kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30-10-2012 voor het laatst bewerkt.

Klooster

1 kloostergemeenschap
2 gebouw waarin een klooster gevestigd is

Een klooster (van het Latijn claustrum = afgesloten ruimte) is de gemeenschappelijke woning van monniken of monialen. Er bestaan verschillende soorten kloosters. Een klooster waar een abt (of abdis) aan het hoofd staat is een abdij. Een klooster waar een prior (of priorin) aan het hoofd staat is een priorij.

De kloosterbroeder (m) == bewoner van een klooster die wel de geloften heeft afgelegd, maar niet tot priester is gewijd.

Een kloosterkerk is een kerk, verbonden aan een klooster.

Abdij
Een abdij is een mannen- of vrouwenklooster van een contemplatieve (beschouwende) kloosterorde, zoals de benedictijnen, kartuizers, cisterciënzers en norbertijnen. De monniken van deze orden leven volgens een kloosterregel. Om een abdij te stichten zijn er minimaal 12 leden nodig. Bij de norbertijnen wordt de abdij een canonie genoemd. Een afhankelijkheid van een abdij wordt een priorij genoemd.

In de middeleeuwen waren de abdijen strak georganiseerde en gesloten leefgemeenschappen, die behalve het ommuurde gebouwencomplex (waarin de abdijkerk, woon-, slaap- en eetruimten, de bibliotheek, moestuin e.d.) vaak ook het beheer hadden over een uitgestrekt omliggend gebied. Niet alleen op religieus, maar ook op cultureel gebied zijn de abdijen van grote betekenis.

Een abdij kan opgedeeld worden in drie delen:
. de kloosterzone: de gebouwen bewoond door de religieuzen. In het midden is er meestal een vierkante binnenplaats, met aan een zijde de kloostergalerij die toegang geeft tot de andere gebouwen. Tegen de kerkbeuk is meestal de noordelijke vleugel van het klooster gebouwd. De refter ligt meestal aan de zuidkant met daarboven de slaapzaal, het dormitorium. De kapittelzaal is dicht bij het koor van de kerk gelegen. Van hieruit wordt de abdij bestuurd, het dagelijks werk geregeld en de abt verkozen.
. de landbouw- en/of nijverheidszone: allerlei activiteiten vinden er plaats zoals de zorg voor zieken en gewonden, het maken van kaas, een smederij, het malen van graan in wind- of watermolens en het brouwen van bier. De pachter van de abdijhoeve en ambachtslieden van allerlei slag vonden er onderdak. In vroeger tijden was het vaak een dorp op zich.
. de invloedszone: de zone waar de abdij haar invloed doet gelden. Ze is een geestelijk centrum en haar religieuzen bedienen vaak parochies in de omgeving.

De abt of abdis staat aan het hoofd van een abdij. In het algemeen is hij verkozen voor het leven. De prior (Latijn voor eerste) is zijn rechterhand die hem bijstaat en vervangt de abt bij afwezigheid. De subprior vervolledigt het driemanschap.

In een abdij bestaan verder vele functies waaronder:
. de econoom of procurator houdt zich bezig met de materiële zorg van de gebouwen en inwoners van de abdij
. de cellarius of keldermeester beheert de voorraden van de abdij en heeft de leiding over de lekenbroeders
. de koster of sacristiemeester staat in voor de altaarbenodigdheden
. de cantor van het koor is verantwoordelijk voor de liturgie en de officiezangen of getijden
. de organist verzorgt het orgelspel
. de gastenmeester verschaft onderdak aan iedereen die erom vraagt
. de portier verwelkomt de bezoekers
. de infirmarius of ziekenverpleger
. de vestiarius zorgt voor de kleding
. de bibliothecaris en de archivaris

Dagindeling
De dag begint bij sommige ordes om 4 à 5 uur 's morgens en eindigt rond 20 à 21 uur, naargelang de seizoenen. Gebed, arbeid en geestelijke lectuur wisselen elkaar af. Het getijdengebed bestaat uit het zingen van psalmen, het uitspreken van gebeden en het voorlezen van bijbelteksten. Daarnaast brengt men tijd in persoonlijk gebed door.

Een novice is iemand die voor de intrede in het klooster een proeftijd doormaakt tijdens het noviciaat. Het canoniek recht stelt deze proeftijd verplicht voordat men tijdelijke geloften kan afleggen. Voor het noviciaat staat in principe een jaar. Behalve de proeftijd heet vaak ook het klooster waar de novicen verblijven noviciaat. Kloosterregels als de Regel van Benedictus bevatten veelal bepalingen over de gang van zaken tijdens het noviciaat.
Bij bepaalde kloosterorden wordt het noviciaat met een jaar verlengd. Voorwaarden tot toetreding tot het noviciaat zijn een minimumleeftijd van zeventien jaar, de ongehuwde staat, rijpheid van karakter, het ontbreken van banden met andere religieuze instituten, en een bewijs van doop en vormsel. De algemene gang van zaken tijdens het noviciaat is op juridisch niveau vastgelegd in de canones 641-653 van de Codex Iuris Canonici van 1983.

In de westerse cultuur zijn vooral de kloosters van de katholieke en de orthodoxe kerken bekend. In het christendom was het kloosterleven oorspronkelijk bedoeld voor mensen die zich wilden terugtrekken uit een zondige wereld om zich aan God te wijden. In de Middeleeuwen waren kloosters, en dan vooral de zelfstandige abdijen, vaak intellectuele en economische centra. Soms had een klooster het beheer of bestuur over een gebied; dat werd dan wel een sticht genoemd.

Een kloosterorde is een orde van religieuzen, mannen of vrouwen, die zich verenigd hebben omtrent een gemeenschappelijk geloofsopvatting en regel waaraan zij gebonden zijn, en op een permanente wijze samenleven binnen één en dezelfde plaatselijke gemeenschap, een klooster of een tempel. Meerdere kloosters van gelijkgezinde religieuzen vormen samen een kloosterorde.

In het christendom zijn de kloosterorden een zaak van de Rooms-katholieke Kerk, de Lutherse Kerk en de Anglicaanse Kerk. De orthodoxe kerken hebben zeer veel kloosters, maar geen verschillende orden.

De boeddhistische Sangha als geheel is een kloosterorde, die gebaseerd is op de Dhamma en Vinaya van de Boeddha. Boeddhistische monniken worden bhikkhus genoemd. Strikt gesproken hoeven bhikkhus niet altijd in kloosters te wonen, maar dit is wel de norm. De Orde van Bhikkhunis is een aparte kloosterorde voor nonnen.

Het Soefisme kent vele kloosterorden, ook wel tariqats genoemd.


Monnik (christendom)

Met de aanduiding monnik wordt in het christendom iemand bedoeld die omwille van het Koninkrijk Gods armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid belooft, de zogenaamde professie van de Evangelische raden. Het woord monnik komt van het Griekse monachos, dat 'eenzaam' betekent en het woord monos (alleen).

Monniken wonen meestal bij elkaar in een klooster of abdij, waar ze een speciale dagindeling hebben die helemaal gewijd is aan het gebed en de beschouwing. Er bestaan echter sinds de 13e eeuw ook de zogenaamde bedelorden waarvan de monniken een actief bestaan hebben in de samenleving. Een in afzondering levende monnik wordt heremiet, kluizenaar of anachoreet genoemd.

Kloosterleven
Het leven van een monnik streeft naar de vereniging met God. Daartoe maakt hij zich zoveel mogelijk vrij van prikkels uit de wereld. Bij de kloostermonniken is de rust en regelmaat van het kloosterleven uitermate geschikt voor gebed en meditatie. Ook veel leken (niet-kloosterlingen) bezoeken kloosters voor de rust die daar ervaren kan worden.

De levensstijl van monniken bevat vaak diverse vormen van ascese; het zo veel mogelijk beperken van mentale en lichamelijke genietingen en de overstijging van de eigen lichamelijke begrenzingen, om zo te trachten de belemmeringen voor grotere geestelijke groei weg te nemen.

De aanduiding voor een vrouwelijke monnik is moniaal of non. Omdat het woord non meestal als pejoratief wordt beschouwd, is tegenwoordig het woord zuster meer gebruikelijk.

Het onderscheid tussen moniaal en zuster wordt wel gemaakt om vrouwelijke contemplatieve religieuzen te onderscheiden van zogeheten "actieve" religieuzen. Monialen verblijven strikt binnen een klooster en houden zich aan een vorm van afsluiting van de buitenwereld. Actieve religieuzen zijn meer "in de wereld" actief, buiten de muren van een klooster of convent.

Oorsprong
Het christelijke kloosterwezen is ontstaan uit de heremieten die zich in de tweede en derde eeuw vestigden in de Egyptische woestijn in de omgeving van Wadi Natroen. Zij waren nogal eens voor de christenvervolgingen gevlucht, die regelmatig in het Romeinse Rijk plaatsvonden, en hadden ontdekt dat stilte, eenzaamheid en matigheid in voedsel, drank en slaap een vruchtbare grond voor het gebed konden vormen. De beroemdsten van deze kluizenaars zijn de heilige Paulus van Thebe en de heilige Antonius van Egypte. In het tijdperk na de christenvervolgingen werd het voor deze monniken mogelijk om hun levenswijze gezamenlijk gestalte te geven onder leiding van een ervaren geestelijke, die abt werd genoemd. Dit gezamenlijke monnikendom heet coenobitisme.

De eerste kloosterregel
De vierde-eeuwse gewezen Romeinse soldaat Pachomius wordt beschouwd als de opsteller van de eerste regels voor het kloosterleven. Basilius introduceerde deze regels in aangepaste vorm in Klein-Azië en staat daarom bekend als de vader van het Oosterse kloosterleven. Augustinus bracht het kloosterleven naar Afrika. In Ierland ontwikkelde het Keltische kloosterleven zich tot de basis voor missiewerk in het nog heidense Noord-Europa en de (her-)bekering van Brittannië en de grensgebieden van het vroegere Romeinse Rijk. Deze waren veelal teruggekeerd tot heidendom tijdens de Grote Volksverhuizing.

Doordat er in het Westen verschillende regels en tradities voor het kloosterleven ontstonden, was er al snel sprake van diverse onafhankelijke kloosterordes. In het Oosten is er nooit een dergelijke ontwikkeling geweest. Dit heeft geleid tot verschillende situaties in de tegenwoordige Rooms-Katholieke Kerk en de Oosters-Orthodoxe Kerken.

Ontwikkeling in het christelijke Westen
Het rooms-katholieke contemplatieve kloosterwezen bestaat tegenwoordig uit een aantal grote families die elk onderverdeeld zijn in de zogenaamde orden. Dit is voor een groot deel het gevolg geweest van een cyclus van idealisme en verwereldlijking. Vaak werd een kloosterorde gesticht door idealistische monniken, die in alle eenvoud het samenleven van de eerste christenen zoals beschreven in het Nieuwe Testament probeerden na te volgen. Door het succes van deze ordes groeiden deze soms uit tot grote en welvarende instellingen waar de idealen van het begin nogal eens verwaterden. Na een paar eeuwen lokte dit dan een tegenreactie uit van hervormers die terugkeerden naar de idealen van de eerste stichter(s). Vervolgens werd deze hervorming op haar beurt ook weer zo succesvol dat de principes waarop de gemeenschap gegrond was weer verwaterden, wat dan weer een nieuwe hervorming uitlokte. Dit proces herhaalde zich keer op keer in de loop van de geschiedenis. Zo'n zuiveringsbeweging noemt men een observantiebeweging.

Van Columbanus naar Benedictus
De oudste familie in het Westen, die tegenwoordig uitgestorven is, is de familie van kloosters die leefden volgens de Ierse monnikenregels (Keltische christendom). De bekendste daarvan is de regel van Columbanus geweest. Deze kloosters kenmerkten zich door een grote nadruk op de ascese. Meestal lagen deze kloosters op onherbergzame en eenzame plaatsen zoals kleine eilandjes in de Atlantische oceaan of in onbewoonde bergstreken. Het leven in deze kloosters was hard door de rigoureuze verstervingsspiritualiteit die er werd beleefd. Er ontstond dan ook behoefte aan een meer gematigde variant. Die tweede familie in de Westerse geschiedenis, tegenwoordig nog de grootste en bekendste, is de Benedictijnse familie, die bestaat uit kloosters die leven volgens de Regula Benedicti van de heilige Benedictus van Nursia. Hiertoe behoren de Benedictijnen, de Cisterciënzers, de Trappisten, de Camaldulenzers, de Olivetanen en nog enkele kleinere gemeenschappen. De kloosters van de Ierse regels zijn grotendeels in deze familie overgegaan.

Vanaf circa 600 groeide de kloosterregel van Benedictus uit tot de allesoverheersende in het Westerse christendom. De enige taken die een monnik volgens Benedictus had, werden samengevat in het motto 'ora et labora' - 'bid en werk' dat vaak boven de hoofdingang van het klooster is aangebracht. Met 'werk' werd eenvoudig handwerk bedoeld.

Onder Karel de Grote werd de Benedictijnerregel de enig geldende in het Westen. Het netwerk van kloosters dat op die manier ontstond, stelde bijvoorbeeld de Ierse monnik Bonifatius in staat om effectief zendingswerk in het Rijnland te verrichten: de benedictijnerkloosters - vaak door hemzelf gesticht - dienden als zijn uitvalsbasis.

De kloosters ontwikkelden zich hierdoor meer en meer tot centra voor de missie. Daarnaast stuurden welgestelden, bij gebrek aan onderwijsinstellingen, hun kroost vaak een aantal jaren als oblaten het klooster in om intellectuele bagage op te doen. De kloosters werden culturele centra die een rol vervulden voor de hele gemeenschap. Door dit culturele succes kwam van bidden en werken steeds minder meer terecht.

De Abdij van Cluny
Er werden hervormingspogingen ondernomen om het benedictijnse ideaal van gebed en handwerk te herstellen. Deze pogingen sorteerden pas merkbaar effect toen de kloosters bij het uiteenvallen van het Frankische Rijk meer en meer in verval raakten.

De Abdij van Cluny (gesticht rond 909) was toonaangevend in deze herbezinning op de door Benedictus opgestelde regel. Tijdens de Cluniacenzische Hervorming werden de banden tussen de diverse kloosters stevig aangehaald. Niet elk klooster had in het vervolg een abt: kleinere kloosters werden geleid door een prior, die verantwoording schuldig was aan de abt van de Abdij van Cluny. De abt op zijn beurt, viel onder het gezag van de paus. De kloosters werden hiermee onafhankelijk van bisschoppen of plaatselijke adel; ze hadden een eigen organisatie waarop ze hun macht konden baseren. De kloosters gingen een politieke rol spelen in de voortdurende strijd tussen paus, lokale geestelijkheid en adel. Door dit politieke succes kwam van bidden en werken steeds minder terecht.

Cisterciënzers
Cisterciënzers in het Szczyrzyc kloosterDe cluniacenzerkloosters waren, ter ere van God, overdadig versierd. Deze cultuur van schoonheid nam, toen vanaf 1100 de economie in West-Europa opbloeide, steeds grotere vormen aan. Omdat Jezus, volgens Mattheüs 10:9, over vrijwillige armoede van zijn apostelen had gesproken, ontstond tegen deze toestand protest.

In 1098 stichtte Robert van Molesme in Cîteaux de belangrijkste orde die aan dit protest vorm gaf. Naar de Latijnse naam voor Cîteaux - Cistercium - werden deze kloosterlingen cisterciënzers genoemd. De toonaangevende geestelijke Bernard van Clairvaux kwam uit hun midden voort.

In de sober ingerichte kloosters van de cisterciënzers heerste stilte. De kloosters waren veelal gevestigd in onherbergzame streken, zodat de monniken zich met zwaar handwerk moesten bezighouden om te kunnen overleven. Er werd land ontgonnen. De kloosters groeiden uit tot succesvolle boerderijen, schapenfokkerijen, bierbrouwerijen enz. Het handwerk werd meer en meer verricht door ongeletterde lekenbroeders, die niet als volwaardige monniken werden beschouwd. Door dit economische succes kwam van bidden en werken steeds minder terecht.

Trappisten
Als reactie op dit alles afgescheiden van de cisterciënzers zijn de trappisten - zij leven volgens een strengere regel (de strikte observantie) en vormen een zelfstandige orde. De benaming trappisten is afgeleid van het Franse klooster La Trappe waar abt Armand Jean le Bouthillier de Rancé in 1664 strenge regels instelde die elders veel navolging kregen. In 1892 is de laatste poging gedaan om cisterciënzers en trappisten weer in één Orde te verenigen, maar vergeefs. In de Lage Landen hebben de trappisten de cisterciënzers overvleugeld. Naast vijf trappistenkloosters (Berkel-Enschot, Zundert, Diepenveen, Echt en Tegelen) is er in Nederland slechts één cisterciënzerabdij: Mariënkroon te Nieuwkuijk.

De Augustijnen
Parallel met de grote Benedictijnse beweging ontstonden andere monastieke takken met een eigen, vaak uitgesproken spiritualiteit. Een tweede grote kloosterfamilie met zeer uiteenlopende kinderen bestaat uit kloosters met de regel van Augustinus. Hiertoe behoren de Augustijner heremieten, de Augustijner koorheren, de Norbertijnen, de Dominicanen, de Birgittinessen en Birgittijnen, de Visitandinnen en enkele kleinere gemeenschappen. Een hele serie congregaties uit de 19e eeuw leeft wel volgens de regel van Augustinus, maar wordt niet tot de orden gerekend.

Kartuizers, de eeuwige uitzondering
De Kartuizers, een derde tak, werden 1084 door Bruno van Keulen gesticht in het klooster La Grande Chartreuse. Deze monniken leven als kluizenaars in een (zeer beperkte) vorm van gemeenschap. Zij hebben nooit enige hervorming van betekenis doorgemaakt omdat zij sinds hun stichting altijd aan hun onverkorte regel hebben vastgehouden. Zelfs het Tweede Vaticaans Concilie heeft bij hen nauwelijks verandering teweeggebracht.

Bedelordes
De bedelordes ontstonden vrijwel tegelijkertijd in de 13e eeuw. Hoewel het hier eigenlijk niet om contemplatieven gaat, worden Franciscanen en Dominicanen toch monniken genoemd. Wel zijn er altijd onder de Franciscanen broeders geweest die zich terugtrokken als heremiet. Als laatste voorbeeld in Nederland is de kluis in Neerlangel een tijdlang bewoond geweest door een heremiet uit de Franciscaanse traditie. Alleen de vrouwelijke takken van de verschillende bedelorden zijn strikt genomen comtemplatief.

Minderbroeders of Franciscanen - In 1209 gesticht door Franciscus van Assisi.
Clarissen - In 1212 door Franciscus van Assisi gestichte orde voor vrouwen. Clara van Assisi was de eerste die de kloostergeloften aflegde en wordt daarom als medestichter beschouwd.
Dominicanen - In 1216 gesticht door Dominicus Guzman.
Karmelieten - Ontstaan uit een laura van westerse kluizenaars of heremieten die leefden op de berg Karmel in Palestina, maar in de tijd van de kruistochten werden ze door de Saracenen verdreven vanaf de berg.

Ridderordes
Met de kruistochten werd ook het verschijnsel van de ridderordes geïntroduceerd. Dergelijke ordes probeerden de gedrevenheid van monnik en soldaat te verenigen. Bijvoorbeeld:
. Tempeliers
. Hospitaalridders
. Duitse orde

Verval
In de aanloop naar de reformatie keerde de bevolking zich, met name in Noord-Europa, steeds sterker af van de traditionele benedictijnse kloosters, die net als andere kerkelijke instanties waren uitgegroeid tot bolwerken van rijkdom en wereldlijke macht. De bedelordes, die in middeleeuws Europa vaak de enige bron van verzorging waren voor zieken en armen onder de bevolking, konden op meer sympathie rekenen.

Er ontstonden ook nieuwe vormen van monastiek. In het Rijnland leefden vrouwen zonder kloosterregel als begijn. Ook de Broeders des Gemenen Levens (rond 1381 gesticht door Floris Radewijns) leidden een monnikachtig bestaan zonder geloften af te leggen.

Reformatie en contrareformatie
Tijdens de reformatie moesten kloosters het evenzeer ontgelden als kerken. Kloosters in protestantse gebieden werden geplunderd en kregen een andere functie. Monniken die zich niet in veiligheid hadden weten te brengen, werden vaak op gruwelijke wijze vermoord.

Als deel van de contrareformatie werden vanuit Rome nieuwe kloosterordes in het leven geroepen met de bedoeling het op de protestanten verloren terrein terug te winnen: in 1540 stichtte Ignatius van Loyola de orde der Jezuïeten - strikt genomen geen kloosterorde, maar in organisatie sterk daarop gelijkend.

Verklaring van een aantal termen
. Broeder / Frater / Zuster: kloosterling die niet tot priester is gewijd.
. Pater: tot priester gewijde kloosterling.
. abt (Aramees: abba = vader) / Abdis of Moeder overste: Kloosteroverste. Oorspronkelijk werd de naam abt voor iedere in aanzien staande monnik gebruikt.
. Prior / Priorin: (Latijn: de eerste) Oorspronkelijk een kloosteroverste die ondergeschikt is aan de abt. In sommige ordes is de prior het zelfstandige hoofd van een klooster.
. Sommige orden verenigen hun abdijen of kloosters in (kerk-)provincies, waar een provinciaal dan aan het hoofd staat.
. Begard / Begijn: man of vrouw die geen kloostergeloften heeft afgelegd en in een begijnhof leeft.

Russisch-/Grieks-orthodox christendom
Het Russisch-/Grieks-orthodoxe kloosterwezen kent geen verschillende orden. Toch zijn er onderling grote verschillen aan te wijzen. Omdat de Byzantijnse kerken hun bisschoppen uit de kloosters rekruteren is er bijvoorbeeld al verschil tussen kloosters waar monniken wonen die vergelijkbaar zijn met westerse wereldgeestlijken en kloosters waar het meer eigenlijke monniksideaal wordt nagestreefd. Zo is in bijvoorbeeld Rusland het beroemde klooster van Sergiev Posad een compleet kerkelijk centrum met academie, koorschool en seminarie, terwijl het klooster van Optina dan weer het centrum van het beschouwende, ascetische monnikendom genoemd zou kunnen worden.

Zoals in het westen verschilt de praktijken van klooster tot klooster. Wel is de levensloop en de initiatie zo ongeveer overal vergelijkbaar, en ook vergelijkbaar met het Westen. Eerst wordt men novice. Novicen mogen soms gekleed gaan in de Isorason of potriassa, het zwarte onderkleed, en de skoufos, een soort zachte hoed, dat is aan de abt. De skoufos en de Potriassa zijn namelijk het eerste deel van het habijt, waarvan er in het oosten eigenlijk maar een vorm bestaat, met een paar regionale verschillen. Als de novice volgens de abt bekwaam genoeg is, wordt hij gevraagd om monnik te worden. Indien hij dit wil, wordt hij met een formele dienst gewijd, en ontvangt hij de Exoriassa, het buitenste gewaad, en de klobuk, een soort harde ronde hoed met een sluier.[1] Dit is het eerste niveau. De monnik wordt nu Rassophor of Ryassophor genoemd. Hij heeft nog geen professie achter de rug, dus nog geen geloften afgelegd. De dienst wordt geleid door een Hieromonnik, een monnik die ook priester is.

Het volgende niveau volgt een paar jaar later, naar het oordeel van de abt. De monnik wordt, eens temeer in een formele dienst, gewijd tot Stavrophor. Hij ontvangt symbolische onderscheidingen aan zijn habijt en de abt verhoogt zijn functie in de gebedsdiensten. Ook legt de monnik zijn geloften af. Ook deze dienst wordt geleid door een Hieromonnik.

Het laatste niveau ten slotte heet Megaloschemos. Ook dit wordt 'uitgereikt' als de abt dat beslist. In sommige tradities wordt de monnik pas Megaloschemos op zijn sterfbed, in andere kan het al na 'slechts' 25 jaar. Monniken met deze rang leven meestal alleen. Orthodoxe monniken worden altijd aangesproken met 'Vader', tenzij ze novice zijn, maar ook als ze geen priester zijn. De abt heet hegumen of archimandriet. Orthodoxe nonnen worden altijd aangesproken met 'Moeder', tenzij ze novice zijn.

Oecomenische kloosters
In Frankrijk ligt in het plaatsje Taizé een oecomenische communiteit, de Gemeenschap van Taizé. De gemeenschap werd gesticht door Frère Roger, die hier in de Tweede Wereldoorlog kwam wonen. Er wonen nu ruim honderd broeders en jaarlijks komen duizenden jongeren naar Taizé.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Klooster
Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 6055.

Tweets by kunstbus