langer sprake was van vervreemding, de mens werd dus vrij. Deze 'vervreemding' uitte zich in de strijd van de mens tegen de natuur en de strijd tussen de mensen onderling (meester-knechtdialectiek). De 'vervreemding' werd overwonnen wanneer de natuur werd onderworpen en de mensen zich neerlegden bij het feit dat ze allen deel uitmaken van de 'Absolute Geest'. Op die manier waren Geest en de mens dus op elkaar aangewezen en volbrachten ze samen de geschiedenis.

De links-hegelianen in de voetsporen van Hegel
Het concept van 'de vervreemding' en het feit dat 'het absolute begrip' pas verwezenlijkt werd wanneer deze 'vervreemding' werd overwonnen, was een concept dat door de links-hegelianen verder zou worden uitgewerkt en ook gehanteerd zou worden in hun kritiek op de toenmalige samenleving. Hegel had weliswaar een gesloten, speculatief systeem opgebouwd, gekenmerkt door een complex begrippenapparaat en een bijna stoïcijnse afstandelijkheid, maar toch kreeg hij navolging bij een aantal denkers die de revolutionaire potentie van zijn denken blootlegden.

De voornaamste links-hegelianen waren Ludwig Feuerbach, David Strauss, Arnold Ruge, Bruno Bauer en ook enigszins Max Stirner. Naast de links-hegelianen waren er ook de zogenoemde rechts-hegelianen, die trouw bleven aan de traditionele hegeliaanse denkbeelden en ze dus niet als springplank voor verdere filosofische ontwikkeling zagen. De verschilpunten tussen Hegel en de links-hegelianen waren te wijten aan een aantal historische ontwikkelingen en enkele typische kenmerken van de hegeliaanse filosofie zelf. Een aantal cruciale gebeurtenissen waren de revoluties van 1830 waardoor de Restauratie een halt werd toegeroepen en het Ancien Régime in een aantal landen definitief begraven werd. De links-hegelianen konden zich niet van de indruk ontdoen dat het gewijzigde tijdsbeeld een nieuwe ideologie vereiste, een vernieuwde kritiek op het staatsbestel en op het christendom. De rechts-hegelianen, velen afkomstig van de Friedrich-Wilhelms-Universität, verzetten zich tegen een revolutie in Hegels denken en streefden een conservatief beeld na van Hegels denkbeelden.

Met de kritiek op kerk en staat wilden links-hegelianen niet enkel een vernieuwing in het denken realiseren, maar bovendien een omvorming van de maatschappij zelf (Hegel poneerde dat er een verband was tussen beide). Daardoor kon dit denken niet voorbehouden blijven aan een groep van ingewijden, maar moest het integendeel ingang kunnen vinden bij de bredere massa's. Dit verklaart hun eerder journalistieke aspiraties, en ook de argwaan van de overheid tegenover deze anti-religieuze en anti-conservatieve aanvallen. De filosofie van Hegel bezat echter steeds al een revolutionair potentieel, aangezien het een theorie van ontwikkeling, van wording betrof. De concepten 'tegenspraak' en 'negatie' konden dus ook een revolutionaire bijklank krijgen. Aangezien met het einde van de Restauratie het denken met een nieuw tijdsbeeld werd geconfronteerd, moest ook het hegeliaanse denken een transformatie doormaken.

Als concrete filosofische beweging bestond het links-hegelianisme tussen de revoluties van 1830 en 1848/1849. De links-hegelianen wilden dus tot de mislukte revolutie van 1848/1849 participeren in het culturele en politieke debat van hun tijd, maar nadien trokken ze zich soms cynisch en verbitterd terug. Het links-hegelianisme moet dus begrepen worden als een volwassen filosofische kritiek op de toenmalige eenheid van religieus dogmatisme en politieke macht. Men kan de links-hegeliaanse opzet het best samenvatten als een verdere ontwikkeling van het Hegeliaanse denken dat via het blootleggen van de verschillende concepten die verantwoordelijk waren voor de 'vervreemding' van de mens. Zo betoogde Feuerbach dat 'de godsidee' (onze eigen projectie) ons 'vervreemd' had en zou Stirner deze redenering zelf verder problematiseren en radicaliseren.

Hegel in Nederland en Vlaanderen
Gerard Bolland maakte school met Hegels filosofie. Jan Hollak onderzocht de verhouding van het hegeliaanse denken tot het christendom. Paul Cobben leverde een immanente kritiek op Hegels filosofie. De André Wylleman leerlingen Désiré Scheltens en Ludwig Heyde lieten zich inspireren door Hegels Rechtsfilosofie om een substantiëler vrijheidsbegrip te expliciteren, en Jaap Kruithof schreef een uitgebreide dissertatie over het uitgangspunt van Hegels ontologie.

Critici van Hegel
 Arthur Schopenhauer was een tijdgenoot van Hegel die niet alleen zijn opvattingen bekritiseerde, maar ook zijn persoon hekelde en beschimpte.
 Søren Kierkegaard gaf Hegel er de schuld van dat hij het intellectuele leven ontmenselijkt heeft door aanpassing van de oer-logica van Aristoteles. Zijn kritiek op Hegel valt vooral terug te vinden in zijn boek Enten-Eller.
 Ludwig Feuerbach: Feuerbachs voornaamste kritiek is die op de absolute geest. Feuerbach vond niet dat de mens voortkwam uit die geest maar dat de mens de geest had geschapen. Volgens hem is het goddelijke een illusie van de mens.
 Karl Marx: hoewel gebaseerd op de dialectiek blijft Hegel voor Marx een idealistische filosoof, die de wereld beschrijft in plaats van hem te veranderen. De kritiek van Marx en Engels op Feuerbach (11e Stelling uit De Duitse Ideologie: "De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt er echter op aan haar te veranderen"), gaat eigenlijk ook op voor Hegel.
 Friedrich Nietzsche: de staat is geen incarnatie van een 'algemeen belang', maar een 'koud monster' in dienst van egoïstische belangen.
 Karl Popper: speciaal in hoofdstuk 12 van De open samenleving en haar vijanden bekritiseert Popper het hegeliaans historicisme, Hegels obscure stijl en zijn (veronderstelde) intellectuele opportunisme. Popper beschouwt Hegels geschiedfilosofie als een van de fundamenten van het totalitarisme.

Bovenstaand artikel maakt gebruik van onderstaande bronnen:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Georg_Wilhelm_Friedrich_Hegel
http://www.kabk.nl/docu/Hegel.pdf


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 594.