kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 19-01-2016 voor het laatst bewerkt.

iguanodon

Iguanodon

Iguanodon is een herbivore ornithopode dinosauriër uit het Vroege Krijt. Het was een van de meest voorkomende dinosauriërs, en het typevoorbeeld van de groep van Iguanodonten. Het was een van de eerste dinosauriërs die ontdekt werd. Iguanodons zijn gevonden in Europa, Noord-Afrika en Noord-Amerika (vondsten in Mongolië zijn nog onzeker), verwante soorten ook in andere werelddelen, tot in Australië toe. Een van de rijkste vindplaatsen was in 1878 in een kolenmijn in Bernissart in België, waar meerdere complete en relatief zeer weinig verstoorde skeletten bij elkaar lagen.

Uiterlijk
Iguanodons waren tamelijk grote dieren, met een lengte van zes tot tien meter (afhankelijk van de precieze soort) en een gewicht van 4,5 tot 5,5 ton.

Iguanodon bezat een hoornige snavel, vergelijkbaar met die van schildpadden, dieper in de mond bevonden zich (links en rechts) onder elkaar liggende rijen tanden, die samen een in de hoogte en breedte aaneengesloten "batterij" vormden met een door afslijting steeds scherpe snijrand, die permanent van onderen aangevuld werd door de groei van een nieuwe rij. Het kauwen gebeurde niet zoals bij zoogdieren door de kaak in het horizontale vlak rond te laten draaien, maar doordat het stuk van de schedel waar de boventanden in zaten bij de sluiting van de kaken naar binnen klapte. Iguanodon bezat een vrij korte, omhooggebogen hals. De kop was tamelijk zwaar en qua vorm enigszins vergelijkbaar met een paardenhoofd.

Iguanodons konden zowel op twee als op vier poten lopen; over wat de meest gebruikelijke vorm van voortbeweging was, bestaat nog geen enigheid. Opvallend detail is dat ze een hoornige, kegelvormige klauw hadden waar bij een mens zich de duim zou bevinden.

De eerste vondsten
Iguanodon was vermoedelijk de eerste dinosauriër die als zodanig ontdekt werd — Streptospondylus werd al benoemd in 1810 maar als krokodil — hoewel Megalosaurus eerder benoemd zou worden. Vanaf ongeveer 1810 werden in steengroeven bij het Zuid-Engelse Cuckfield in West Sussex, in het gebied van Tilgate Forest brokken zandsteen met fossielen, waaronder grote tanden en botten, aangetroffen. De beste stukken werden door de steenwerkers aan verzamelaars verkocht. In juni 1819 verwierf een jonge huisarts met interesse voor paleontologie, Gideon Mantell, daar een aantal van en hij besloot eens een kijkje te nemen in de belangrijkste groeve bij het gehucht Whitemans Green. Vanaf augustus 1820 begon hij er zelf in zijn vrije tijd opgravingen te verrichten, waarbij hij aanwijzingen gaf aan de arbeiders. Al snel leidde hij van fossiele plantenresten af dat de aardlaag "Secundair" was, dus uit wat wij nu het Mesozoïcum noemen. In dit tijdperk bestonden nog geen grote zoogdieren — in 1820 was zelfs geen enkel zoogdier uit dat tijdperk gevonden — en hij nam dus eerst aan dat de botten aan zeereptielen toebehoorden aangezien grote landreptielen nog onbekend waren. In de zomer van 1821 wijzigde hij zijn opvatting omdat de beenderen — hij had ondertussen, mede door te ruilen met andere verzamelaars, een aardig deel van het skelet weten te reconstrueren — niet overeenkwamen met de bekende skeletten van ichthyosauriërs. Sommige losse tanden uit de groeve kwamen van wat wij nu theropoden noemen, dus van roofsauriërs. Vanwege een zekere overeenkomst met de tandvorm van krokodillen nam Mantell nu aan dat de botten die van een reusachtige krokodil waren. Datzelfde jaar nog vond zijn vrouw Mary Mantell, die de interesses van haar man deelde, echter een tand die duidelijk niet aan een vleeseter toebehoorde. Uit de afgesleten tandkroon viel af te leiden dat de vorige eigenaar een planteneter moest zijn geweest; ze deden Mantell nog het meest aan de snijtanden van een neushoorn denken. Met grote aarzeling trok hij de conclusie dat zijn fossiel skelet en de afwijkende tand bij elkaar hoorden en dat ze van een reusachtige plantenetende hagedis waren. Nu hij erop geattendeerd was, lukte het hem nog meer van dit soort tanden te vinden. Op 4 oktober 1821 werd hij bezocht door de geoloog Charles Lyell en die informeerde hem dat professor William Buckland bij Oxford ook een reusachtig dier uit het Secundaire Tijdperk ontdekt had (wat later Megalosaurus genoemd zou worden) en dat dit door de gezaghebbende Georges Cuvier gedetermineerd was als een carnivoor landreptiel. Dit sterkte Mantell in zijn opvattingen maar bracht hem ook op het foute idee dat de botten aan twee verschillende dieren toebehoorden, een carnivoor en de ander herbivoor.

De eerste publicatie door Mantell
In mei 1822 publiceerde Mantell een duur, door zijn vrouw geïllustreerd, boek over de fossielen van zijn streek, Fossils of the South Downs, en daarin vermelde hij de vondst als een "dier van enorme grootte uit de Hagedissen Tribus". Maar hij benoemde het nog niet; het leek hem als amateur beter Buckland niet voor het hoofd te stoten door eerder dan hem de carnivoor te benoemen en hij wilde nog verdere informatie inwinnen voordat hij al te opzienbarende claims maakte over een reusachtige planteneter; hij vermeldde dus niet dat hij het bestaan daarvan aannam. Hij bracht het animal of the Lizard Tribe of enormous magnitude juist met de carnivore tanden in verband en andere grote botten vermeldde hij apart samen met de tand, zonder er een nadere bepaling van te geven of ze verder in relatie te brengen. Diezelfde maand bracht hij de herbivore tanden naar een vergadering van de Geological Society in Londen waar ook Buckland aanwezig was maar dat liep op een teleurstelling uit; de leden meenden dat ze van een vis waren of misschien een vrij recente fossiele neushoorn. Het hoofdargument was dat ze aannamen dat de Weald-formatie waar de fossielen aangetroffen waren, uit het Tertiair stamde en dus geen grote reptielen kón bevatten. Mantell riep hierop het oordeel van Lyell in die na gezamenlijk onderzoek concludeerde dat het wel degelijk "Secundaire" gesteenten betrof. In een brief aan de Geological Society die op 17 januari 1823 werd voorgedragen op de vergadering, verwees Mantell naar de nieuwe gegevens en openbaarde voor het eerst zijn hypothese dat hij een reusachtige herbivore hagedis had gevonden. Hij maakte echter zo weinig indruk dat het geschrift niet eens gepubliceerd werd in de verhandelingen.

Cuvier oordeelt dat het om een neushoorn gaat
Op 23 juni 1823 liet Lyell in Parijs op een soirée van Cuvier de tand zien en die werd door de grote geleerde onmiddellijk afgedaan als de bovensnijtand van een neushoorn; wat middenhandsbeenderen als die van een nijlpaard. De volgende dag al verklaarde Cuvier dat hij daar bij nader inzien toch niet zo zeker van was maar Lyell gaf alleen het eerste oordeel aan Mantell door. Mantell trok de conclusie dat hij zichzelf voor de gek gehouden had en de relatie met zijn vrouw bekoelde aanzienlijk. Buckland concludeerde wat anders, namelijk dat als de tand niet bij het reptiel hoorde, Mantells ontdekking wellicht identiek was aan zijn carnivore hagedis en dat het dus tijd werd daarover eens te publiceren voordat de ander hem voor zou zijn. Begin februari 1824 benoemde hij tijdens een voordracht aan de Geological Society Megalosaurus. Mantell was een van de toehoorders; toen Buckland aangaf dat zijn hagedis gezien de grootte van het dijbeen wel eens twaalf meter lang kon zijn, vertelde Mantell dat hij een fossiel dijbeen gevonden had van dubbele afmetingen. Nu werd Buckland toch wel heel nieuwsgierig en op 6 maart bezocht hij voor het eerst Mantell en raakte onder de indruk van diens fossielen. In de publicatie van de voordracht nam hij ook een verwijzing op naar Mantells vondst en schatte de lengte van het levende dier op twintig meter. Hiermee aanvaardde Buckland echter impliciet dat de aardlagen van Cuckfield "Secundair" waren en dat zette de identificatie van de herbivore tanden als die van een neushoorn op losse schroeven. Buckland probeerde die overeind te houden door aan te nemen dat de tanden vanuit een jongere laag in een oudere terecht waren gekomen; dat soort zaken is niet zeldzaam. De vondst van een grote hoorn zag hij als aanvullend bewijs dat dit inderdaad het geval was — die leek immers ook weer op een neushoorn te duiden.

Cuvier herroept zijn opvatting en Iguanodon wordt door Mantell benoemd
Mantell daarentegen was steeds minder geneigd Cuviers oordeel te aanvaarden. Hij besloot de tanden veel nauwkeuriger te bestuderen en merkte op dat ze, aangezien de bovenkant paste in een holte aan de onderkant, kennelijk steeds vervangen werden door nieuwe tanden, een eigenschap die geen enkel zoogdier bezit maar wel kenmerkend is voor reptielen. Ze waren ook voorzien van vele vreemde inkepingen aan de rand. In het voorjaar van 1824 zond hij illustraties aan Cuvier voor opneming in diens nieuwe boek over fossielen en sloot bij de zending meteen een aantal tanden in met het verzoek er nog eens een oordeel over te geven. Cuvier antwoordde op 20 juni in een zeer beleefde brief dat de tanden hem "zeker onbekend" waren maar in ieder geval niet aan een roofdier of vis toebehoorden. Waarschijnlijk waren ze van een reptiel en voorzichtig stelde Cuvier zich de vraag of dat inderdaad niet herbivoor geweest zou kunnen zijn. De determinatie als neushoorn was dus van de baan en de boodschap was dat Mantell iets heel bijzonders in handen had — zelden gaf Cuvier zijn onwetendheid toe. Hierdoor aangemoedigd bezocht Mantell in september te Londen de biologische verzameling van het Hunterian Museum om een ander reptiel te vinden met soortgelijke tanden. Dat lukte eerst niet maar assistent-curator Samuel Stutchbury herinnerde zich tijdens de zoektocht plotseling dat hij zojuist een leguaan (iguana in het Engels) op sterk water had gezet met precies zulke tanden met inkepingen, zij het in volume tienduizend maal kleiner. Mantell meende nu voldoende ondersteuning te hebben om het dier te benoemen. Eerst wilde hij het "Iguana-saurus" ("leguaanhagedis") noemen, maar op advies van William Conybeare, die erop wees dat die naam, afgezien van het kromme Latijn, ten opzichte van de leguaan zelf niet veel onderscheidend vermogen bezat, veranderde hij dat in december in Iguanodon, "leguaantand", een combinatie van iguana en het Klassiek Griekse odon, "tand". In de herfst was ook een nieuwe uitgave van Cuviers Recherches sur les Ossemens Fossiles verschenen waarin deze toegaf ten aanzien van de tanden eerst een fout gemaakt te hebben maar later door Mantell op het goede spoor te zijn gezet. De belangrijkste geleerden van Europa vroegen nu ook aan Mantell om specimina van de tanden en zijn naam was gemaakt. Op 10 februari 1825 werd een brief van hem voorgedragen aan de (nu Royal) Geological Society waarin Iguanodon benoemd werd. Mantell gaf nog geen soortaanduiding; in 1829 zou Friedrich Holl de soort Iguanodon anglicum noemen, vanuit de onjuiste veronderstelling dat odon onzijdig was; later zou dat verbeterd worden tot Iguanodon anglicus; anglicus betekent "engels".

Van hagedis tot rechtopstaande dinosauriër
Mantell stelde de botten vanaf 1829 tentoon in een eigen museumpje in Lewes en later in een grotere ruimte in Brighton. Hij wist nog steeds niet of ze allemaal aan zijn Iguanodon toebehoorden; hij hield het voor waarschijnlijk dat sommigen van een grote roofsauriër waren als Megalosaurus. In juni 1834 verwierf hij echter een flinke steenblok uit Maidstone in Kent waarin een groot aantal skeletdelen en losse tanden van een grote sauriër; de tanden waren die van Iguanodon. Die botten lagen weliswaar door elkaar zodat hij nog steeds geen goed beeld kreeg van de bouw van het dier maar nu kon hij tenminste zien wat bij wat hoorde. Al in 1833 had hij door extrapolatie, dus door vergelijking met een huidige leguaan, geschat dat Iguanodon tussen de vijftien en dertig meter lang was. De nieuwe vondst stelde hem tot een betere reconstructie in staat die echter naar wat wij nu weten niet erg met de werkelijkheid overeenkwam. Mantell bleef van het hagedismodel uitgaan. De duimkegel werd als een hoorn op de neus geplaatst.

In 1838 moest Mantell zijn collectie door geldgebrek verkopen aan het British Museum. Richard Owen zou daarom degene zijn die de botten verder het nauwkeurigst zou bestuderen. In het begin werkten Owen en Mantell nog samen. Microscopisch onderzoek van de interne structuur van de tanden overtuigde Owen er in 1840 van dat Iguanodon weinig weg had van een modern reptiel en in "organisatiegraad" meer op een zoogdier leek. Toen in 1842 de Dinosauria door Richard Owen voor het eerst benoemd werden, werd Iguanodon met Megalosaurus en Hylaeosaurus in deze groep geplaatst. De voordracht in augustus 1841 waarin hij aankondigde deze drie in een apart taxon te verenigen, bevatte echter ernstige kritiek aan het adres van Mantell. Owen merkte op dat de leguaan eigenlijk het slechtst mogelijke model was om Iguanodon mee te interpreteren en dat de naam daarom uiterst ongelukkig gekozen was. Verder presenteerde Owen allerlei resultaten van Mantells onderzoek alsof hij ze zelf ontdekt had. Dit leidde tot een breuk tussen de twee mannen.

Via verzamelaar George Bax Holmes kreeg Owen een stel klauwen van Iguanodon in handen die nog tweemaal groter waren dan de eerdere vondsten. Die gebruikte hij als een doorslaggevend argument tegen het hagedismodel: daarbinnen zou men moeten aannemen dat Iguanodon tweehonderd voet, ofwel zestig meter, lang zou zijn geweest. Eind 1841 kon hij ook een nieuwe vondst uit Wight van de samengegroeide bekkenwervels van Iguanodon bestuderen. Owen begreep dat die zo verstevigd waren om het gewicht van meer verticaal geplaatste achterpoten te dragen en dat Iguanodon dus meer als een zoogdier gebouwd was en veel korter dan Mantell aannam: zo'n acht meter. In de publicatie in 1842 van de voordracht, waarin voor het eerst het woord Dinosauria gebruikt werd, bekritiseerde Owen Mantells interpretatie nog eens extra op basis van de nieuwe gegevens.

In maart 1848 verkreeg Mantell voor het eerst een stuk kaak, van steengroeve-eigenaar Lambert Brickenden, zodat de band tussen de tanden en het dier definitief bevestigd werd. Deze beschreef hij in een voordracht aan de Royal Geological Society van 18 mei. Hierin aanvaardde hij ook Owens ideeën over de algemene lichaamshouding, hoewel hij het hoofd iets groter inschatte dan Owen gedaan had. Uit de openingen voor bloedvaten in de kaak leidde hij af dat Iguanodon vooruitstekende lippen had om te grijpen en een lange grijptong — zaken waarvan wij nu weten dat ze niet kloppen, maar die nog heel lang in beschrijvingen, in woord of beeld, van het dier zouden opduiken. Toen Mantell de voordracht beëindigd had, stond Owen op en meldde dat hij al eerder een kaak van een jonge Iguanodon verworven had. In maart 1849 had Mantell weer een voordracht aan de Society, waarin hij op grond van nieuwe vondsten de ruggengraat van Iguanodon vrijwel volledig beschreef en aantoonde dat verschillende wervels die Owen eerder aan andere soorten had toegewezen, in feite aan Iguanodon behoorden. Ook lukte het hem een opperarmbeen te identificeren: uit de korte lengte daarvan concludeerde hij dat de voorpoten gebruikt werden als grijporganen. Mantell had zo uiteindelijk een veel beter beeld gekregen van het dier, waarvan hij nu de meeste delen bezat met uitzondering van de bovenkant van de schedel en delen van de handen. Hiervoor kreeg de nu ernstig zieke Mantell van de Society op 30 november 1849 de Royal Medal, ondanks tegenwerking van Owen, wat bij Mantell de bekende verzuchting opriep: "Wat jammer dat een man van zoveel talent zo achterbaks en nijdig moet zijn!".

Mantell werd in 1852 verzocht de bouw van dinosauriërbeelden voor de tentoonstelling in en bij het Crystal Palace te begeleiden maar dat jaar stierf hij zodat de reconstructie door Benjamin Waterhouse Hawkins van Iguanodon — die zo groot was dat bij de aanbouw er een diner voor geleerden in gegeven kon worden — niet zijn laatste denkbeelden kon weerspiegelen en een "Oweniaans" uiterlijk kreeg als zware viervoeter. Het zou bijna dertig jaar duren voordat nieuwe vondsten Mantells inzicht dat de voorste ledematen elegant gebouwd waren, zouden bevestigen.

België

De vondst
In 1878 werden in een steenkoolmijn bij Bernissart skeletten gevonden van het dinosauriërgeslacht Iguanodon. Mijnwerkers van de Fosse Sainte Barbe ontdekten begin dat jaar dat een belangrijke steenkoollaag, de "Luronne" op 322 meter diepte, doorsneden werd door een kleiput, een trechterverzakking of cran, gevuld met grijs sediment en puin. Ze probeerden daar zo snel mogelijk doorheen te graven om de steenkool weer te bereiken. Op 28 februari stuitten twee mijnwerkers, Jules Créteur en Alphonse Blanchard, na tien meter ver te zijn doorgedrongen met hun houwelen op zeer harde en zwarte stukken, die ze eerst aanzagen voor fossiel hout gevuld met goud. Na een tijdje begrepen ze dat het "hout" wellicht fossiel bot was en het "goud", helaas, pyriet dat in de botholten uitgekristalliseerd was. Gedurende maart werden tijdens het afvoeren van het puin steeds meer fossielen naar boven gebracht. Mijnopziener Motuelle besloot de vreemde zaken te verzamelen en aan de directie voor te leggen. Die riep op 2 april een zekere dokter L'Hoir erbij die in het lokale café Dubrueille aan het pyriet een stuk in vlam zette en concludeerde dat het inderdaad bot betrof. De directie lichtte hierop geoloog François-Louis Cornet in. Die dacht eerst met een verlate 1 aprilgrap van doen te hebben maar na herhaald aandringen arriveerde hij alsnog op 8 april en begreep meteen hoe speciaal de vondst was. Hij stuurde de volgende dag fragmenten naar zoöloog professor Pierre-Joseph van Beneden van de Universiteit van Leuven die op 7 mei aan de tanden als eerste vaststelde dat het om Iguanodon ging. Ondertussen had een directeur van de mijn, ingenieur Gustave Fagès, provinciaal mijninspecteur Gustave Arnould gecontacteerd en die riep op 12 april via Édouard Dupont, directeur van het Koninklijk Museum voor Natuurlijke Historie te Brussel, met een spoedtelegram de hulp in van Louis F. de Pauw, de preparateur van het museum, die in België een zekere reputatie had op dit gebied omdat hij 1860 een mamoet had geborgen.

Berging door De Pauw
Op 13 april kwam De Pauw aan en besloot na het zien van de opgedolven fossielen zelf af te dalen. Meteen groef hij een heel achterbeen uit maar al bij al het naar boven brengen spleten de botten door de blootstelling aan de lucht. Hij begreep dat de zaak veel grondiger aangepakt moest worden en vertrok weer naar Brussel om op 10 mei beter voorbereid terug te keren. Op 15 mei begon hij met twee medewerkers, waaronder mouleerder Auguste Vandepoel, een nieuw uitgedachte bergingstechniek toe te passen, waarbij de gevonden botten eerst meteen weer met natte klei werden bedekt, dan met een laagje nat papier, daarna per blootgelegde zijde met gips en uiteindelijk met ijzeren ringen die ook weer in gips gegoten werden. Het project was niet zonder gevaren: steeds wanneer men op een skelet stuitte, werd de gang naar boven of onder verder uitgehold waardoor het almaar moeilijker werd alles te blijven onderstutten en dat terwijl de cran doortrokken was van wateraders. Nadat er al verscheidene verzakkingen en instortingen waren geweest, moest men in de middag van 22 oktober de opgraving overhaast evacueren omdat het water doorbrak en de gang onderliep. Toen waren er vijf skeletten verzameld.

Op 12 mei 1879 begon De Pauw opnieuw, nadat via een gietijzeren schacht de locatie weer ontwaterd was. Men vond daarna veertien iguanodons, twee schildpadden (Chritacephalus) en twee krokodilachtigen (Bernissartia). Een nieuwe zijgang van vijftig meter leverde nog eens acht iguanodons en een krokodilachtige op. In 1881 was het mogelijk om na verdieping van de hoofdschacht een gang op 356 meter diepte te graven. De kleitrechter bleek daar op een punt uit te lopen met een doorsnede van maar acht meter; toch werden er nog drie iguanodons gevonden.

De Pauw zou in die drie jaar uiteindelijk zo'n zeshonderd blokken met een totaalgewicht van 130 ton op verhuiswagens (in die tijd natuurlijk nog door paarden getrokken) naar Brussel laten vervoeren. De fossielen moesten al onder de grond beschermd worden omdat, zoals Arnould meteen al had vastgesteld, het pyriet na blootstelling aan de lucht begon te oxideren en omgezet werd in bros ijzersulfaat en ijzeroxide (limoniet) met een groter volume zodat de oorspronkelijke botvorm aangetast werd. Al in 1878 begon De Pauw ze weer uit hun gipsen omhulsel halen. Men probeerde daarbij de oxidatie tegen te gaan door ze meteen na opening met een dikke laag beenderlijm in te smeren, daarna werd het blok overgoten met kokende gelatine om het te impregneren. De volgende fase bestond uit het verwijderen van het gips en het pyriet, waarbij steeds opnieuw lijmlagen werden aangebracht. Beschadigingen werden gecamoufleerd met papier-maché ondersteund door ijzerdraad. Uiteindelijk werden de beenderen extra geïsoleerd door er een laagje tinfolie (zilverpapier) op aan te brengen. Ondanks de conserveringspogingen raakten ze door de "pyrietziekte" nog zwaar beschadigd: het was niet mogelijk alle pyriet te verwijderen en juist door de isolatie vertraagde het drogingsproces en werd de schade vergroot.

De opgravingen werden door geldgebrek gestopt, hoewel de trechter, waarvan de fossieldragende lagen minstens vijftig meter hoog zijn, nog lang niet helemaal was verkend en er dus waarschijnlijk nog een veelvoud aan skeletten verborgen moet liggen. De mijnmaatschappij, de Societé des Charbonnage de Bernissart, schoot alle kosten voor en had toen al 70.000 Belgische frank uitgegeven en ook nog 26.000 frank boete moeten betalen omdat te weinig steenkool gewonnen werd, hoewel de skeletten aan de Belgische staat gedoneerd werden. De Belgische regering kende op 4 augustus 1879 een subsidie van 15.000 frank toe en op 30 juni 1881 nog eens 25.000 frank. In 1885 werden de kosten van een verdere uitgraving op 50.000 frank geschat — maar de geldswaarde per skelet op 100.000 frank. Een aanbod van Frankrijk, in deze vertegenwoordigd door professor Albert Gaudry, om geld bij te dragen (en een schelpenverzameling) in ruil voor één van de skeletten werd na nationalistische protesten afgewezen. Overigens was de verwerkingscapaciteit van het museum al overbelast zodat men aan meer fossielen eigenlijk geen behoefte had.

Latere projecten de resterende fossielen alsnog boven de grond te brengen, liepen op niets uit. Tussen 1915 en 1918 gaf de Duitse geleerde Otto Jaekel onder de Duitse bezetting tijdens de Eerste Wereldoorlog, leiding aan de belangrijkste poging. Een nieuwe mijnschacht werd gegraven maar voordat een gang daaruit de trechter kon bereiken, werd de bezetter weer verdreven. Museumdirecteur Gustave Gilson hoopte nog dat het project na de oorlog doorgang zou vinden, maar de Belgische regering vond de kosten, begroot op een miljoen frank, te hoog. Het gangenstelsel is sinds oktober 1921 ondergelopen.

Expositie
Deze vondst van 24 complete en zeven onvolledige skeletten vormt tegenwoordig de op twee na grootste verzameling van dinosauriërs van één soort die op dezelfde locatie is geborgen. In 1878 was het de eerste keer dat zoveel en zo volledige resten van dinosauriërs werden opgegraven. De skeletten werden, onder leiding van de (toen nog) Fransman Louis Dollo, vanaf 1882 gereconstrueerd in de St Joriskapel van het toenmalige museumgebouw, het Hof van Nassau, op de binnenplaats waarvan vanaf juli 1883 ook het eerste skelet tentoongesteld werd, in een glazen kooi. De expositie trok ieder jaar zo'n honderdduizend bezoekers, waarvoor het gebouw eigenlijk te krap was. In 1892 verhuisden ze naar het Leopoldspark. In 1902 werd een speciale Janletvleugel, zo aangeduid omdat hij ontworpen was door architect Émile Janlet, voor de skeletten geopend waar ze nog steeds te bezichtigen zijn in wat nu het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen heet.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden ze opgeslagen in een vochtige kelder, waardoor de "pyrietziekte" weer begon op te spelen. Van december 1935 tot augustus 1936 zijn de skeletten, op initiatief van museumdirecteur Victor van Straelen, opnieuw behandeld om ze te stabiliseren met schellak. Tegen een kostprijs van 750.000 frank werden de botten geïmpregneerd met 390 kilo gom, opgelost in vierduizend liter alcohol, waarna ze werden geëxposeerd in nieuwe vitrinekasten. Hierdoor kregen ze hun huidige bruine uiterlijk; achteraf moest vastgesteld worden dat door de schellak opnieuw meer vocht werd vastgehouden en de schade weer vergroot, ook doordat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog opnieuw te vochtig werden opgeslagen. In 1985 maakten de iguanodons een buitenlandse reis en werden ze tentoongesteld in Japan, in de steden Tokyo en Nagoya. Naar aanleiding van de herlevende aandacht die dit teweegbracht, stelden wetenschappers in 1987 voor om tegen een prijs van een miljard frank de resterende skeletten alsnog boven de grond te brengen, maar het zou er niet van komen. In juni 2002 werd één skelet neergezet in een museum in Bernissart. In 2007 werd een volledige modernisering van de Janletvleugel voltooid.

Het is nog steeds niet helemaal zeker hoe het kan dat zoveel skeletten op dezelfde plaats bewaard zijn maar tegenwoordig neemt men algemeen aan dat de vindplaats een natuurlijke moerassige bezinkingsput was. Kadavers konden zich daar gedurende vele jaren opeenstapelen en fossiliseerden. Het is dus niet zo dat in één keer een hele kudde verdronken is.

De steenkool uit het bekken van Bergen waarnaar gedolven werd, stamt uit het Carboon, de iguanodons uit het Krijt, een latere periode. De dinosauriërs zijn gevonden doordat hun resten door een onderaardse verschuiving, een "cran", in oudere lagen terecht zijn gekomen.

De soort kreeg in 1881 van G.A. Boulanger de naam Iguanodon bernissartensis, wat wil zeggen "Iguanodon van Bernissart".

Visie op de lichaamshouding
De reconstructie van de iguanodons van Bernissart door Louis Dollo leidde weer tot een nieuw beeld van de dieren. Had Mantell ze eerst nog gezien als uit hun krachten gegroeide hagedissen met de ledematen in spreidstand en dacht Owen dat ze als een soort mesozoïsche tegenhangers van de zoogdieren recht op de vier poten stonden: Dollo baseerde zich op recente ontdekkingen in de Verenigde Staten van Amerika dat theropoden op hun achterpoten liepen en besloot ook zijn iguanodons als tweevoeters op te bouwen. Als vergelijkingsmodellen stelde hij het skelet van een kasuaris en een kangoeroe in de kapel op. De iguanodons werden letterlijk in dat stramien gedwongen: alle fossielen hadden een vrij rechte staart en die werd door Dollo gebroken om een meer verticale houding mogelijk te maken, hoewel in het echt verbeende pezen die kromming onmogelijk maakten. Met de perparatie werd wel duidelijk dat de hoorn die door Mantell als neushoorn werd gezien, in feite een duimklauw was. Toenmalige populair-wetenschappelijke afbeeldingen maakten deze houding erg bekend onder het grote publiek. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw stelde de Britse paleontoloog David Norman dit beeld weer bij door aan te tonen dat de horizontale stand de normale houding was. De befaamde opstelling in het Museum voor Natuurwetenschappen te Brussel van een groep rechtopstaande skeletten is dus niet erg realistisch, wat in het museum ook wordt aangegeven. Er is eveneens een opstelling van een skelet volgens de huidige inzichten.

Soorten
I. anglicus
I. atherfieldensis
I. bernissartensis
I. dawsoni
I. fittoni
I. hoggi
I. lakotaensis
I. ottingeri
Diverse andere soorten zijn beschreven, maar deze worden thans óf onder een van bovenstaande soorten gerekend, óf onder andere, verwante geslachten. De typesoort is sinds 2000 niet meer I. anglicus waarvan het holotype slechts die ene tand was maar I. bernissartensis, met als holotype IRSNB 1551. In 2006 kende Gregory S. Paul aan I. atherfieldensis een eigen geslacht toe: Mantellisaurus en in 2008 aan I. lakotaensis het geslacht Dakotadon, terwijl hij voor het Belgische skelet dat aan I. atherfieldensis was toegeschreven een nieuw geslacht Dollodon benoemde. Volgens Paul is zo I. bernissartensis nog de enige valide soort, hoewel hij het onwaarschijnlijk acht dat de oorspronkelijke Engelse vondsten werkelijk tot die soort behoren.

Noten
↑ Volgens het verhaal dat Mantell in zijn boek van 1822 vertelde, vond ze de tand toen ze steenslag bekeek die wegwerkers aanbrachten, terwijl ze naast hun rijtuig op Mantell wachtte die een doktersbezoek aflegde. In 1851 beweerde Mantell echter de herbivore tanden zelf gevonden te hebben. Vermoedelijk overzag Mary, die veel meer vrije tijd had en met Mantell getrouwd was vanuit een gedeelde passie voor geologie, een belangrijk deel van de opgravingen en wilde Mantell in 1822 haar reputatie beschermen: een respectabele vrouw van haar stand hield zich in die periode niet met zulke zaken bezig. Veel bronnen geven het publicatiejaar van het boek ten onrechte als het jaar van de vondst maar de tand wordt al in 1821 in Mantells notities vermeld — zonder de vermelding dat Mary de ontdekking gedaan zou hebben.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Iguanodon
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 84.