kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Jacob Cats

Nederlands schrijver en staatsman, geboren op 10 november 1577 te Brouwershaven, gestorven 12 september 1660 te 's-gravenhage in het huis dat we nu het Catshuis noemen en nu de ambtswoning van de minister-president is.

jacob cats, ook wel vadertje Cats genoemd, bekend om zijn didactische poëzie, is één van de belangrijke schrijvers van de gouden zeventiende eeuw in de Nederlandse letterkunde. Hij blijft echter in de schaduw van de drie groten van die tijd, Bredero, vondel en hooft.

Cats schreef emblemata en andere didactische werken, waarin hij adviezen gaf op alle terreinen van het maatschappelijk en het persoonlijk leven.

Cats studeerde letteren en rechten en bekleedde verschillende openbare ambten.

Cats was het vierde kind in het gezin. Zijn moeder stierf vroeg. Toen zijn vader hertrouwde met een Waalse vrouw, wier goede aard Cats overigens herhaaldelijk prees, stond zijn oom niet toe, dat hij langer in het vaderlijk huis bleef: de opvoeding door een Waalse kon den voogd klaarblijkelijk niet behagen.

Al spoedig werd de jonge Jacob op school bezorgd te Zierikzee als kostleerling op de Latijnse school van meester Dirk Kemp. Aanvankelijk kon de studie hem maar matig bekoren. Zijn aandacht werd meer getrokken door een inwonende dienstmaagd, die er een bijster genoegen in schepte ‘s avonds „als vrouwen meester sliep” de jonge heren op hun kamer te bezoeken om daar met losse praat de nacht aangenaam door te brengen.

In deze tijd begint hij ook te dichten: een eerbaar jongeling, uit Brabant in Zierikzee gekomen, de dichtkunst meester zijnde, heeft de grondslag gelegd, waardoor het hem mogelijk was geleidelijk de Parnassus te gaan bestijgen. Naast Latijnse verzen schrijft hij dus ook Nederlandse, of, zoals hij zelf zegt, Zeeuwse.

Van Zierikzee gaat hij ,hogerop', namelijk naar Leiden, waar hij door een nieuwavontuur met de klaarblijkelijk niet erg makke dienstmaagden van die tijd, voorgoed geneest van zijn lust zich met deze „titsighe dieren” intiemer in te laten. Aanvankelijk studeert hij veel Grieks, maar men betoogt hem, dat met de studie van het Romeinse recht beter carriere te maken valt.

Ter voltooiing zijner jundische studiën gaat hij naar Orleans, waar hij promoveert. Dan woont en studeert hij te Parijs. Overbodig te zeggen, dat de aantrekkelijkheden van het andere geslacht hem hier in hoge mate bekoren, maar zijn Leidse ervaringen hebben hem voorzichtigheid geleerd.

Terug in de lage landen vestigt hij zich in Den Haag, waar hij enige naam maakte als jurist in de zaak van een van tovenarij beschuldigde vrouw, die, dank zij Cats' pleidooi, werd vrijgesproken. Hij zou spoedig getrouwd zijn, maar wordt ziek en zoekt genezing in „het vruchtbaer Engeland” zonder er echter baat te vinden.

Daarna gaat hij in Middelburg wonen (1603). Aanvankelijk oefent hij er de advocatenpractijk uit.

Thans, eindelijk, trouwt hij, niet het Haagse meisje dat hij voor zijn Engelse reis ontmoette, óók niet de Middelburgse schone die hem in vuur en vlam zette, maar wier vader - o, ramp! - bankroet geslagen was, hetgeen de jonge Jacob een afdoende reden acht de relatie te verbreken - deze zou hem immers in zijn carriere geschaad hebben -. Hij trouwt in 1605 met Elisabeth van Valkenburg, „een vrouw van sneêgh vernuft en geestigh in manieren”, die in stede van „Romansche grillen” liever Plutarchus, maar bovenal de Bijbel las.

Deze vrouw heeft een belangrijke invloed op Cats' innerlijk leven gehad. Tijdens zijn verblijf in Engeland had Cats o.a. enige tijd doorgebracht in Cambridge, waar William Perkins toentertijd professor was in de godgeleerdheid, terwijl daar ook diens geestverwant „de soete doctor Hal” vertoefde. Aan deze beiden dankt Cats de piëtistische inslag in zijn calvistische opvattingen, die thans door zijn vrouw versterkt, later door de omgang met den predikant Willem Teellinck, die van 1613-1629 in Middelburg stond, tot zijn hoogtepunt gevoerd worden.

Een stil en rustig leven leidend, kon hij bij Grijpskerke een zomers buitenverblijf betrekken: als landontginner had hij in deze tijd de wind in de zeilen, zodat hij een welgesteld man werd.

Reeds eerder had Cats, naar wij zagen, zich met de dichtkunst beziggehouden; „eenige minnelycke Sinne-beelden dat is geckelijcke invallen”, waarover hij zich later, ouder en wijzer geworden, lichtelijk schaamt, waren er het resultaat van. De omgang met de genoemde vrome mannen en zijn vrouw, de dood zijner drie zoons ook hebben zijn gemoed verdiept en ernstiger gemaakt.

Hij werkt dan deze minnelycke Sinne-beelden om tot de Sinne- en Minnebeelden, waarmee hij in 1618, veertig jaar oud, debuteerde: een boek met fraaie prenten van Adriaan van de Venne, die Cats van bijschriften in proza en poëzie voorzag, het geliefkoosde genre van die tijd. Cats toont zich hier reeds den moralist in opfuna forma, die een of ander tafereeltje of beeld op diverse wijzen weet te interpreteren, maar altijd zó dat de lezer er nutte lering uit kan trekken. Cats werkte de emblemen in dit boek op drie verschillende manieren uit. Hij gaf dezelfde pictura een amoureuze, een maatschappelijke en een religieuze verklaring. De bundel sloot daarmee aan bij de liefdes- en religieuze emblematiek, maar gaf meteen een heel nieuwe impuls aan het genre. Cats schreef subscriptio's in poëzie en in proza. Daarbij plaatste hij bijbelcitaten en citaten uit de oudheid. Voor de motto's gebruikte hij vaak citaten of spreekwoorden. Op de pictura's waren veel herkenbare voorwerpen en situaties te zien. De bijbehorende Nederlandse teksten maakten de bundel begrijpelijk voor de doorsnee Hollander. Tegelijkertijd bleek uit de Franse en Latijnse teksten en de aangehaalde klassieke schrijvers dat Cats een geleerde dichter was. Deze combinatie van begrijpelijkheid en geleerdheid maakte de bundel aantrekkelijk voor een breed publiek.

Men kan onmogelijk beweren, dat Cats ons volk heroïsche deugden heeft aangeleerd: een nuchterberekenende voorzichtigheid stempelt al zijn aanwijzingen. De edelmoedigheid, het élan, al wat naar spontane levenskracht zweemt, is uit deze sfeer gebannen. Een rationaliserend element is onmiskenbaar. Hoe heeft hij in Selfstryt (1620) Jozef en Potiphar's vrouw in eindeloze, maar nuchter weloverwogen debatten (bij alle hartstocht van de kant der vrouw) hun standpunten laten uiteenzetten, alsof het een wedstrijd in welsprekendheid gold!

Het einde van het Bestand (1621) betekent voor den inpolderaar Cats, wiens polders juist op de grenzen in Staats- Vlaanderen lagen, een groot verlies: uit strategische overwegingen worden namelijk de dijken doorgestoken:

Dit doorsteken van de dijken en fiscale moeilijkheden - „een tweede slagh”, verzekert Cats - voeren hem naar Den Haag om er zijn belangen te bepleiten. Daar wordt hem het professoraat in het burgerlijk recht te Leiden aangeboden, en kort daarop het pensionarisschap van Middelburg. Cats kiest het laatste, mede omdat zijn vrouw er de voorkeur aan geeft. De stijging op de maatschappelijke ladder is begonnen en zal van nu af aan ononderbroken worden voortgezet.

Ook als dichter geniet hij reeds naam, zoals blijkt uit de verzamelbundel Zeeusche Nachtegael die in 1623 verscheen: verschillende gedichten uit deze, op zijn voetspoor in drie delen verdeelde, verzameling (Minnesang, Sedensang en Hemel-sang) waren aan hem opgedragen.

In het jaar, waarin de Zeeusche Nachtegael verscheen, verlaat Cats zijn geliefd Middelburg voor Dordrecht om daar het pensionarisschap te bekleden. Mocht hij zich daarmede al een „lastigh pack” op de hals laden, de er aan verbonden eer „Hollandts eerste stadt” te mogen dienen, zal de arbeid verzoet hebben. In elk geval vond hij er tijd en gelegenheid een van zijn hoofdwerken te schrijven, te weten Houwelick (1625) , waarin hij het ganse verloop van de aangelegenheden des huwelijks omstandig ter sprake brengt: maagd, vrijster, bruid, vrouw, moeder en weduwe, voor elk wordt niet één, maar een groot aantal kaarsjes gebrand, terwijl de mannelijke tegenplichten niet worden vergeten.

In 1630 stierf zijn vrouw, wier herinnering hem altijd dierbaar zal blijven. Tot een tweede huwelijk kwam de, overigens amoureuze, 53-jarige weduwnaar niet:

Hij zoekt dus in zijn bezigheid afleiding voor de gedachten der eenzaamheid die hem mochten kwellen; amtsbezigheden, studie, dichten en de aanleg van zijn buitengoed Zorgvlied, het latere Catshuis, waarmede hij omstreeks 1632 begon, vullen zijn tijd.

In 1636 slaagt Frederik Hendrik er aardig in de Staten Generaal naar zijn hand te zetten. Hij dwingt de naar zijn smaak al te eigengereide raadpensionaris Adriaan Pauw af te treden om Cats daar in de plaats voor aangesteld te krijgen.

Dus volgt in 1636 de grote dag zijns levens, als hij tot Raadpensionaris van Holland benoemd wordt, het gewichtige, eervolle ambt dat voor hem gedragen was door een man als Oldenbarnevelt en ná hem door een De Witt. Cats heeft het in zijn tijd (1636-1652) als ambtenaar opgevat, met de hem eigen voorzichtigheid, en hij prijst zich na beëindiging ervan gelukkig, dat hij nog leeft!

Veel tijd om te schrijven heeft het hem niet gelaten. Vóór het zijn volle aandacht vergde, zal hij het complement van zijn Houwelick hebben vervaardigd; althans in 1637 reeds verscheen ‘s Werelts begin, midden, eynde besloten in den Trouringh, het tweede grote werk met betrekking tot liefde en huwelijk.

Houwelick en Trouringh tonen Cats als den opvoeder van zijn volk in een gewichtige, maar niet de enigst belangrijke aangelegenheid des levens. Op de practische dingen is Cats' aandacht gericht, zij het, dat in het grote concept deze practische zaken samenhangen met en gericht zijn op hogere, geestelijke waarden. De proefsteen van de trouwring is zijn Lofzang op het Geestelijk Huwelijk van Gods Zoon met de Kerk. Buiten het deel dat hierover handelt is van deze samenhang echter niet veel te bespeuren. De practische raadgevingen van allerlei aard zijn ten dele geïnspireerd door Cats' christelijke opvattingen, ten dele door zijn gematigde, overvoorzichtige mentaliteit die elke edelmoedigheid eigenlijk buitensluit. Deze mentaliteit kan men moeilijk bewonderen. Meer waardering kan men tonen voor den verteller Cats, die zijn theorie opluisterde door verhalen van allerlei aard. Dat Cats veel gelezen had in de Bijbel en tal van litteraturen, behoeft nauwelijks betoog. Hij wist zijn belezenheid uitstekend aan den man, en niet minder aan de vrouw, te brengen. Onder de geschiedenissen die hij vertelt, zijn er verschillende die uitmunten door levendige voorstellingen van het geval, een zekere geest en een soepele verteltrant.

Het is waarschijnlijk door zijn opvoedende houding dat hij meestal niet tot de galerie van de groten gerekend wordt. Zijn werk komt immers nogal droog over en kampt met een gebrek aan verbeelding.

Cats, de wijze Vader Cats staat met immer opgeheven vinger voor ons, bedaard, kalm, rustig; hij heeft alles weloverwogen, alles klopt als een bus, en als er iets niet klopt, is het Gods wil, die men in lijdzaamheid te aanvaarden heeft. Maar behalve Gods wil, kent hij alle geheimenissen tussen hemel en aarde vooral die van het huwelijksbed. Hij doceert nauwkeurig dat de vrouw haar man het dek niet moet aftrekken en zich niet onmiddellijk boos moet maken, wanneer hij zich maar even beweegt; hij adviseert de vrijster zich al vroeg er aan te gewennen niet in een bocht te liggen, opdat haar man later van die bocht geen last hebbe. Hij geeft ook raad en opheldering in ietwat belangrijker zaken, maar hij doet het altijd iets te gezapig om het gezellig te doen.

1651: Engeland neemt de Akte van Navigatie aan.
Deze wet bepaalde dat alle handel en vervoer op zee door de Engelse gedaan werden en kustvaart voor de Engelse kust voor buitelandse schepen verboden was.
Hiermee zou Nederland een gevoelige klap krijgen, alle handel was tenslotte in handen van de Nederlanders. Al snel werd er een delegatie naar Engeland gestuurd, de Raadspensionaris van Holland Jacob Cats was hoofd van deze delegatie. Pogingen om de Akte van Navigatie ingetrokken te krijgen lukte niet en Jacob Cats ging met lege handen naar huis en de relatie met Engeland bevind zich dan op een dieptepunt. Later wordt Raadspensionaris Jacob Cats opgevolgd door Adriaan Pauw (1585-1653).

Toen Cats eindelijk van het „lastig pak” ontslagen werd (1652) - hij liep toen tegen de tachtig - trok hij zich terug op Zorgvliet om daar een rustig en aangenaam leven te leiden: een goede tafel, de omgang met geestverwanten, vrome lectuur, het schrijven van nieuwe werken.

Het ligt voor de hand, dat deze geschriften van den ouden man, die in dit opzicht aansloot bij de piëtistische traditie, een sterk autobiographisch karakter vertonen (Ouderdom, Buytenleven en Hofgedachten, 1656; Tachtighjarigh leven, 1657, en Twee en tachtigh-jarigh leven 1659). Zij bezitten dezelfde dichterlijke waarde als de hiervoor genoemde: geen spoor van de grootheid der dichtkunst, van de adem der poëzie.

Toch is er iets sympathieks in dien om vele redenen niet bijzonder aantrekkelijken inpolderaar en raadspensionaris-van-de-koude-grond: dat is zijn religieus leven. Cats behoudt tot zijn oude dag een aantrekkelijke eenvoud in zijn godsdienstige houding: een simpele overgave aan God beheerst zijn leven; beter nog: hij bezit het vermogen onmiddellijk de voorvallen des levens met God in betrekking te brengen. Hij is, in dit opzicht, zelfs kinderlijk naïef: hoe vaak is hij in zijn leven niet ziek geweest; geen reizen, geen dokters, geen alchemisten die uitkomst brachten, een simpel gebed tot God, en de volgende dag was hij genezen.

Project-Laurens-Jz.-Coster


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 84.