kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30-06-2008 voor het laatst bewerkt.

Linnenfabrieken-van-Dissel

Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel & Zonen (1871-1971)

De bleekvelden van de linnenfabriek van Dissel

Linnenweverij opgericht in 1871 door de Bladelse dominee E.J.F. van Dissel. Hij begon een fabriekje in Bladel om wat extra inkomsten te genereren voor zichzelf en een aantal arme boeren. In 1873 kwam hij naar Stratum en in 1875 startte daar de linnen- en pellenfabriek.

Van Dissel was een opmerkelijk man. Hij was niet alleen predikant, maar tevens oprichter van de Linnenfabriek E.J.F. van Dissel & Zonen te Bladel. Bovendien gaf hij blijk van grote sociale betrokkenheid. Zo was hij oprichter en voorzitter van de Vereeniging in het belang van Lijdende Nederlanders, die haar patiƫnten liet verzorgen in de internationaal bekende kolonie voor geesteszieken in het Belgische Geel.

Van Dissel & Zonen was een klein fabriekje waar men nadat de dominee zich in 1890 had teruggetrokken kunstzinnige stoffen ging maken. Ontwerpers als Cornelis van der Sluys, Chris Lebeau en Maurits Cornelis Escher leverden hun bijdrage. Er werd onder meer geleverd aan rederijen van passagiersschepen en aan vorstenhuizen.

Chris Lebeau onwierp vanaf 1906 tot aan zijn dood in 1945 vierenvijftig tafeldamasten voor 'Van Dissel & zn, fabriek voor linnen huishoudtextiel'.

Naast de ontwerpen van Lebeau voerde Linnenfabrieken E.J.F. van Dissel & Zonen in Eindhoven ook een damast naar ontwerp van Theo Nieuwenhuis uit. Het was bestemd voor de scheepvaartmaatschappijen VNS en de KNSM, die grootafnemers waren van de linnenfabrikanten. Slingerende tentakels van inktvissen, schelpen, kabels en een golvenpatroon omvatten een schip met zeilen in top.

Chris Lebeau, die de meeste damasten voor Van Dissel ontwierp, weigerde als anarchist om voor Van Dissel koninklijk tafelgoed en ander gedenkdamast te vervaardigen. Hiervoor werd Kitty van der Mijll Dekker benaderd, die haar opleiding aan het prestigieuze Bauhaus in Duitsland had genoten. Zij ontwierp bijvoorbeeld gelegenheidsdamast voor het Provinciehuis in Arnhem (1954).

Van Dissel voerde in 1957 ook tafeldamast uit naar ontwerp van Graficus Dirk van Gelder. Het damast, een opdracht van de Provinciale Staten van Zeeland, heeft een patroon van vissen, schaaldieren, wieren, netten en het wapen van Zeeland.

In 1963 fuseerde Van Dissel met Van den Briel en Verster. In 1971 werd de fabriek gesloten.

Van den Briel en Verster, ofwel de Koninklijke Eindhovensche Damast-Linnen- & Pellen-Fabriek is opgericht in 1847 als Linnenfabriek C. Van den Briel. In 1888 kreeg de fabriek zijn uiteindelijke benaming. Het bedrijf lag aan de Dommelstraat en was voorzien van een prachtige natuur-bleekerij in de vorm van een grasveld aan de Wolvendijk.
Adriaan Herman Lugard (1897-*), Directeur van de NV Linnenfabrieken Van den Briel & Verster associeerde zich in 1932 met F. van Dissel in de firma van Dissel & Lugard. In 1963 ging het bedrijf samen met Van Dissel.
het gebouw heeft daarna nog een tijd als mensa gediend van de Technische Hogeschool Eindhoven. Vervolgens werd het in 1971 gekraakt door jongeren die er Open Jongerencentrum Para+ in vestigden, de voorloper van Poppodium De Effenaar. In 2005 werd een nieuw gebouw geopend. Daartoe werd de fabriek in 2002 vrijwel geheel gesloopt en is alleen de voorgevel van de fabriek blijven bestaan. Achter deze gevel bevindt zich een openluchtpodium.

Textielindustrie Eindhoven
Hoewel Eindhoven bekend is van de sigarenindustrie, Philips en DAF, heeft ook de textielindustrie haar stempel op de stad gedrukt.
Sinds 1419 bestonden er gilden in Eindhoven, waaronder een gilde dat de linnenweverij vertegenwoordigde en een gilde dat de lakennijverheid omvatte. De gilden werden in 1798 opgeheven.
Huisnijverheid ten behoeve van fabrikeurs was de regel. Allereerst werd het spinnen in fabrieken samengebracht, waarbij veel efficiƫnter gewerkt kon worden. Na de Franse tijd ondervond de laken- en linnenindustrie veel concurrentie van katoen. Dit ging men toen ook in Eindhoven produceren.
Textielindustrie die geconcentreerd was in fabrieken ontstond zeer geleidelijk. De beschikking van een centrale krachtbron voor de aandrijving van machines speelde daarbij een rol, maar wellicht ook de aanwezigheid van centrale voorzieningen zoals een bleekveld. Een eerste voorbeeld van een centrale krachtbron was een watermolen, terwijl in de loop van de 19e eeuw, te beginnen in 1820, ook de stoommachine zijn intrede deed. Na 1900 werd de gasmotor van belang, terwijl na 1911, toen de Peelcentrale in bedrijf kwam, ook de elektrische aandrijving kon worden toegepast.
Natuurlijk speelde bij dit alles ook mechanisatie een rol, want textielmachines werden uitgevonden en voortdurend verbeterd. Reeds omstreeks 1800 beschikte men over spinmachines, terwijl weefmachines vanaf 1870 steeds meer in gebruik kwamen, waardoor het thuisweven geleidelijk verdween: Het aantal thuiswevers nam af van 2.153 in 1861 naar 49 in 1910. Van belang was vooral de fabricage van trijp, waarmee meubelen bekleed werden. Zo leverde de Eindhovense textielindustrie stoffen aan de grote passagiersschepen en aan het hof. Ook tijk, de bekleding van matrassen, werd vervaardigd. De fabrieken waren vooral geconcentreerd in de omgeving van de Dommelstraat en in de buurt van de Paradijslaan. Andere fabrieken lagen verspreid over het gebied.

Na de Tweede Wereldoorlog begon, na een korte periode van opbloei, de neergang van de Eindhovense textielindustrie. De dekolonisatie zorgde voor verminderde afzet naar de Derde Wereld. Dit dwong de bedrijven tot mechanisatie: het aantal arbeidskrachten daalde van 2.433 tot 1.807 in de periode 1950-1963. Er was niettemin een personeestekort: hooggeschoolde en beter betaalde arbeid was aantrekkelijker. Daarom werden gastarbeiders aangetrokken. De concurrentie van goedkoop textiel, met name uit lage-lonenlanden, maakte dat vele fabrieken begin jaren '70 van de 20e eeuw moesten sluiten. Dit gold voor Kodijko, Van Dissel, Kerssemakers & Zn., en Van den Briel en Verster.
De katoenfabrieken trachtten het hoofd boven water te houden door te fuseren. In 1961 werd daartoe BEHTI (Baekers-Elias-de Haes-Textiel-Industrie) opgericht. De verschillende bedrijven konden niet goed samenwerken en de organisatie was topzwaar bij dalende omzet. In de loop van de jaren '70 van de 20e eeuw werden vele bedrijfsonderdelen afgestoten of overgeplaatst. BEHTI is later De Haes Holland gaan heten. Er is daarna nog een constructie geweest onder de naam: Koninklijke Nederlandse Textiel Unie (KNTU), waarin een 14-tal, voornamelijk Twentse, bedrijven samenwerkten, maar ook deze ging in 1973 failliet. Slechts de fabriek van Leo Schellens bleef voor Eindhoven behouden. Van de voormalige fabriekscomplexen is niet veel meer overgebleven.
- (http://nl.wikipedia.org/wiki/Textielindustrie_(Eindhoven))


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 45.