kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 21-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Johannes Calvijn

Johannes Calvijn (Frans: Jean Cauvin, later via het Latijn veranderd in Jean Calvin) (Noyon, 10 juli 1509 — Genève, 27 mei 1564) was een belangrijke Franse christelijke theoloog tijdens de reformatie en is de naamgever van een protestants-christelijke stroming, het Calvinisme. Als reformator wordt Calvijn vaak in een adem genoemd met Maarten Luther, die zijn 95 stellingen poneerde in 1517 toen Calvijn 8 jaar oud was.

Jeugd en studietijd
Calvijn werd geboren als de zoon van Gérard Cauvin en Jeanne Lefranc en was de vierde van zes kinderen. Vooral zijn uit Cambrai/Kamerijk afkomstige moeder oefende een vrome invloed op Calvijn uit. Door de positie van Calvijns vader als bisschoppelijk ambtenaar, kon Calvijn huisonderwijs volgen met een groep adellijke jongens. Later volgde hij onderwijs aan het College der Capetten (een vooraanstaande jongensschool), waar hij een ijverige leerling bleek te zijn.

In 1523 werd Calvijn op 14-jarige leeftijd door zijn vader naar het Collège de la Marche in Parijs gestuurd, waar hij onderwijs volgde in Latijn en Frans bij onder andere Mathurin Cordier. Daarnaast bezocht Calvijn enige tijd het Collège Montaignu. Gérard Cauvin wilde aanvankelijk dat zijn zoon priester zou worden, maar toen dit door een conflict met het kapittel onmogelijk werd, liet hij Calvijn rechten en letteren studeren. Calvijn begon zijn studie in 1528 te Orléans en vervolgde zijn studie in 1529 in Bourges waarna hij in 1532 doctor in het recht werd in Orléans. Volgens de mode van die tijd ging Calvijn zich toen Iohannes Calvinus noemen. Deze gelatiniseerde vorm werd in het Frans Jean Calvin en in het Nederlands Johannes Calvijn.

Als humanist schreef hij in 1532 zijn eerste boek, een commentaar op Seneca's verhandeling: De clementia (Over de zachtmoedigheid, of de goedertierenheid). Calvijns boek was een hulde aan Erasmus van Rotterdam, die in 1529 een grote Seneca-uitgave had uitgegeven. Het boek van Calvijn had een meer humanistische dan Bijbelse inhoud.

Hervormingsgezind
Na het verschijnen van zijn eerste boek werd Calvijn gewonnen voor de reformatie. Dit bleek op 1 november (Allerheiligen) 1533 bij de rectorale rede van rector Nicolaas Cop (een vriend van Calvijn) van de Universiteit van Parijs, waarvoor Calvijn materiaal had aangebracht. In deze rede was te merken dat Cop en Calvijn positief stonden tegenover de beginselen van de reformatie. De rede ging over de tekst: Zalig zijn de armen van geest (Matteüs 5:3) en eindigde met de vraag: Is het recht dat wij meer de mensen zoeken te behagen dan God? Moeten wij hen vrezen, die het lichaam kunnen verderven, maar die geen macht hebben over de ziel? De rede bevatte geen bronvermelding, maar wel veel citaten van Erasmus en Luther. In een tijd van vijandschap tegen de hervormingsgezinden gaf de rede zo'n grote aanstoot, dat Cop en Calvijn uit Parijs moesten vluchten.

Tijdens zijn omzwervingen in Frankrijk ontmoette Calvijn Jacques Lefèvre d'Étaples. In Noyon deed Calvijn afstand van zijn kerkelijke inkomsten en later raadpleegde hij (onder de schuilnaam Charles d'Espeville) in Saintonge een uitgebreide bibliotheek, waar hij een basis vormde voor zijn Institutie. Calvijn ging in 1534 definitief tot de reformatie over toen hij in de grotten van St. Benoît-la-Forêt en Crotelles (nabij Poitiers) voor het eerst het avondmaal vierde. Hij vierde dit avondmaal met vluchtelingen.

Calvijn kwam in 1535 in Bazel terecht, waar hij voor het eerst de reformatoren Heinrich Bullinger en Guillaume Farel ontmoette. In 1536 kwam de eerste uitgave van zijn Institutio Religionis Christianae (Nederlands: Onderwijs in het christelijk geloof) uit. In dit boek, zijn magnum opus, vatte Calvijn zijn visie op het geheel van de christelijke leer samen. Gedurende de rest van zijn leven bleef Calvijn dit boek aanvullen en uitbreiden, zowel in het Frans als in het Latijn. De laatste uitgave verscheen in 1559, vijf jaar voor zijn overlijden.

Eerste Geneefse periode
In 1536 reisde Calvijn naar Genève vanwaar hij van plan was terug te keren naar Bazel. In deze stad, die op dat moment een zelfstandige staat was, was Guillaume Farel predikant. Toen Farel zijn hulp inriep bij het hervormen van de kerk besloot Calvijn echter in Genève te blijven. Calvijn schreef hierover dat hij dit verzoek ervoer als een roeping van God. In 1537 is Calvijn zelf ook predikant in Genève. Ze wilden dat de Bijbel ook het leven van de burgers zou bestempelen. Toen dat bekend werd kregen ze een conflict met de libertijnse gezindheid van de burgers. Samen met Farel probeerde hij ook een aantal wijzigingen door te voeren in het openbaar bestuur van de stad en in het religieuze leven. Om deze reden stelden ze een catechismus en een geloofsbelijdenis op. Calvijn en Farel eisten vervolgens dat alle inwoners van Genève deze onderschreven. Het bestuur in Genève weigerde in te gaan op Farels en Calvijns eisen en ontnam hen in 1538 het recht mensen te excommuniceren. Omdat beide dit recht als essentieel ervoeren voor hun werk reageerden zij hierop door het avondmaal te onthouden aan alle inwoners van Genève tijdens de paasdienst. Als reactie hierop werd Calvijn verbannen uit Genève.

Straatsburg
Na zijn verbanning uit Genève trok Calvijn naar Straatsburg, waar hij, dankzij zijn vriend Martin Bucer, predikant van de Franse vluchtelingengemeente werd. In de jaren die volgden oefende Bucer een grote invloed uit op Calvijn.

Calvijn was vastbesloten te trouwen omdat hij wilde laten zien dat het huwelijk bij hem in hoger aanzien stond dan het kerkelijke celibaat. Hij vroeg zijn vrienden om hem te helpen een vrouw te vinden die bescheiden, toegeeflijk, niet arrogant, niet extravagant, geduldig en bevordelijk voor zijn gezondheid was. In 1539 trouwde Calvijn met Idelette de Bure, weduwe van de bekeerde anabaptist Jean Stordeur. Idelette had een zoon en dochter uit het eerdere huwelijk, van wie enkel de dochter later mee zou gaan naar Genève. In 1542 kregen Calvijn en Idelette een zoon, die echter al na twee weken overleed. Idelette Calvijn overleed in 1549. Calvijn zou later over haar zeggen dat zij een helper was in zijn ambt, nooit in zijn weg stond, hem nooit lastig viel over haar kinderen en dat zij een grootse persoonlijkheid was.

In 1539 komt er eeen psalmboek van Calvijn uit met 18 psalmen, waarvan 5 door hem berijmd, met de Geloofsbelijdenis, de Lofzang van Simeon en de Tien geboden. In 1540 komen er formulieren voor de kerkdiensten en een formulier voor de bediening van de Heilige Doop. Ook komt er in deze tijd het Bijbelcommentaar uit, het is een uitleg van de brief aan de Romeinen.

Tijdens zijn ballingschap volgde Calvijn de ontwikkelingen in Genève op de voet. Toen Jacopo Sadoleto, een rooms-katholieke kardinaal, een brief schreef het bestuur van Genève om haar uit te nodigen om weer terug te keren naar de moederkerk keerde het tij voor Calvijn. Zijn inzet voor de protestantse gemeenschap in Genève hielp hem het verloren respect in de stad weer terug te winnen. Toen een aantal aanhangers van Calvijn in de gemeenteraad gekozen waren werd Calvijn in 1540 weer uitgenodigd terug te keren naar Genève. Nadat hij een brief kreeg van Farel was hij ervan overtuigd dat hij weer terug moest keren. Na onderhandelingen over de voorwaarden keerde hij in 1541 terug.

Tweede Geneefse periode

Gravure naar een olieverfschilderij uit de Universiteitsbibliotheek van Genève.Tijdens de verhuizing van Straatsburg naar Genève krijgt hij heel veel medewerking van de raad van de stad. Alles werd door hen betaald. In 1541 werd Calvijn opnieuw predikant in Genève. Gedurende de periode die volgde zette Calvijn de kerk van Genève op poten. Hij kreeg daarbij veel hulp van zijn collega Pierre Viret. Gelijk na zijn terugkomst begon hij aan een nieuwe kerkorde. Onder Calvijns leiding werd Genève een voorbeeld voor andere reformatorisch gezinde gebieden. Ook in deze tweede Geneefse periode had Calvijn te maken met grote interne spanningen; het grootste deel van zijn medepredikanten was (net als Calvijn) afkomstig uit Frankrijk. Het feit dat Genève in deze jaren overspoeld werd door Franse vluchtelingen, veroorzaakte onrust onder de autochtone bevolking. Ook veel mensen buiten Frankrijk wendden zich tot Calvijn als zij vragen hadden.

Na zijn terugkeer in Genève begon Calvijn zijn hernieuwde autoriteit aan te wenden om de kerk te institutionaliseren. Op dit vlak werd hij sterk beïnvloed door Bucer. Calvijn stelde vier op het Nieuwe Testament gebaseerde ambten in binnen de kerk:
. Doctoren belast met het onderwijzen van theologie en nieuwe predikanten opleiden,
. Predikanten belast met het preken, sacramenten toedienen en de mensen onderwijzen en terechtwijzen,
. Ouderlingen belast met het handhaven van de kerkelijke tucht,
. Diakenen belast met de armenzorg.

In 1559 stichtte Calvijn in Genève een academie om predikanten op te leiden. Zijn vriend en latere opvolger Theodorus Beza werd de eerste rector. Jonge mannen kwamen uit heel Europa om aan Calvijns academie te studeren, waarna zij naar hun thuisland terugkeerden om te prediken. Zo hebben bijvoorbeeld John Knox, Filips van Marnix van St. Aldegonde en Caspar Olevianus Calvijns leer over grote delen van Europa verspreid.

In 1562 verscheen een psalmbundel (bekend als de Geneefse psalmen), geschikt om gezongen te worden tijdens de dienst. Calvijn was in Straatsburg zelf aan het berijmen gegaan. Eenmaal terug in Genève droeg hij dit werk over aan Clément Marot en Beza, terwijl hij Guillaume Franc, Claude Goudimel, Louis Bourgeois en Maitre Pierre verzocht de muziek te componeren. Calvijns ijver in het maken van een psalmbundel kwam voort uit zijn wens om, ook voor het kerklied, alleen van de Bijbel uit te gaan.

Calvijn bleef tot aan zijn dood in 1564 in Genève.

Calvijns theologie
Calvijn was een verklaard aanhanger van de vijf sola's van de reformatie. Hieruit voortvloeiend was een kernpunt in de theologie van Calvijn zijn opvatting over de menselijke rechtvaardigheid ten opzichte van God. Vanuit deze opvatting vloeide ook zijn mening voort over hoe God om gaat met de mens, de leer van de uitverkiezing of predestinatie. Volgens Calvijn is de mens slechts rechtvaardig voor God door het verzoenende werk van Jezus Christus en kan de mens zelf daar niets aan toe- of afdoen. Omdat in deze visie de mens niet bij machte is zich te rechtvaardigen voor God meende Calvijn dat God reeds van te voren heeft bepaald wie deze goddelijke rechtvaardiging ten deel zou vallen en wie niet, de uitverkiezingsleer.

Calvijn ontkende hiermee, net als mede-reformator Luther en —volgens de protestantse hermeneutiek— kerkvader Augustinus, de mogelijkheid dat zogenoemde goede werken bij zouden kunnen dragen tot verzoening met God. Over de goede werken schreef hij onder andere: Nooit was er enig werk van een godsvruchtig mens, dat niet voor het rechtvaardig oordeel Gods zijn verdoemelijkheid bewees. Bij zijn mening inzake uitverkiezing, beriep hij zich, wederom evenals Luther en Augustinus, op bepaalde Bijbelse teksten, met name de brieven van de apostel Paulus (bijvoorbeeld de Brief aan de Romeinen, hoofdstuk 9). Zijn predestinatieleer is hoofdzakelijk gebaseerd op de gedachte dat God zo groots is en de mens zo nietig in vergelijking met God, dat de mens nooit in staat zal zijn daar iets aan toe of af te doen. Naar Calvijns inzicht strekt de gedachte dat Gods voorzienigheid alles regeert, de gelovige tot troost. De mens, zo stelde hij, wordt niet geregeerd door het lot, maar door de goede God.

Opgemerkt moet worden dat Calvijn en zijn aanhangers niet dachten dat de predestinatie gevolgen had voor het handelen van de mens, het was niet de bedoeling dat men leefde alsof er geen gevolgen te vrezen waren. De mens bleef dus uiteindelijk wel verantwoordelijk voor zijn eigen daden.

De door Calvijn gesystematiseerde leer van de rechtvaardiging door alleen het geloof en de leer van de uitverkiezing is de hoeksteen geworden van de naar hem genoemde calvinistische of gereformeerde theologie. In diverse belijdenisgeschriften van allerlei kerken van deze richting is deze leer daarom terug te vinden en vormt zij de basis daarvan (bijvoorbeeld de Drie Formulieren van Enigheid). Wel is in de loop der eeuwen de uitverkiezingsleer in grote delen van deze kerkelijke richting afgezwakt of zelfs (min of meer) afgeschreven, maar in bepaalde orthodox-gereformeerde kerken hangt men (in bepaalde mate) deze leer nog steeds aan.

De executie van Michael Servet
Een negatieve periode in het leven van Calvijn brak aan in het conflict dat hij had met de Spaanse arts en theoloog Michael Servet. Servet was een eminent geleerde die vanwege zijn anti-trinitarische denkbeelden vervolgd werd door zowel de rooms-katholieke kerk als door de reformatoren. In 1553 publiceerde Servet anoniem het boek Restitutio Christianismi (Nederlands: Herstel van het christendom). Daarin bekritiseerde hij Calvijn en diens Institutie. Servet wilde niets weten van drie personen binnen de Godheid, maar sprak van drie krachten. Al op 3 februari in 1546 schreef Calvijn aan Guillaume Farel dat hij het voornemen had Servet om te laten brengen zodra hij daar de gelegenheid voor zou hebben. ("Si venerit, modo valeat mea autoritas, vivum exire nunquam patiar) (Wanneer hij hier komt, als mijn gezag ook maar iets waard is, zal ik niet toestaan dat hij levend vertrekt.)")

Op zondag 13 augustus 1553 woonde Servet in Genève een dienst in de Madeleinekerk bij die door Calvijn werd geleid. Daar werd Servet herkend. Calvijn gaf hem aan bij het stadsbestuur en drong er op aan Servet te laten arresteren. Het kwam tot een rechtszaak bij de Raad van Genève, een wereldlijke rechtbank. Daarbij dolf Servet het onderspit en werd, met goedkeuring van Calvijn en andere reformatoren (waaronder Farel, Beza, Pietro Vermigli en Philipp Melanchthon), tot ketter verklaard en vervolgens veroordeeld tot de brandstapel. Calvijn stelde voor deze doodstraf door de brandstapel om te zetten in de doodstraf door het zwaard, hetgeen echter niet gebeurd is. Calvijn heeft Servet nog meerdere malen opgezocht in de gevangenis waar hij wachtte op zijn executie. Servet werd op 27 oktober 1553 op de brandstapel levend verbrand.

Naar aanleiding van de executie van Servet ontbrandde een hevige polemiek over tolerantie en over de rol van de overheid in religieuze aangelegenheden. Van kritiek op zijn heftige optreden in godsdienstige polemieken moest Calvijn niets weten; hij zag zichzelf als degene die door God geroepen was om de waarheid te verkondigen en hij was ervan overtuigd dat het zijn plicht was om net als eens de oudtestamentische profeten dat hadden gedaan, deze waarheid te verdedigen. De terechtstelling van Michael Servet was het begin van een hevige polemiek tussen Calvijn en de (reformatorische) geleerde humanist Sebastian Castellio.

Het Consistorie
Na zijn terugkeer in Genève in 1541 stelde Calvijn een Consistorie in om te waken over de morele toestand van de stad. Het Consistorie was een kerkelijke rechtbank van ouderlingen en predikanten, die belast was met het handhaven van de orde in de kerkelijke organisatie en in de gemeente. Strafbare feiten varieerden van het verkondigen van valse doctrine tot moreel onwenselijk gedrag. Typische straffen konden zijn het verplicht bijwonen van openbare diensten, catechetisch onderwijs, zweepslagen en marteling.

In de 16e eeuw werd protestanten regelmatig door de katholieke kerk ten laste gelegd dat zij de doctrine veranderden en dat zulke veranderingen alleen konden leiden tot moreel verval met als uiterste gevolgtrekking het uiteenvallen van de samenleving zelf. Met zijn Consistorie wilde Calvijn naar eigen zeggen de morele legitimatie leveren van de naar zijn inzicht hervormde kerk. Daarnaast claimde hij de gezondheid van het individu, families en gemeenschappen te willen bevorderen.

Calvijn rechtvaardigde het Consistorie en haar werkwijze in zijn Institutie door te stellen dat Christus stelde dat zijn dienaren zich op aarde dienden te gedragen zoals in de hemel. Het was de taak van de kerk om hiervoor zorg te dragen. Wanneer het Consistorie een straf oplegde deed zij dit niet om de persoon in kwestie te straffen maar om hem te redden van de eeuwige ondergang. In dit licht zag Calvijn excommunicatie ook niet als een straf die tot eeuwige verdoemenis leidde maar als een waarschuwing aan de geëxcommuniceerde dat de eeuwige verdoemenis wacht wanneer hij geen berouw toont voor zijn daden.

Het Consistorie leidde er toe dat Genève een (ogenschijnlijk) perfect voorbeeld was van een christelijke stad. De Schotse hervormer John Knox beschreef Genève als: de meest perfecte school van Christus die ooit op aarde heeft bestaan sinds de tijd van de Apostelen.

Critici van Calvijn zien het Consistorie echter vaak als een embleem van zijn theocratische bewind.

Hekserij
Calvijn vond net als andere reformatoren en katholieken in Centraal-Europa dat hekserij niet toegestaan kon worden. Deze opvatting was gebaseerd op hun interpretatie van Bijbelpassages zoals Exodus 22:17 en Leviticus 20:27. Calvijn noemde deze passages ook in zijn studie van de het eerste gebod, dat hij interpreteerde als een algemene veroordeling van het praktiseren van ieder ander geloof dan het christelijk geloof. Over hekserij in het bijzonder stelde hij: God zou alle vogelwichelaars, goochelaars, raadplegers van beschermgeesten, Dodenbezweerders, aanhangers van magie en tovenaars veroordelen tot de doodstraf. En [...] God bepaalt dat Hij 'Zijn gezicht tegen eenieder zal richten, die personen volgen die beschermgeesten hebben of toveren' zodat zij afgesneden zullen worden van Zijn volk, dan beveelt Hij dat zij gestenigd zullen worden.

In navolging van deze interpretatie van de oudtestamentische wet zijn in 1545 meer dan 20 mensen ter dood gebracht door de brandstapel voor poging tot het verspreiden van de pest en hekserij.

Antisemitisme
Betreffende het volk van God zag Calvijn een eenheid vanaf het paradijs. Hij duidde het volk van God in het Oude Testament (de Joden, of het Volk Israël) dan ook aan als ecclesia, ofwel kerk. Deze kerk betrof echter niet het hele Joodse volk maar enkel het kleine aantal dat na de komst van Christus zich ook daadwerkelijk tot het christendom had bekeerd, alsmede de nieuwe uitverkorenen: de heidenen die Christus volgden. De bijzondere rol van Israël in de heilsgeschiedenis was dan ook, wat Calvijn betreft, uitgespeeld.

Het feit dat Paulus in zijn brief aan de Romeinen duidelijk sprak van een bijzondere positie van Israël in Gods plan (Rom. 9-11) deed Calvijn af als diplomatiek taalgebruik: Deze plaats echter behandelt hij zo dat hij zich onthoudt van iedere bitterheid ten opzichte van de Joden opdat hij hun gemoederen niet zou in opstand brengen; hij geeft hun echter geen haarbreed toe als het zou gaan ten koste van het Evangelie. Het was nog niet opportuun om de ondergang van het joodse volk openlijk tot uitdrukking te brengen.

Over het algemeen had Calvijn weinig goeds te zeggen over de Joden. In zijn institutie werden de Joden door Calvijn zelfs de allerheftigste vijanden van Christus zelf genoemd.

Er moet worden opgemerkt dat Calvijns anti-joodse opvattingen niet gebaseerd waren op rassenhaat, of een specifieke haat tegen de Joden an sich, maar enkel op zijn theologische opvattingen en interpretatie van de Bijbel.

Calvijns geschriften
Gedurende zijn leven heeft Calvijn een grote hoeveelheid geschriften gepubliceerd. Door middel van zijn publicaties oefende Calvijn internationaal grote invloed uit en was hij een voorbeeld voor reformatoren in andere landen. De geschriften van Calvijn kunnen in vier categorieën worden ingedeeld:
. Catechetische geschriften - Met zijn catechetische geschriften wilde Calvijn de christelijke leer voor een breed publiek toegankelijk maken. Zijn beroemdste catechetische werk is zijn Institutie.
. Dogmatische geschriften - De Institutie van Calvijn groeide gedurende zijn leven van een catechetische handleiding uit tot een omvangrijke dogmatiek. Centraal in zijn dogmatische geschriften staan zaken als de predestinatieleer en de nietigheid van de mens tegenover de grootsheid van God.
. Commentaren - Calvijn heeft bij een groot aantal Bijbelboeken commentaren geschreven. Calvijn streefde er in zijn commentaren altijd naar om zo dicht mogelijk bij de originele tekst te blijven. Calvijns commentaren beperken zich dan ook tot commentaar op de betreffende teksten, dogmatische inzichten en dergelijke bewaarde hij voor de Institutie.
. Polemische geschriften - Calvijn had een diepe afkeer van de opvattingen van dopers, rooms-katholieken, libertijnen, mensen die geen duidelijke keus maakten tussen een protestantse en de rooms-katholieke kerk, antitrinitariërs en andere groepen die zich niet conformeerden aan de reformatie. Middels zijn polemieke geschriften trachtte Calvijn hun opvattingen te weerleggen. Zijn polemiek met de antitrinitariërs leidde uiteindelijk tot de terechtstelling van Michael Servet. Calvijn stond niet open voor kritiek op zijn heftige godsdienstige polemieken, hij zag zichzelf als degene die door God geroepen was om de waarheid te verkondigen en, in de traditie van de oudtestamentische profeten, te verdedigen. De kerkhistoricus Karl Heussi typeerde Calvijn later als "een heldere geest, van diepe vroomheid, maar bekrompener en betweteriger dan Luther." en "Hij was een mensenleeftijd jonger dan Luther en in het bijzonder afhankelijk van Luther, maar ook van Philipp Melanchthon, Zwingli en Martin Bucer. Het ontbrak Calvijn aan de religieuze diepgang van Luther maar hij overtrof hem met zijn buitengewoon sterk ontwikkelde wilskracht. Scherpzinnig en onverschrokken ging hij de uiterste consequenties van theologische problemen na. Met onbuigzame wil vormde hij het leven van de mensen naar zijn ideeën en creëerde hij die vorm van protestantisme waarin de tegenstelling met de katholieke kerk het sterkst tot uitdrukking kwam."


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Johannes_Calvijn
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1875.