kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 20-01-2016 voor het laatst bewerkt.

J.J. Cremer

Nederlands prozaschrijver en kunstschilder, geboren 1 september 1827 te Arnhem, overleden 5 juni 1880 te Den Haag

Jacobus Jan Cremer stamde uit een welgestelde, kunstzinnige familie en toonde reeds vroeg talent voor tekenen, voordracht en toneel. Hij was de zoon van Alexander Cremer, vermogend koopman, en Louisa Nagel. Zijn vader liet in Arnhem een groot huis aan het Velperplein bouwen en bezat ook het buitenverblijf De Oldenhof bij Driel in de Over-Betuwe. Op zijn tiende jaar ging hij naar de kostschool 'Het Hemeldal te Oosterbeek. Hij verbleef daar vijf jaar en kreeg daarna onderwijs van een gouverneur.

In 1844 werd hij leerling van de Oosterbeekse schilder F.H. Hendriks. J.J. Cremer was een romantische schilder van landschappen in olieverf in de stijl van B.C. Koekkoek.

In 1846 ging hij in Den Haag wonen. Opgeleid voor schilder, ging hij zich echter wijden aan het schrijven van novellen, romans en toneelstukken.

Zijn historische roman De lelie van 's-Gravenhage (1851) werd een mislukking. Ook zijn dickensiaanse roman Daniël Sils (2 dln., 1856) sloeg niet echt aan.

Op 19 mei 1852 trad hij in het huwelijk met Johanette Louise Brouerius van Nidek en vestigde hij zich te Loenen aan de Vecht. Zij kregen drie dochters en een zoon.

Succes behaalde hij uiteindelijk met de gedeeltelijk in dialect geschreven dorpsvertellingen Betuwsche novellen (2 dln, 1856) en Overbetuwsche novellen (1857). Cremer had zijn eerste levensjaren doorgebracht in Gelderland waar hij kennis had gemaakt met het boerenleven dat hij in zijn novellen geïdealiseerd weergaf. De novellen waren geschreven in de trant van Auerbach, Reuter en Conscience, welk genre hij daarmee in Nederland introduceerde en waarin hij veel navolging vond.

In 1857 verhuisde hij weer naar Den Haag.

Kinderwetje van Van Houten
Zijn voordracht uit 1863, Fabriekskinderen, en zijn persoonlijke bemoeiingen (o.a. bij Thorbecke) hebben geleid tot de eerste wetgeving tegen de kinderarbeid, het zogenaamde kinderwetje van Van Houten uit 1874.
In de 19de eeuw werden kinderen door fabriekseigenaren gezien als goedkope arbeidskrachten. Hun arme ouders konden het geld goed gebruiken. Maar de werkomstandigheden waren vaak ten hemel schreiend.
Verschillende tegenstanders van kinderarbeid probeerden de regering ervan te overtuigen dat er een eind aan deze misstand moest komen. Ingenieur A.A.C. de Vries Robbé, die met eigen ogen de ellende had aanschouwd, vroeg de schrijver J.J. Cremer begin 1863 met hem mee te gaan naar een textielfabriek in Leiden. Cremer was zo onder de indruk van wat hij daar zag, dat hij in zes weken een felle aanklacht schreef: Fabriekskinderen, een bede, doch niet om geld. Op 7 maart 1863 droeg hij zijn verhaal voor in Den Haag. Van de uitgenodigde ministers was er echter niet een, en van de Tweede-Kamerleden slechts een enkeling aanwezig.
Cremer liet het er niet bij zitten. Hij stuurde een exemplaar van de gedrukte voordracht naar J.R. Thorbecke, de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken. Daarop werd er door de regering een staatscommissie ingesteld die opnieuw onderzoek moest doen.
Toen er in 1866 nog altijd geen verslag van die commissie was verschenen, maakte Cremer zich daar kwaad over in een artikel in het tijdschrift De Nederlandsche Spectator. Het zou tot 1869 duren tot het rapport verscheen. En weer deed de regering niets met de aanbevelingen. De minister antwoordde op Kamervragen dat de publieke opinie zich er maar over uit moest spreken. Cremer riep vervolgens in de krant Het Vaderland iedereen op de minister met verzoekschriften te bestoken. Op 2 juni 1870 plaatste hij ten slotte in dezelfde krant zijn "Openbare brief aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken". Het kladhandschrift van deze brief is te zien in de semi-permanente tentoonstelling Gaan Waar De Woorden Gaan in het Letterkundig Museum.
Het moest trouwens nog tot 24 september 1874 duren voordat de door het Kamerlid S. van Houten ingediende (initiatief)wet in het Staatsblad werd gepubliceerd en daarmee van kracht werd. (bron: Rotterdam 1861) verscheen 'Geheel ten voordeele van de noodlijdenden ten gevolge der overstroomingen binnen Nederland in 1861'. Ook probeerde Cremer begrip te kweken voor de moeilijke positie van de minderbedeelden in de Nederlandse samenleving.
Sociale problemen ging hij in zijn werk niet uit de weg. De roman Anna Rooze (Leiden 1868) had de preventieve hechtenis tot onderwerp, Hanna de Freule (Amsterdam 1873) schetste de ellende die de werkstaking kon veroorzaken.
Ook in kleinere publikaties gaf Cremer zijn mening over de problemen van zijn tijd. Zo reageerde hij fel op de Frans-Duitse oorlog in De oorlog een noodzakelijk kwaad? (Leiden 1871).
Op de oprichting in 1869 van het Nederlandsch Werklieden-Verbond, later bekend als Eerste Internationale, volgde een Brief aan alle Nederlandsche werklieden, leden en geen leden der Internationale, door Jan Stukadoor (Leeuwarden 1871). Deze lokte een reactie uit van een onbekende socialist: Een woordje an meneer J.J. Cremer, of liever an Jan Stukadoor [...]. Een kijkje in de woning en in het hart van de werkman (Den Haag 1871). Een jaar later verscheen het Antwoord van Jan Stukadoor aan Piet Schaver (Leeuwarden 1872). Cremer moest niets hebben van het internationaal geörienteerde communisme, maar verwachtte wel verbeteringen voor de arbeiders door samenwerking binnen een nationale werkliedenvereniging.

Zijn roman Dokter Helmond en zijn vrouw (2 dln, 1870) werd vanaf juli 1869 als feuilleton in Het Vaderland gepubliceerd. Door velen werd Cremer gezien als de Nederlandse Dickens.

Door de toeloop die hij met de voordracht van zijn verhalen genoot en zijn zakelijke overeenkomsten met uitgevers werd hij een van de eerste beroepsletterkundigen in Nederland. Vaak waren de opbrengsten van zijn doorgaans zeer lucratieve voordrachten bestemd voor liefdadige doeleinden. Hij was een sociaal bewogen mens maar enigszins afstandelijk in de omgang. Zijn voordrachten en daarbij behorende reizen door Nederland matten hem af en om zijn zwakke gezondheid enigszins te ontzien leidde hij een teruggetrokken persoonlijk leven. Cremer overleed aan een leverkwaal.

Zijn wens om hem niet met een grafmonument maar met een bank op een mooie plaats in de natuur te gedenken werd vervuld. Nog steeds houdt de 'Cremerbank' in de Scheveningse Bosjes de gedachtenis aan hem levend.

Zijn schilderijen bevinden zich onder andere in het Rijksmuseum in Amsterdam, het Gemeentemuseum in Arnhem en het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag.

Websites: www.dbnl.org, members.lycos.nl/J.J._Cremer, www.iisg.nl biografisch woordenboek van het socialisme


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 94.