kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 23-07-2008 voor het laatst bewerkt.

Johanna Naber

Nederlandse feministe en eerste geschiedschrijfster van de Nederlandse vrouwenbeweging, geboren te Haarlem op 25 maart 1859 en overleden te Den Haag op 30 mei 1941. Pseudoniem: Rechlindis.

Zij volgde de meisjes-HBS, de Rijksschool voor Kunstnijverheid en de eerste Kook- en Huishoudschool te Amsterdam. Van haar vader mocht zij geen universitaire studie volgen, zij werd historica door zelfstudie. Zij schreef onder andere een groot aantal biografieën van bekende vrouwen en publiceerde veel over de vrouwenbeweging. Ze was secretaris van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht en bekleedde tal van nationale en internationale functies binnen de vrouwenbeweging.

Biografie
Johanna Wilhelmina Antoinette Naber was de dochter van Samuel Adrianus Naber, hoogleraar klassieke talen en oudheid, en Anna Elizabeth l'Honoré.

Zij groeide op in een protestants milieu. Haar vader stond onder invloed van het Réveil en haar moeder stamde af van Hugenoten. Naber was als kind veel ziek. Door een lichamelijke handicap liep zij moeilijk en bleef zij klein van stuk.

Na haar diploma van de Hogere Burgerschool voor meisjes in 1876 mocht zij van haar ouders geen universitaire studie volgen, zelfs niet de colleges van Allard Pierson over Shakespeare. Gechaperonneerd door haar vader of broer woonde zij later wel lezingen bij.

Tussen 1877 en 1881 behaalde zij enkele akten waarvoor de studie kennelijk niet strijdig was met de toenmalige heersende normen van vrouwelijkheid: voor hulponderwijzeres met een aantekening Frans en Engels (1877 en 1878).
Vanaf 1885 bezocht ze de Rijksschool voor Kunstnijverheid in het Amsterdamse Rijksmuseum waar ze de akte 'Fraaie Handwerken' van de afdeling Kunstnaaldwerk van de Rijksschool voor Kunstnijverheid haalde. Ook had zij nog een akte van de eerste Kook- en Huishoudschool. Naber bleef huishoudelijke vakken steeds belangrijk vinden, zoals blijkt uit artikelen en activiteiten op dit terrein. Zo schreef zij een boek over Kunstnaaldwerk in 1887, organiseerde zij in 1903 een tentoonstelling over Oude Kant, had zitting in examencommissies bij handwerkexamens en was jaren regentes van de Amsterdamse Werk- en Leerschool voor meisjes.

Naber bleef ongehuwd en woonde bij haar ouders, die zij tot hun dood verzorgde. Johanna was geen aantrekkelijke vrouw: ze was erg klein en ze liep mank. Haar ontsnapping aan de 'loodzware verveling' als 'oude vrijster' die ze vreesde begon met een cursus kunstnaaldwerk, opgezet door jonkvrouw Jeltje de Bosch Kemper. In 1882 werd door toedoen van Jeltje de Bosch Kemper een afdeling kunstnaaldwerk geopend aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid, in Nederland iets nieuws. De Dagteeken- en Kunstambachtschool voor Meisjes in Amsterdam kwam onder haar voorzitterschap vanaf 1887 tot bloei. Bij het 25-jarig bestaan van Tesselschade hield zij haar leden voor: 'Het is geen schande meer iets te verdienen, het wordt een schande niets behoorlijks te kennen'. - (pseudoniem Rechlindis. Het bleek de enige inzending en deze werd in 1887 - Naber was toen bijna 28 - bekroond en uitgegeven en tot in 1911 herdrukt. Nadat dit eerste boek, dat ze opdroeg aan haar moeder, thuis was goedgekeurd en ook van de pers een gunstig onthaal had gekregen, zette ze zich, gesteund door haar vader, aan het schrijven van biografieën van vrouwen.

Hoewel er geen werken van haar hand bewaard zijn gebleven, had Johanna Naber grote invloed op de 'kunstnaaldbeweging' en daarmee de mogelijkheid voor vrouwen een rol te spelen in de kunstnijverheidsbeweging. Uit haar 'handwerkboek' bleek een grondige kennis van het werk van de toen invloedrijke Duitse architectuurtheoreticus Gottfried Semper die in zijn hoofdwerk 'Der Stil' (1860-1863) de textielkunst een van de oerkunsten noemde. Naber maakte hier, samen met vele andere initiatieven in Europa om borduurtechnieken te doen herleven, handig gebruik van bij haar streven om de discipline kunstnaaldwerk op te waarderen. Haar studie van de textiele kunsten zou mede de basis gaan vormen van de ideeën over het vlakornament die in de Nederlandse kunstnijverheid aan het begin van de eeuw zo belangrijk werden.

De ‘Algemeene Nederlandsche Vrouwenvereeniging’, die vergadert en werkt onder den zelfden beroemden naam als Jonkvr. De Bosch Kemper, heeft in hare ‘jaarlijksche algemeene vergadering’ van 1885 eene ‘prijsvraag’ uitgeschreven voor eene ‘handleiding bij het onderwijs in het Kunstnaaldwerk’. Mej. Joh. W.A. Naber genoot, met het boven opgegeven boek, de onderscheiding der bekrooning, en de beginselen, door haar, in den loop der verhandeling, ontwikkeld en toegepast, komen mij voor, de ware te zijn, al formuleert Mej. Naber de hoofdtrekken harer theorie, in de voorrede, met eenige beschroomdheid, en al krijgt men van haar boek wel eenigszins den indruk van omslachtigheid. Aan dit laatste bezwaar wil ik echter niet veel waarde gehecht zien, daar ik mij niet op ervaring kan beroepen - ervaring in het onderwijzen van het ‘Kunstnaaldwerk’ - om het bezwaar te staven. De uitvoerigheid-zelve is echter wel een hoedanigheid, die deze groote 200 bladzijden minder licht leesbaar maakt, voor wie niet zelf het meergenoemde Naaldwerk wil gaan vervaardigen. 't Is daarom ook wel mogelijk, dat er hier en daar plaatsen in het werk voorkomen, die niet volkomen passen in de ‘ware leer’. Ik vind bijv. op bl. 209, eene lofprijzing van het verschijnsel ‘symmetrie’, waaraan voorwaarden hadden moeten verbonden worden. Men had de levende eurhythmie tegen de mathematische symmetrie over moeten stellen. Wat op blz. 93-96 over heraldiek en kalligrafie gezegd wordt is veel te beknopt en te oppervlakkig om van eenig nut te kunnen wezen. Als men van deze belangrijke vakken onderwerpen voor het naaldwerk vraagt, dient men ze in hoofdtrekken althands te verklaren. De ‘73 figuren’ en ‘2 uitslaande platen’, die den text toelichten, versterken, voor het overige, mijne overtuiging, dat wij ook hier weder met een leerboek te doen hebben, dat maar bij uitzondering in de plaats zal kunnen treden van het mondeling en praktiesch onderricht. Die groote paginaas, met weinig alineaas, zien er meer afschrikkend uit, dan de kunst, bij goed mondeling onderricht, zoû blijken te zijn. Een uitvoerig alfabetiesch register had het gebruik van dit boek behooren te verlichten. Maar al deze aanmerkingen hebben geen schaduw te werpen op de hulde, die wij der schrijfster brengen voor haren belangrijken arbeid. - (kleur en religie kwamen aan huis, zoals A. Pierson, J. Alberdingk Thijm, Th. Jorissen en A.C. Wertheim. In aanwezigheid van de handwerkende dochters werden discussies gevoerd over uiteenlopende onderwerpen. In dit geestelijk klimaat schreef Naber, geheel op eigen kracht, een omvangrijk oeuvre dat uit ruim veertig boeken en meer dan 300 artikelen bestaat. Zij beschreef onder meer het leven van tientallen vrouwen, waaronder Aagje Deken, Elizabeth Fry, Florence Nightingale en Betje Wolff. In 1911 verscheen het tweedelige werk "Onze vorstinnen uit het Huis van Oranje-Nassau". - (1896 hielp zij mee met de voorbereidingen voor de 'Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid', die in 1898 in Den Haag plaatsvond ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Wilhelmina, die tegelijk een pleidooi was voor economische zelfstandigheid van vrouwen. Naber was redactrice en voornaamste verslaggeefster van het tentoonstellingsblad Vrouwenarbeid, dat drie maal per week verscheen. Haar werk en geestdrift werden zo gewaardeerd dat zij van het hoofdbestuur van de Nationale Tentoonstelling de door koningin Wilhelmina uitgeloofde gouden medaille toegekend kreeg, bepaald een compliment voor Naber omdat zij een vurig orangiste was.
Sindsdien was zij actief in de vrouwenbeweging. Van 1904 tot 1907 was ze bestuurslid van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht. In 1910 lobbyde ze met succes tegen een populair wetvoorstel van minister Th. Heemskerk, dat ontslag van vrouwelijke werknemers bij het huwelijk voorzag. Van 1917 tot 1922 was ze voorzitster van de Nationale Vrouwenraad van Nederland. Naber was lid van de Nederlandse Maatschappij voor Letterkunde. Ook had zij korte tijd zitting in de Amsterdamse gemeenteraad voor De Vrijheidsbond, van 1921 tot 1922.

In 1923 vond ze dat het feminisme haar doel had bereikt. Vrouwenkiesrecht en staatkundige gelijkstelling waren immers een feit. Haar memoires uit 1923 waren getiteld: ‘Na XXV jaren 1898-1923, het feminisme in zijnen bloei en in zijne voleinding.’ In 1937 concludeerde ze dat ‘voleinding’ wat te voorbarig was geweest.

In 1935 was Naber medeoprichtster van het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (IAV) en werd zij benoemd tot erelid van de Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap.

In 1938 komt er nog een laatste feministische stuiptrekking van haar kant. Als minister Romme in de crisis van de jaren dertig voorstelt om gehuwde vrouwen te verbieden om te werken, schrijft ze een laatste pamflet: ‘Wat dunkt u van den modernen jongen man?’. Daarin veronderstelt ze op ironische wijze dat de moderne man wel erg vernederd zal zijn, omdat hij beschermd moet worden voor de concurrentie van vrouwen.

Elizabeth Naber overleed in mei 1941 in Den Haag.

In 1989 werd de Johanna W.A. Naberprijs ingesteld. Dit om het onderzoek op het gebied van vrouwengeschiedenis te bevorderen.

Websites: www.iisg.nl, www.inghist.nl, www.iiav.nl, www.nrcboeken.nl, www.dbnl.nl, www.rosadoc.be


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 47.