kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 19-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Indonesië

Indonesië 1945-1949

Proklamasi. Kami bangsa Indonesia dengan ini menjatakan kemerdekaan Indonesia Wij, het volk van Indonesië, verklaren hierbij dat Indonesië onafhankelijk is Zo liet Soekarno op 17 augustus 1945 tijdens een korte plechtigheid op straat in Jakarta aan de wereld weten, dat het koloniale Nederlands-Indië definitief verleden tijd was. Twee dagen eerder had Japan zich overgegeven, na de atoombommen op de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki. Met die Japanse overgave was een einde gekomen aan de Tweede Wereldoorlog in Azië.

Al voor de Tweede Wereldoorlog bestond in Nederlands-Indië een brede beweging die zich inzette voor zelfbeschikkingsrecht. Leiders als Soekarno, Mohammad Hatta en Soetan Sjahrir wilden los van Holland, anderen wilden alleen meer autonomie. Maar het Nederlandse gezag hield de touwtjes strak in handen.

En toen kwam in 1942 de Japanse aanval. De geallieerde strijdkrachten verloren op 27 februari de slag in de Javazee en op 8 maart volgde de capitulatie. De soldaten werden krijgsgevangen gemaakt, de meeste Nederlanders geïnterneerd in burgerkampen, en veel mannen werden gedwongen tewerkgesteld. De Japanners ontmantelden het Nederlands-Indische bestuurssysteem en feitelijk hield Nederlands-Indië op te bestaan.

Na 1945 probeerde Nederland het koloniale gezag met onderhandelingen en geweld (door middel van twee zogenoemde Politionele Acties) te herstellen. Maar op 27 december 1949 legde het zich, onder grote internationale druk, bij de Indonesische onafhankelijkheid neer. Alleen Nieuw Guinea werd pas in 1962 opgegeven en tenslotte na een overgangsperiode onder VN-toezicht en een omstreden volksraadpleging onder de Papoea’s, ingelijfd bij Indonesië. Daarmee werden vanaf 1969 de staatsgrenzen van de huidige Republiek Indonesië dezelfde als die van Nederlands-Indië.

Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd was er over en weer heftig gevochten. Tot in de jaren zestig verlieten in totaal ruim 300.000 Nederlanders, Indische Nederlanders, Papoea’s en Indonesiërs het land. De meesten gingen naar Nederland. Onder hen waren 12.500 Molukse soldaten van het voormalig Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en hun gezinnen. Zij kwamen in 1951 naar Nederland, waar hun militair dienstverband werd beëindigd.

Deze dekolonisatiegeschiedenis is nog geen verleden tijd. In 2005 nam Minister van Buitenlandse Zaken Bot deel aan de viering van zestig jaar Indonesische onafhankelijkheid. Nederland erkende daarmee dat Indonesië niet in 1949, maar op 17 augustus 1945 was ontstaan en Bot betuigde spijt dat Nederland toen ‘als het ware aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ was komen te staan, en daarmee aan velen leed had berokkend. Ook voor alle betrokkenen in Nederland was dat een belangrijke, soms confronterende, uitspraak.

Bron: Indonesische kunst.


De Nieuwe Kerk in Amsterdam presenteerde in 2005/2006 de tentoonstelling 'Indonesia: de ontdekking van het verleden'. Te zien zijn zes grote beelden uit de Singasari Periode (13de eeuw); belangrijke goudvondsten en paleisschatten uit Sulawesi, Lombok, Bali en unieke Etnografica uit West- en Oost-Indonesië, inclusief Nieuw-Guinea. Ook wordt aandacht besteed aan de recent ontdekte Wonoboyo goudschat.

De tentoonstelling presenteert de geschiedenis van het verzamelen en verdelen van het Indonesisch erfgoed, bijeengebracht door het Bataviaasch Genootschap. De collectie van dit genootschap is gegroeid door wetenschappelijke en militaire expedities, passies van individuele verzamelaars als gouverneurs en zendelingen en geschenken van B.v. vorsten en Sultans aan het Nederlandse koningshuis of Indische bestuurders. De Verzameling omvat onder meer (gouden) sieraden, budha's, beelden, krissen en wajangpoppen. Vanaf 1862 was het officieel beleid collecties te verdelen over twee instituten: het Museum Nasional te Jakarta en het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden. Het is voor het eerst dat de collecties weer bij elkaar worden gebracht, eerst in een tentoonstelling in Jakarta (te openen op 15 augustus) en aansluitend in De Nieuwe Kerk.

In totaal worden 330 objecten gepresenteerd, 160 uit Indonesië en 170 uit Nederland, zowel van archeologische als van antropologische aard. Het RMV en het MNI bezitten de twee grootste en mooiste collecties van het Indonesisch cultureel erfgoed ter wereld. In deze tentoonstelling worden de collecties voor het eerst bijeengebracht. Na het gemeenschappelijke koloniale verleden, waarin de collectie bijeen werd gebracht maar ook werd verdeeld over de beide Musea, benadrukt de tentoonstelling nu de nieuwe gelijkwaardige samenwerking en samenhang tussen Indonesië en Nederland.

Achtergrondinformatie
De geschiedenis van het verzamelen van Indonesisch cultureel erfgoed kent vele facetten, mooi én minder mooie. Dankzij de intensieve samenwerking tussen twee Musea in Indonesië en Nederland, het Museum Nasional en het Rijksmuseum voor Volkenkunde, is er voor het eerst een diepgaand, omvattend onderzoek verricht naar de herkomst van de twee grootste collecties Indonesische Etnografica ter wereld. Het resultaat van dit onderzoek is de tentoonstelling 'Indonesia, de ontdekking van het verleden', die vanaf 17 december in De Nieuwe Kerk te Amsterdam te zien is. De tentoonstelling biedt de unieke kans om objecten uit beide collecties voor het eerst weer in hun oorspronkelijke context te tonen. Het is een ontdekkingsreis geworden naar het rijke collectieve verleden van Indonesië en Nederland, een verhaal over wetenschappers, oorlogsbuit, expedities, missionarissen, toevallige vondsten en politieke inmenging. De gezamenlijke tentoonstelling wil de betrekkingen tussen beide Musea verstevigen op het gebied van collectieonderzoek en collectiebeheer, maar ook voor educatieve programma's. Bovendien krijgen zowel Indonesiërs als Nederlanders de kans om vertrouwd te raken met delen van het Indonesische culturele erfgoed dat zich buiten het land zelf bevindt.

Twee Musea, één collectie
Het uitgangspunt van de tentoonstelling is het verzamelbeleid van twee instituten: het Bataviaasch Genootschap en het Rijksmuseum voor Volkenkunde. Beide Musea stammen uit de koloniale Periode, toen de Nederlanders Indonesië bezet hielden, en de collecties zijn vergelijkbaar doordat veel voorwerpen afkomstig zijn van dezelfde verzamelaars en vindplaatsen. Voorwerpen die verzameld werden op wetenschappelijke expedities, tijdens militaire veroveringstochten of door bestuursambtenaren, missionarissen en zendelingen. In opdracht van de koloniale overheid moesten alle voorwerpen worden gezonden naar het Bataviaasch Genootschap in Batavia, het huidige Jakarta. Daar werd de boel gesplitst in een deel dat in Batavia bleef en een ander deel dat naar Nederland werd gestuurd, vooral naar Leiden maar soms ook naar andere plaatsen.

Ontstaan van de musea
Het tijdperk van de Verlichting bereikte geleidelijk ook de Nederlandse koloniën. De nadruk op het rationeel denken ging gepaard met het zoeken van wetenschappelijke verklaringen op het gebied van traditie, cultuur en geloof. Een jonge functionaris van de VOC, J.C.M. Rademacher, voelde zich aangetrokken tot het gedachtegoed en het voorbeeld van diverse jonge instituten in Nederland, zoals de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen in Haarlem, opgericht in 1752. Hij stelde voor om in Batavia een dergelijke vereniging op te Zetten. Uiteindelijk leidde dat in 1778 tot de oprichting van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Vanaf de oprichting werd er intensief antropologisch onderzoek gedaan, werd er gepubliceerd én verzameld. In hogere koloniale kringen was het destijds gebruikelijk om unica te verzamelen. Deze werden vervolgens aan het Genootschap geschonken. Dit leidde al in 1779 tot de opening van het Museum van het Bataviaasch Genootschap. In 1822 volgde een decreet van de gouverneur-generaal waarin werd bepaald dat alle vondsten in de hele archipel naar Batavia gestuurd moesten worden. Het bestuur van het Genootschap maakte vervolgens een voorstel voor de verdeling tussen Batavia en Nederland. Na de onafhankelijkheid werd de naam van het Museum veranderd in het Nationaal Museum van Indonesië en bleven de nieuwe aanwinsten in het Museum van de provincie waar ze gevonden werden. Met uitzondering van vondsten van 'nationaal belang', zoals de goudschat die in 1990 in Wonoboyo (Centraal-Java) werd ontdekt.
Het Museum in Leiden ontstond in de eerste decennia van de 19de eeuw. Ook hier vormde het Verlichtingsdenken de aanleiding tot de oprichting van een Volkenkundig Museum. Deze oprichting was bovendien een gevolg van de reeds aanwezige collecties van particuliere verzamelaars. Zo schonk J.F. Royer in 1813 zijn Chinese collectie aan het Huis van Oranje, en was de Japanse collectie van de beroemde Duitse arts Von Siebold sinds 1837 ondergebracht in het Etnografisch Museum in Leiden, de voorloper van het huidige Museum. Een derde omstandigheid voor de Ontwikkeling van het Rijksmuseum voor Volkenkunde is het kolonialisme. Na de opheffing van de VOC in 1799 werd Indonesië officieel een kolonie en groeide de Nederlandse militaire en politieke rol. Dit leidde in de laatste decennia van de 19de eeuw tot een vervijfvoudiging van de Indonesië-collectie. Na de Oorlog was de relatie met Indonesië complex, en kwam de teruggave van cultureel erfgoed regelmatig ter sprake. Deze discussie werd in 1978 afgesloten toen een van de mooiste voorbeelden van Indonesische Beeldhouwkunst, de Prajnaparamita, samen met een groot deel van de Lombok-schat aan Indonesië werd teruggegeven. Beide zijn nu weer te bewonderen, zij het voor even, in De Nieuwe Kerk. Sinds die tijd is de samenwerking met Indonesië weer op gang gekomen. Het project 'Shared Cultural Heritage, Indonesia-Netherlands', dat aan de basis staat van deze tentoonstelling en bijbehorende publicatie, is een treffend voorbeeld van de hedendaagse gelijkwaardige en collegiale samenwerking tussen deze twee Musea.

Verzamelgeschiedenis
Witte plekken: de eerste expedities
Vele objecten in deze tentoonstelling zijn het resultaat van wetenschappelijke expedities, soms in opdracht van de overheid, soms in opdracht van organisaties als het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap en de Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek. Dergelijke expedities trokken naar onontgonnen delen in de archipel en brachten Verzamelingen van geologische, botanische, zoölogische en Etnografische aard bijeen.
Op de tentoonstelling zijn de resultaten van een aantal van deze expedities te zien. De arts Anton Nieuwenhuis (1864-1953), 'Dr. Livingstone van Borneo', werd in 1892 uitgezonden naar Borneo, het huidige Kalimantan. Daar was hij verantwoordelijk voor de medische zorg en verzamelde tegelijkertijd voorwerpen van de bewoners van Kalimantan, de Dayak. Deze bevolkingsgroep bestaat uit honderden stammen die volledig afhankelijk zijn van de Natuur. De Dayak geloven dan ook in de noodzaak van het natuurlijk evenwicht. Dit geloof komt tot uiting in vele soorten van ceremonies en voorwerpen. De Dayak versieren zich met groot enthousiasme met sieraden en Tatoeages. Deze Tatoeages zijn een Vorm van begeesterde, magische Kunst. Ze drukken een religieuze overtuiging uit, geven sociale status en houden slechte zaken op afstand. Op de tentoonstelling zijn tatoeageclichés te zien die door Nieuwenhuis zijn verzameld.
Ook Sumatra was een bestemming voor ontdekkingsreizen. In het midden van de 19de eeuw kende dit eiland nog tal van witte plekken. Expedities verkenden de onbekende gebieden en verzamelden Etnografica, zoals in de jaren zeventig van de 19de eeuw, de zogenaamde Midden-Sumatra-expeditie. Dit was een reis met verschillende doelen: het in kaart brengen van het gebied en taalkundig, Etnografisch en natuurhistorisch onderzoek. De tentoonstelling toont een aantal meegebrachte voorwerpen van deze tocht, zoals rijk bewerkt textiel en messing tabaksdozen.

De grote ontdekking: archeologische vindplaatsen
Er bestond niet alleen belangstelling voor Etnografica, maar ook voor de archeologische en cultuurhistorische overblijfselen. In de tentoonstelling wordt aandacht besteed aan een vijftal vindplaatsen hiervan.
Enkele objecten op de tentoonstelling (een bronzen beeld, een kris en een klok) zijn afkomstig uit de beroemdste tempel van Indonesië: de Borobudur. Gebouwd in Centraal-Java in de 8ste en 9de eeuw raakte de tempel al snel in de vergetelheid. Pas in 1814 kapte een Nederlandse ingenieur, in opdracht van de Engelse bewindvoerder Raffles, met zijn hakmes de plek vrij van bomen en planten en maakte de eerste tekeningen van dit schitterende monument.
Tot de onbetwiste hoogtepunten op de tentoonstelling behoren de beelden die werden gevonden in Singasari, een klein dorpje bij Malang op Oost-Java. Tijdens de Singasari-periode (13de eeuw) lijkt de bouw van stenen tempels een impuls te hebben gekregen. Sommige van deze tempels waren gedenkplaatsen voor gestorven Koningen. Tegelijkertijd ontwikkelden de boeddhistische Beeldhouwkunst en de Iconografie zich sterk, wat goed zichtbaar is in de zeer verfijnde sculpturen uit deze Periode. In De Nieuwe Kerk zijn maar liefst zeven voorbeelden hiervan te zien, inclusief de 'Nachtwacht' van Indonesië: het beeld van Prajnaparamita, de godin van de opperste wijsheid.
Op 4 oktober 1881 kreeg het Bataviaasch Genootschap een vondst van 27 gouden en Zilveren voorwerpen aangeboden. Ze waren afkomstig uit het dorpje Muteran, vlak bij Surabaya. Een gedenkwaardig moment, omdat niet eerder een goudschat van dergelijke omvang was aangetroffen. Deze vondst werd pas in 1990 overtroffen door die van Wonoboyo. De Muteran-schat werd direct verdeeld onder Batavia en Leiden. De tentoonstelling in De Nieuwe Kerk is de eerste gelegenheid om deze spectaculaire vondst weer te bewonderen. De Schat, waarschijnlijk daterend uit de 10de eeuw, werd gevonden in een grote metalen pot, op een diepte van 45 cm, en bevatte godenbeeldjes, sieraden, een Zilveren Schaal en een aantal andere voorwerpen. De bijzonderste sieraden zijn twee hoofddeksels die waarschijnlijk op een knot haar geplaatst werden, prachtige voorbeelden van verfijnde goudsmeedkunst. Het is niet duidelijk wie dit assortiment onder de grond heeft gestopt en nog minder waarom.
Dat ontdekkingen nog steeds voorkomen in het Moderne Indonesië blijkt uit de spectaculaire vondst in 1990 van de Wonoboyo-goudschat, genoemd naar het dorpje vlak bij Yogyakarta. Om een betere bevloeiing van een rijstveld te verkrijgen, liet de eigenaresse de grond afgraven waardoor de Schat werd aangetroffen. De vondst, die was geborgen in een bronzen doos en in vijf Chinese potten uit de Tang-periode, was veel omvangrijker dan die van Muteran. De Schat dateert uit ca. 900 en bevat bijna zevenduizend gouden en Zilveren munten en tientallen gouden voorwerpen, waarvan vele tot dan toe onbekend waren. Het vakmanschap van de voorwerpen is opvallend groot. Er zijn prachtige gouden schalen, verfijnde sieraden en rijk bewerkte hoofddeksels. Een grote selectie van deze vondst is nu voor het eerst in Nederland te zien.

Geschenken aan de Hollander
Veel geschenken van Indonesische vorsten aan de Nederlanders machthebbers zijn uiteindelijk in Musea terechtgekomen. Met name de lokale heersers in Java en Bali gaven kostbare 'kratongeschenken' aan Nederlandse Koningen en koninginnen en aan vertegenwoordigers van het koloniale gezag. Op de tentoonstelling zijn indrukwekkende voorbeelden hiervan te zien: prachtige staatsielansen, geschonken door de Vorst van Yogyakarta, rijk bewerkte sabels van het hof van Surakarta. Balinese stedehouders schonken bijzondere gouden wierook- en tabaksdozen

Met de Bijbel in de hand: collecties van zendelingen
Een deel van de voorwerpen in de twee Musea werd bijeengebracht door zendelingen en bijbelvertalers in de koloniale tijd. Al vroeg begonnen Nederlandse zendelingen met de verbreiding van het christelijke geloof op Ambon in de Molukken en in Noord-Sulawesi. Vervolgens waren andere gebieden in de Molukken, Noord-Sumatra en Oost-Java aan de beurt. Behalve met hun geloofsarbeid hielden de zendelingen zich ook bezig met het verzamelen van voorwerpen in de gebieden waar zij werkzaam waren. Veel van de Verzamelingen werden vervolgens naar de Musea gestuurd. Op de tentoonstelling is een bijzondere collectie voorwerpen van boombast uit Sulawesi te zien, verzameld door de zendeling Christian Kruyt (1869-1949).

De Passie van een verzamelaar
Veel van de voorwerpen in beide Musea zijn daar beland doordat ze geschonken werden door privé-verzamelaars. De figuren die in deze tentoonstelling aan bod komen hebben allemaal hun koloniale context gemeen, maar zijn tegelijkertijd zeer verschillend. Verschil in de persoonlijke achtergrond en ook in de manier van verzamelen. Zo is een bijzondere Verzameling wayang kulit-figuren te zien in De Nieuwe Kerk, verzameld door W. Harloff, alsook topstukken uit de collectie Midden-Javaanse maskers van E. Jacobson en uit de batikcollectie van G. Rouffaer.

Kunst dankzij Oorlog en vernietiging: Atjeh, Lombok en Bali
Roof tijdens militaire expedities was dikwijls de aanzet van een collectie. Met name de Oorlog in Atjeh, de gebeurtenissen op Bali en Lombok, en de militaire activiteiten in Zuid-Sulawesi Figureren in de tentoonstelling. Dit soort Verzamelingen is het meest omstreden en is sterk verbonden met ethische vragen. Het met geweld onder controle brengen van deze gebieden wordt nu, terecht, gezien als een zwarte bladzijde in de koloniale geschiedenis. Ook toen was er kritiek, maar van grote weerstand tegen het militaire optreden was geen sprake. Er werd immers 'iets groots verricht'. tentoonstelling en boek leveren achtergrondinformatie die een goede discussie over deze problematiek mogelijk maakt.
In 1894 werd op Lombok, het eiland tussen Bali en Sumbawa, het vorstendom Mataram-Cakranegara verslagen door de Nederlandse troepen. De rijkdommen van het paleis werden als oorlogsbuit meegenomen: 230 kilo goud, 7000 kilo Zilver, sieraden en edelstenen. Sinds de overwinning van het vorstenhuis Mataram op het vorstenhuis Singasari in 1839 ging het het rijk voor de wind. De Straat van Lombok werd druk bevaren door schepen uit het buitenland en de regio. Een Engelse koopman had van de Vorst het monopolie op de Handel met die schepen gekregen, een bron van zorg voor de Nederlanders, die hun invloed zagen afnemen. Vanaf 1891 ontstond een grote machtsstrijd tussen het regerende vorstenhuis en de lokale Sasak-bevolking, die de gouverneur-generaal verzocht om in te grijpen. Na vergeefse onderhandelingen werd besloten een militaire expeditie naar Lombok te sturen. Grote aanvallen volgden, met meer dan vijfduizend soldaten. Op 1 december 1895 was het vorstendom Mataram onderworpen ten koste van duizenden doden en gewonden. Uit het paleis van Cakranega werden de rijkdommen als oorlogsbuit meegenomen door de Nederlanders, en naar Batavia gestuurd. Daar werd de buit verdeeld door het Bataviaasch Genootschap. Een jaar later kwamen kisten vol goud, Zilver en edelstenen aan bij De Nederlandsche Bank. Na inventarisatie door Victor de Stuers werd de Schat in 1897-1898 tentoongesteld in het Rijksmuseum in Amsterdam. Een gedeelte van de collectie is in 1977 teruggeven aan Indonesië. Hoogtepunten uit deze omvangrijke collectie zijn te zien op de tentoonstelling in De Nieuwe Kerk : letterlijk schitterende sieraden met grote edelstenen zoals Broches, hoofdtooien en ringen.
Een aantal jaren herhaalde zich deze agressieve Vorm van collectievorming. In 1904 brak luitenant-kolonel Van Daalen het fanatieke verzet in de binnenlanden van Noord-Sumatra, ten koste van bijna drieduizend doden, ongeveer een Kwart van de lokale bevolking. De minachting van Van Daalen voor de inheemse bewoners stond zijn belangstelling voor de volkskunst echter niet in de weg. In 1904 arriveerden dan ook kisten in Batavia met Etnografica uit dit gebied. Deze zending vormde een jaar later de tentoonstelling van de 'Van Daalen-collectie' in het Museum van het Bataviaasch Genootschap. De honderden voorwerpen werden vervolgens weer verdeeld tussen Batavia en Nederlandse Musea. Op deze tentoonstelling zijn stille getuigen te zien van dit wrede verzamelbeleid: sieraden uit Atjeh en goud en kleding uit de Gayo-landen.
Een ander schrijnend voorbeeld van oorlogsbuit op de tentoonstelling zijn de Balinese voorwerpen uit Badung en Tabanan. Ook hier ging het Nederlandse leger tekeer. Op 14 september 1906 landden de eerste troepen en ook hier werd het paleis van de Vorst van Badung geplunderd na een dramatische puputan (zelfmoordactie) van de Vorst, zijn familie en zijn getrouwen. In 1907 arriveerden 410 voorwerpen in Nederland, 241 waren in Batavia achtergebleven. Maar de voorwerpen kwamen niet alleen via het gouvernement. In deze onrustige Periode maakte de schilder Wijnand Otto Jan Nieuwenkamp een reis naar Bali. Hij redde wat er te redden viel uit reeds verbrande tempelcomplexen en paleizen. Zo kwam hij in bezit van twee prachtige deuren uit een poort, ruim vier meter hoog. Later heeft hij deze geschonken aan het Museum in Leiden. In De Nieuwe Kerk staan ze nu opgesteld als stille getuigen van een duistere pagina in de verzamelgeschiedenis.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 836.