kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 02 12 2016 10:41 voor het laatst bewerkt.

kapitalisme

Kapitalisme is een politiek-economisch staatssysteem sterk gerelateerd aan de liberale staatsfilosofie, die uitgaat van de individuele (politieke en economische) vrijheid, het eigendomsrecht en vrije marktwerking.

Het kapitalisme wordt onder andere gekenmerkt door privaat eigendom van de productiemiddelen (zoals: bedrijven, machines, grond, gebouwen, grondstoffen en arbeid). De klasse (industriëlen/kapitalisten/aandeelhouders) die deze middelen in eigendom heeft mag ook de vrucht van deze middelen -de zo hoog mogelijke winst- zijn eigendom noemen en daarover economische beslissingen nemen: investeren in de verwachting in de toekomst opnieuw winst te maken. Afstemming van de beslissingen gebeurt via het marktmechanisme. De arbeiders zijn in dit systeem genoodzaakt hun arbeid te ruilen voor een onderhoudsloon. De overheid bepaalt slechts op de achtergrond de grote lijnen waarbinnen dit moet gebeuren. 

Het kapitalisme is op dit moment het heersende economische systeem in vrijwel alle landen ter wereld en vormt steeds sterker een mondiale markt.

Waardering
Over de vraag in hoeverre de vrije markt van het kapitalisme– als maatgevend moet worden beschouwd voor de verdeling van economische macht wordt verschillend gedacht.

Onder de voorstanders van het systeem vindt men van oudsher de liberalen, met voorop klassieke economen waaronder Adam Smith (1723-1790). Deze meende dat een kapitalistisch systeem met een zo vrij mogelijke markt de grootste individuele vrijheid zou opleveren.

De politieke filosofie van het libertarisme ziet het kapitalisme als haar ideaal en definieert het kapitalisme als een vorm van vrijheid: de vrije markt. Deze vrije markt is volgens deze visie een systeem waarin alle relaties tussen mensen (zoals die tussen werkgever en werknemer) vrijwillig zijn. Kapitalisme bevordert daarmee het ideaal van menselijke vrijheid.

De gedachte dat het kapitalisme bittere armoede genereert bij arbeiders wordt bestreden door de stelling dat het kapitalisme en de industriële revolutie reeds vanaf het begin voor grotere welvaart zorgden. Aan de andere kant zijn er ook tal van auteurs die betogen dat het kapitalisme wereldwijd juist tot grote ongelijkheid heeft geleid en dat de kapitalistische noodzaak tot "groei" het welzijn en misschien zelfs het voortbestaan van alle levende wezens op aarde op het spel zet.

Geschiedenis
Het kapitalisme vindt haar oorsprong in het vroegmoderne West-Europa, waar het ontstond na de ineenstorting van het feodale systeem in de late middeleeuwen. Het vroege kapitalisme dat ontstond wordt mercantilisme genoemd.

In de feodale maatschappij van de middeleeuwen hadden de horigen hun eigen land en bezaten wat daarop voortgebracht werd. Maar in ruil voor dit grondbezit moesten ze een aantal dagen per jaar op het land van de feodale heer werken. Hun tijd was verdeeld: misschien de helft van de tijd werkten ze voor de heer, de helft van de tijd voor zich zelf. Als ze weigerden voor de heer te werken mocht hij ze straffen (door middel van zweepslagen, gevangenschap of erger).

Toch was al een ontwikkeling op gang gekomen die uiteindelijk dit hele maatschappelijk systeem zou uitdagen. Groepen ambachtslieden en handelaren kregen vaste voet aan de grond in steden. Ze verleenden geen onbetaalde diensten aan de heren, zoals de rest van de bevolking. Ze ruilden hun producten met diverse heren en horigen voor voedingsmiddelen. Ze gebruikten steeds vaker edelmetalen als maatstaf voor de ruil. Het was niet zo’n grote stap om elke ruil te zien als een mogelijkheid om wat méér van het edelmetaal te krijgen, om winst te maken.

Aanvankelijk konden de steden alleen overleven door de ene heer tegen de andere uit te spelen. Maar naarmate de vaardigheden van hun ambachtslieden toenamen konden ze meer rijkdom scheppen en groeide hun invloed. De ‘burgers’, de ‘bourgeois’ of ‘middenklassen’ ontstonden als een klasse binnen de feodale maatschappij van de Middeleeuwen. Maar ze verkregen hun rijkdommen op een heel andere manier dan de feodale heren die in die maatschappij de dienst uitmaakten.

Een feodale heer leefde rechtstreeks van de landbouwproducten die zijn horigen moesten verbouwen op zijn land. Hij gebruikte zijn persoonlijke macht om ze hiertoe te dwingen, zonder ze te betalen. In tegenstelling hiermee leefden de rijkere klassen in de steden van wat de verkoop van niet-agrarische producten opbracht Om die goederen te produceren betaalden ze arbeiders dagelijks of wekelijks een loon uit. Deze arbeiders, vaak ontsnapte lijfeigenen, waren ‘vrij’ om te gaan en te staan waar ze wilden - nadat ze het werk gedaan hadden waarvoor ze werden betaald. Het ‘enige’ wat ze dwong om te werken was dat ze van honger om zouden komen als ze niet bij iemand werk konden vinden. De burger kon rijker worden wanneer de ‘vrije’ arbeider minder geld accepteerde voor zijn werk dan de goederen die hij maakte waard waren.

De ‘burgers’ van de middenklasse en de feodale heren verkregen hun rijkdom op heel verschillende wijzen. Daarom wilden ze de maatschappij ook op verschillende manieren inrichten. Het ideaal van de feodale heer was een maatschappij waarin hij de absolute macht in zijn eigen landerijen had, zonder dat hij aan geschreven wetten gebonden was, zonder indringers van buitenaf, zonder dat zijn horigen konden vluchten. Hij wilde dat de gang van zaken zo bleef als in de dagen van zijn vader en grootvader. Iedereen moest de sociale positie accepteren waarin men geboren was.

De net rijk geworden bourgeois keken noodzakelijk anders tegen de zaken aan. Ze wilden dat de macht van individuele heren of koningen om zich met hun handel te bemoeien of hun rijkdom te stelen beperkt werd. Ze droomden ervan dit te bereiken door middel van een geheel van geschreven wetten. Die moesten gemaakt en gehandhaafd worden door hun eigen gekozen vertegenwoordigers. Zij wilden de armere klassen van horigheid bevrijden zodat die in de steden konden werken (en de winsten van de burgers konden vergroten). Wat henzelf betrof: hun vaders en grootvaders hadden vaak zelf onder de duim van feodale heren gezeten, en ze wilden niet dat dit zo bleef. In één woord: ze wilden een omwenteling van de maatschappij teweegbrengen. Hun botsing met de oude orde was niet slechts economisch, maar ook ideologisch en politiek.

‘Ideologisch’ betekende in een ongeletterde maatschappij waar de belangrijkste bron van algemene ideeën over de maatschappij de prediking in de kerk was, bijna uitsluitend ‘religieus’. Daar de middeleeuwse kerk geleid werd door bisschoppen en abten die zelf feodale heren waren, verspreidde zij pro-feodale ideeën en viel ze veel van de praktijken van de stedelijke burgerij als ‘zondig’ aan. Dus schaarden de middenklassen in Duitsland, Nederland, Groot-Brittannië en Frankrijk zich in de 16e en 17e eeuw achter een eigen religie, het protestantisme. Dat was een religieuze ideologie die spaarzaamheid, soberheid, hard werken (vooral voor de arbeiders!) en de onafhankelijkheid van gelovigen ten opzichte van de macht van bisschoppen en abten verkondigde. De middenklasse schiep een God naar haar eigen beeld, tegenover de God van de Middeleeuwen.
Vandaag de dag wordt ons op school of televisie verteld over de grote godsdienst- en burgeroorlogen van die periode, alsof ze alleen over godsdienstige geschillen gingen. Alsof mensen maf genoeg waren om te vechten en te sterven omdat ze het oneens waren over de rol van het bloed en het lichaam van Christus in de Heilige Communie. Maar er stond veel meer op het spel: de botsing tussen twee volledig verschillende maatschappijvormen, gebaseerd op twee verschillende manieren om de productie van rijkdom te organiseren.
In Groot-Brittannië won de bourgeoisie die hun verkregen macht heiligden door het hoofd van een koning af te hakken en dat te rechtvaardigen met de uitspraken van profeten uit het Oude Testament. Ook in de Nederlanden won de burgerij, in de strijd die bekend staat als de Tachtigjarige Oorlog maar in feite een burgerlijke revolutie was.
Elders ging de eerste ronde naar het feodalisme. In Frankrijk en Duitsland werden de burgerlijke revolutionairen weggevaagd na bittere burgeroorlogen (hoewel een feodale versie van het protestantisme overleefde als de religie van Noord-Duitsland). De bourgeoisie moest twee eeuwen wachten voor ze succes boekte in de tweede, niet in religie gehulde ronde die begon in 1789 in Parijs.

Driehonderd jaar geleden leefde de overgrote meerderheid van de bevolking op het land en produceerde zijn voedsel met technieken die in eeuwen niet veranderd waren. Hun mentale horizon was begrensd door het dorp en hun ideeën door de plaatselijke kerk. Voor de grote meerderheid was het niet nodig om te lezen en te schrijven en die leerde dat dan ook niet.
Toen, twee eeuwen geleden, begon de industrie zich te ontwikkelen. Tienduizenden mensen werden de fabrieken in getrokken. Hun levens ondergingen een complete verandering. Nu leefden ze in grote steden, niet in kleine dorpen. Ze moesten nu vaardigheden leren waar hun voorouders nooit van gedroomd hadden, ze moesten uiteindelijk ook leren lezen en schrijven. Spoorwegen en stoomschepen maakten het mogelijk de halve wereld rond te reizen. De oude ideeën die er door de priesters ingehamerd waren, pasten helemaal niet meer. De materiële revolutie in de productie was ook een omwenteling in de manier waarop ze leefden en van de ideeën die ze hadden.

In de slavenmaatschappij en de feodale maatschappij moesten de hogere klassen wettelijke controle over de massa van de werkende bevolking hebben. Anders zouden degenen die voor de slavenhouder of de feodale heer werkten weglopen en dan zat de bevoorrechte klasse zonder mensen die voor haar werkten. Maar de kapitalist heeft doorgaans niet zo’n wettelijke beheersing over de persoon van de arbeider nodig. Hij hoeft hem of haar niet te bezitten zolang hij er maar voor zorgt dat de arbeider die weigert voor de kapitalist te werken van honger omkomt. Zonder dat hij de arbeider zelf bezit kan het de kapitalist goed gaan zolang hij de bron van levensonderhoud van de arbeider bezit en beheerst: de machines en fabrieken.

De materiële benodigdheden om te leven worden gemaakt door de arbeid van menselijke wezens. Maar die arbeid is zo goed als nutteloos zonder gereedschap om het land te bewerken en natuurlijke materialen te verwerken. De werktuigen kunnen heel erg verschillen, van eenvoudige landbouwwerktuigen zoals ploegen en schoffels tot aan de ingewikkelde machines die je in moderne fabrieken aantreft. Maar zonder werktuigen is zelfs de meest geschoolde arbeider niet in staat de dingen te maken die nodig zijn om fysiek te overleven. Het is de ontwikkeling van deze werktuigen - doorgaans aangeduid als ‘productiemiddelen’ - die de moderne mens onderscheidt van haar verre voorouders uit de Steentijd. Het kapitalisme is gebaseerd op privaat eigendom van deze productiemiddelen. De massa van de bevolking kan slechts in hun levensonderhoud voorzien als de kapitalisten hen toestaan met en aan die productiemiddelen te werken. Dit geeft de kapitalisten enorme macht om de arbeid van anderen uit te buiten, ondanks het feit dat voor de wet ‘iedereen gelijk’ is.

De kapitalisten hadden er enkele eeuwen voor nodig om hun volledige controle over de productiemiddelen op te bouwen. In Groot-Brittannië moesten de parlementen van de 17e en 18e eeuw eerst een reeks van wetten aannemen, de zogenaamde ‘enclosure acts’ (landwetten): hierdoor werden de boeren verdreven van hun eigen productiemiddelen, het land dat ze eeuwenlang hadden bewerkt. Dit land werd eigendom van een deel van de kapitalistenklasse, en de massa van de plattelandsbevolking was gedwongen om hun arbeidskracht aan kapitalisten te verkopen of te creperen.

Toen het kapitalisme eenmaal dit monopolie over de productiemiddelen had verkregen, kon het zich permitteren om de massa van de bevolking ogenschijnlijke vrijheid en gelijkheid van politieke rechten met de kapitalisten toe te staan. Want hoe ‘vrij’ de arbeiders ook waren, ze moesten nog steeds werken voor de kost.

Pro-kapitalistische economen hebben een eenvoudige verklaring voor wat er dan gebeurt. Ze zeggen dat de kapitalist, door een loon te betalen, de arbeid van de arbeider koopt. Hij moet een eerlijke prijs ervoor betalen. Anders zal de arbeider opstappen en voor een ander gaan werken. De kapitalist geeft een redelijk loon. In ruil daarvoor moet de arbeider een redelijke werkdag leveren. Hoe verklaren pro-kapitalistische economen dan de winst? Dit is, zo beweren ze, een ‘beloning’ voor de kapitalist voor zijn ‘opoffering’, die er zuiver en alleen uit bestaat dat hij toestaat dat de productiemiddelen (zijn kapitaal) in gebruik genomen wordt.

Het is een redenering die geen arbeider die er een moment over nadenkt kan overtuigen. Neem een bedrijf dat een ‘nettowinst’ van 10 procent bekendmaakt. Dat wil zeggen dat als de kosten van alle machines, fabrieken en kantoren die ze bezitten fl. 100 miljoen is, ze fl. 10 miljoen winst overhouden nadat de lonen, kosten van grondstoffen en vervanging van machines die in een jaar verslijten zijn betaald. Je hoeft geen genie te zijn om te zien dat het bedrijf in tien jaar een winst van fl. 100 miljoen zal hebben gemaakt - de volledige kosten van hun oorspronkelijke investering. Als het ‘opoffering’ is die beloond wordt dan moeten na tien jaar alle winsten toch zeker ophouden? Want tegen die tijd zijn de kapitalisten volledig terugbetaald voor het geld dat ze in eerste instantie ingebracht hebben. In werkelijkheid echter is de kapitalist twee keer zo rijk als daarvoor. Hij bezit de oorspronkelijke investering en de opeengehoopte winst.
De arbeiders hebben ondertussen het grootste deel van hun levenskracht opgeofferd door acht uur per dag, 48 weken in het jaar, in de fabriek te werken. De ‘redelijke werkdag voor een redelijk loon’ heeft het kapitaal van de kapitalist verveelvoudigd. Ondertussen heeft de arbeider nog altijd geen kapitaal en geen keus, behalve doorgaan met werken voor ongeveer hetzelfde loon. De ‘gelijke rechten’ van de kapitalist en de arbeider hebben de ongelijkheid vergroot.

Er is geen mechanisme dat de kapitalist dwingt om zijn arbeiders de volle waarde van het werk dat ze doen te betalen. Een arbeider die in de metaalindustrie werkt produceert misschien goederen ter waarde van fl. 2500 in een week. Maar dat betekent niet dat hij of zij dit bedrag betaald krijgt. In 99 van de 100 gevallen zullen ze aanzienlijk minder betaald worden. Het alternatief dat ze hebben is honger lijden. Dus vragen ze niet de volledige waarde van wat ze maken, maar eerder nèt genoeg om ze een min of meer aanvaardbaar levenspeil te geven. De arbeider wordt slechts genoeg betaald om al zijn inspanningen, al zijn vermogen om te werken ter beschikking van de kapitalist te stellen.

Vanuit het oogpunt van de kapitalist worden de arbeiders redelijk voor hun arbeidskracht betaald als ze genoeg krijgen om ze in conditie te houden voor hun werk en om hun kinderen, en daarmee een nieuwe generatie arbeiders, groot te brengen. Maar de hoeveelheid rijkdom die nodig is om arbeiders in goede conditie te houden om te werken, is aanzienlijk kleiner dan de hoeveelheid rijkdom die ze tijdens hun werk produceren. De waarde van hun arbeidskracht is aanzienlijk lager dan de waarde die door die arbeidskracht wordt voortgebracht. Het verschil - de meerwaarde- verdwijnt in dé zak van de kapitalist.

Het idee dat arbeid de bron van rijkdom is was een theorie van pro-kapitalistische economen zoals de Schotse econoom Adam Smith of de Engelse econoom David Ricardo in de jaren rond de Franse Revolutie van 1789. Zij schreven daarom dat ze de arbeid van de controle door de oude pre-kapitalistische heersers moesten ‘bevrijden’ om hun rijkdom te doen groeien.

Het kapitalistisch systeem nam eind 18e eeuw een hoge vlucht in Engeland toen de stoommachine was uitgevonden en de eerste gemechaniseerde fabrieken het daglicht zagen. Deze industriële revolutie zou zich in de loop van de 19e eeuw over Europa verspreiden. Het bezit van productiemiddelen was daardoor nog meer dan voorheen een bron van grote macht. In dezelfde periodes vonden liberale staatkundige omwentelingen plaats.

Naast deze technologische vooruitgang was er volgens Max Weber ook een verandering nodig in de levensvisie van de bevolking: een motivatie was nodig om kapitaal niet meteen uit te geven, maar het te investeren met het doel nog meer kapitaal te vergaren. Weber zag deze motivatie in de verdediging van kapitalistische waarden door Calvijn; zie calvinisme en kapitalisme.

Socialisme
De traditie van het socialisme was een reactie op de ongelijkheid tussen bezitters en niet-bezitters die van de ontwikkeling van het kapitalisme het gevolg was. Met name in de Sovjet-Unie (vanaf 1917) en in de Volksrepubliek China (vanaf 1949) werd geprobeerd een socialistische economie op te bouwen. In West-Europa poogde de sociaaldemocratie, minder rigoureus, de maatschappelijke gevolgen van radicaal kapitalisme bij te sturen.

Volgens de antikapitalist Karl Marx vormen de eigenaars van productiemiddelen een klasse, de kapitalisten. Een andere klasse, de arbeiders, moet zijn arbeidskracht verhuren aan die kapitalisten. Tot deze arbeiders wordt iedereen gerekend die in loondienst werkt. Dit leidt, volgens Marx, tot een onrechtvaardige machtsverhouding. Zie verder marxisme en historisch materialisme.

Bronnen waaruit bovenstaand artikel is samengesteld:
http://socialisme.nu/blog/theoretisch/wat-is-marxisme/
http://nl.wikipedia.org/wiki/Kapitalisme


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 389.