kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 04 12 2016 15:50 voor het laatst bewerkt.

Michel Foucault

Michel Foucault (Poitiers, 15 oktober 1926 - Parijs, 25 juni 1984) was een Franse postmoderne filosoof, bekend vanwege zijn politiek activisme in de jaren 70 en 80 en zijn analyses in de politieke filosofie via begrippen als disciplinemaatschappij, biopolitiek en biomacht. Men plaatst hem in de continentale filosofie, het structuralisme en poststructuralisme, hoewel hij deze termen niet met zichzelf associeerde. Foucaults colleges trokken overvolle zalen. Hij zou deze geven tot hij in 1984 overleed aan aids overleed.

Foucault wordt met Lacan, Derrida en Lyotard gerekend tot de belangrijkste representanten van de stroming in Franse filosofie die de antisubjectfilosofie of subjectkritiek wordt genoemd. Deze filosofie is een reactie op het traditionele eenheidsdenken ook wel identiteitsfilosofie genoemd. De antisubjectfilosofie verwerpt het idee dat de individuele mens als grondslag kan dienen voor het filosofisch denken. Dat de mens de waarheid in pacht zou hebben of via de wetenschap zou kunnen krijgen, vinden zij een grenzeloze overschatting van de kwaliteiten die toegeschreven worden aan het feit dat mensen kunnen denken. Kortom het idee van de mens als autonoom subject van de geschiedenis vormt volgens hen een misvatting. De taal is in het werk van deze filosofen een belangrijk aanknopingspunt. De mens die er prat opgaat, dat hij spreekt, is in feite horig aan de orde die de taal sticht.

Michel Foucault heeft historisch onderzoek gedaan naar de geneeskunde en de menswetenschappen en schreef boeken over de geschiedenis van het vertoog of discours, het spreken en schrijven in een samenleving, over onderwerpen als ziekte, misdaad en perversiteit. Hij analyseert de vertoogstructuren en toont hoe in vertogen kennis over de mens wordt geproduceerd.
Zijn proefschrift ‘Geschiedenis van de waanzin’ gaat over wat wij in de loop van de historie gek vonden en wat niet.
Het belangrijkste thema in Foucaults werk is de relatie tussen macht, kennis en de taal waarin de heersende kennisopvattingen worden uitgedrukt (episteme). Het idee van wisselende epistemes in verschillende historische periodes werkt hij uit in de invloedrijke studie De woorden en de dingen (1966).
Later analyseert hij op dezelfde wijze het gevangeniswezen in Discipline, toezicht en straf en de psychoanalyse in Geschiedenis van de seksualiteit.
Foucault noemt zijn methodes archeologie en, naar zijn voorbeeld Nietzsche, genealogie. Hij gebruikt bronnen om uit te zoeken hoe dingen in de loop van tijd veranderen en analyseert zo de ontstaansgeschiedenis van ons denken over de mens.

Kennis is verweven met de macht en met de tijd waarin we leven (het historische a priori). Er is in West-Europa een heel nieuw soort macht gekomen. Die macht ontstaat door een subtiel systeem van regels die overgebracht worden door communicatie. Wij leven in een samenleving met een toezicht die we niet zien, maar waarvan wij weten dat het er is. Er zijn allerlei instituties die op ons letten, waardoor wij ons op een gewenste manier gedragen. Dit veroorzaakt een moreel geweten waardoor wij aan zelfcontrole gaan doen. We hoeven zo niet per se meer gecontroleerd hoeft te worden. Dit gebeurt via de discours en via de instituties.
De machtswerking via discours bestaat ten eerste uit het spreken en schrijven en ten tweede uit de materiele kant: de instituties als geestelijke gezondheidszorg, bedrijven, ziekenhuizen en overheidsinstellingen (de discursieve praktijken). Er is disciplinering doordat wij deze kennis hebben. Wetenschap draagt hier aan bij. De onafhankelijke waarheid en wetenschap bestaan hierdoor niet, want de wetenschap is onderdeel van de macht geworden en verweven met de politiek en economie (pouvoir et savoir). Er zijn allerlei vertoogcoalities die invloed hebben op het individu. Volgens Foucault moeten wij ons hiertegen verzetten. Het postmodernisme heeft zo aanleiding gegeven voor verzet.

Foucault studeerde filosofie, psychologie en geschiedenis. In 1945 ging hij naar Parijs waar hij les kreeg van Jean Hyppolite, een existentialist en een Hegel-expert, die het existentialisme wilde verenigen met de dialectische theorieën van Hegel en Marx. Hyppolite beïnvloedde Foucault met zijn mening dat filosofie het beste via de geschiedenis bestudeerd kon worden. Tijdens zijn studie worstelde hij met zijn homoseksuele geaardheid en had hij zelfmoordneigingen. Hij was korte tijd lid van de communistische partij. Begin jaren 50 studeerde hij af.

1961 - 'Folie et Déraison. Histoire de la folie à l'âge classique (Geschiedenis van de waanzin in de klassieke tijd)'
Foucault maakt de medische wetenschappen inzet van een historische studie. Zijn interesse ging naar de psychopathologie, de leer van de psychische ziekte. In die lijn lag zijn proefschrift, waarop hij (onder begeleiding van Georges Canguilhem) in 1961 promoveerde: Folie et déraison. Histoire de la folie à l’âge classique. Het beschrijft de Westerse manier van denken en redeneren zoals deze in het spoor van de Verlichting is ontstaan, waarin het idee van 'goed en kwaad' zoals de kerk dit hanteert, werd vervangen door 'redelijke' begrippen als 'maatschappelijk en onmaatschappelijk'. Hiermee werd een tweedeling in de maatschappij een feit. In zijn proefschrift beschrijft Foucault hoe het begrip waanzin door de eeuwen heen steeds anders geïnterpreteerd wordt en dat wat we in de loop van de geschiedenis als normaal en niet normaal beschouwen meer zegt over de tijdgeest dan over voortschrijdend inzicht in krankzinnigheid.

Foucaults werk kent drie periodes en drie kernbegrippen: waarheid (jaren 60), macht (jaren 70) en lust en het Zelf (jaren 80).

I. Op zoek naar de structuur van de kennis (jaren ‘60)
In de jaren zestig ontwikkelt hij zijn radicale kritiek op het westerse subjectbegrip. Hij ontkent alle eenheid en oorsprong, ook in de taal. Eenheid bestaat slechts door het verdoezelen van de verschillen. Foucault sluit met name aan bij de fundamentele kritiek die Nietzsche verwoordt op het waarheidsstreven van de mens. De idee dat mensen 'beter' zijn omdat zij een 'wil tot waarheid' bezitten, is een vorm van zelflegitimatie. In het idee verheft de mens zich boven zichzelf uit. Daarom is de wil tot waarheid in feite de wil tot macht. Hij kritiseert de steriliteit van het humanisme, dat universalisme als uitgangspunt neemt en niet de verschillen tussen mensen. Foucault volgt Nietzsche in zijn kritiek op het humanisme dat hij als 'universele machtsdrift' bestempelt: door zichzelf tot redelijk denkend wezen te verklaren, is de mens in staat om zijn medemens in gestichten op te sluiten.

Het vertoog
Als eenheid van analyse neemt Foucault het vertoog ('discours'). Een vertoog is het geheel aan redenaties waarmee een onderwerp in een bepaald perspectief wordt gezet. Het vertoog wordt gevormd door de geschreven of gesproken teksten rond een onderwerp. In een vertoog schuilt veel macht op het punt van het aanmerken van wat 'normaal en abnormaal' genoemd wordt en het toewijzen van de machtsposities. Het voorbeeld van een vertoog dat Foucault in zijn latere werk beschrijft, is dat van de seksualiteit. De krachten die vertogen op hun plaats houden, worden door Foucault uitsluitingsmechanismen genoemd. Het idee van de uitsluitingsmechanismen vormt de vondst die het werk van Foucault zo treffend maakt. Op deze manier toont Foucault de keerzijde van de eigenschappen die een cultuur pleegt te belonen. Het feit dat men deskundig is of recht van spreken heeft, is niet gebaseerd op eenheid van kennis, maar op de macht te bepalen wat kennis is. In de werkelijkheid krijgt kennis zijn waarde bepaald in het vertoog, maar het wordt voorgesteld alsof het subject als denkend wezen deze kennis heeft 'ontdekt'. Zo eigent het subject zich een positie toe van uniciteit: in het subject komt zogenaamd alle denken en kennen samen.

In 1963 verscheen zijn boek Geboorte van de kliniek over menselijke kennis als historische factor. Foucault beschrijft op zijn eigen wijze, als een archeoloog, de overgang van de vroege kliniek van vóór 1770, die vooral op de klassieke geneeskunde (nosologie) berustte, naar de moderne kliniek, die de kennis van de pathologische anatomie heeft geïncorporeerd. Hij toont aan dat rond 1800 een ommekeer heeft plaatsgevonden in de manier waarop artsen naar het lichaam kijken. In plaats van te vragen: 'Wat heb je?', vroegen ze nu 'Waar doet het pijn?'. Door de taal van die moderne kliniek was de mens voor het eerst in staat een rationeel vertoog over zichzelf als object van kennis te houden. Met zijn voor die tijd zeer oorspronkelijke historische analyse legde Foucault de basis voor een geheel nieuwe filosofie van het menselijk discours.

1966 - 'Les mots et les choses. Une archéologie des sciences humaines (De woorden en de dingen)'
In deze publicatie die definitief zijn reputatie vestigde doet Foucault het weldenkende deel van de wereld opschrikken door te verkondigen dat 'de mens op het punt staat te verdwijnen'. In dit boek ontmaskert hij de illusie van de moderniteit: autonomie en rationaliteit zijn geen menselijke wezenskenmerken. Dé ‘mens - het moderne, rationele subject dat na ‘de dood van God zijn eigen leven bestiert en zelf zijn toekomst inricht - is slechts één specifieke manier van samenhangend spreken en schrijven over individuen van vlees en bloed. Deze samenhangende manier van spreken en schrijven kenschetst Foucault als een ‘discours of een vertoog. Dit is een netwerk van wetenschappelijke theorieën, politieke tractaten en morele voorschriften, die een cultuur schraagt. Als weten werken deze echter altijd door in concrete instituties en praktijken. Weten oefent macht uit. Het moderne proces van weten-macht noemt Foucault disciplinering. Foucault beschrijft hoe ons huidige zelfbegrip zich aandient in de negentiende-eeuwse menswetenschappen en na de Tweede Wereldoorlog in een crisis raakt.

Hij ontwikkelt een geheel eigen visie op de werking van de macht, die niet wordt opgevat als louter repressief, zoals in het marxisme. Macht produceert ook positieve gestalten: samenhangende identiteiten. Een vertoog maakt het mogelijk dat individuen een gemeenschappelijke blik op en houding ten aanzien van de wereld, hun medemens en hun innerlijk leven hebben. In kritische zin betekent dit echter dat het moderne, autonome subject het product is van de menswetenschappen en microfysische machtswerkingen in plaats van de grondslag te zijn van het menswetenschappelijk weten.

In Les mots et les choses graaft hij echter nog diepere lagen in onze cultuur af: als een archeoloog van het weten opent hij zo het zicht op andere ‘essenties die door eerdere vertogen zijn geproduceerd. Achter ieder masker verschijnt weer een ander masker. En precies daarin openbaart zich het weerbarstige in Foucaults filosofie: er is geen ultieme waarheid meer. Want ondanks zijn radicale kritiek op de moderne mens opent hij niet het zicht op de ‘echte mens. Foucaults paradoxale ‘waarheid is dat iedere waarheid geproduceerd wordt in waarheidspraktijken. De waarheid wordt niet ontdekt, maar uitgevonden. Iets wat we alleen achteraf kunnen vaststellen. En het is dit inzicht waardoor hedendaagse individuen toch weer een beperkte autonomie toevalt: samen met anderen zijn we in staat, in het besef van de principiële voorlopigheid ervan, waarheden te praktiseren.

1966-1968: Tunis

Na de opstanden van mei 1968, die Foucault niet meemaakte omdat hij in Tunis gasthoogleraar was, keerde hij zich af van het marxisme. De Franse Communistische Partij, die de opstand niet steunde, was in zijn ogen een disciplinair instituut van de gevestigde orde. De tweedeling tussen arbeidersklasse en kapitaal, die in de marxistische traditie centraal staat, maakte in Foucaults werk plaats voor een 'microkosmos' van strijd: de arbeidersstrijd, het feminisme, de homo-emancipatie en andere gemarginaliseerde groepen.

1969- 1970: Hoogleraar aan de universiteit van Vincennes

In 1970 wordt hij hoogleraar aan het prestigieuze Collège de France.

In zijn rede L'ordre du discours van 1970 geeft Foucault een opsomming van de verschillende categorieën van uitsluitingsmechanismen en krijgt men een idee van de verleiding die van hen uitgaat.
De eerste categorie betreft de externe mechanismen. Zij laten zich aanduiden met op het oog heel gewone namen zoals: het verbod (niet alles is bespreekbaar), de tegenstelling tussen rede en waanzin (het spreken van de gek is ongeldig), waar en onwaar (wij hebben een zintuig voor het onderscheid tussen waar en onwaar).
Een tweede categorie wordt gevormd door de interne mechanismen: het commentaar, de auteur en de discipline. Zij hebben betrekking op het gebruik van de taal. De disciplinering van ideeën tot begrippen, die vervolgens door auteurs tot basis van het beschrijven van de werkelijkheid worden genomen en in het commentaar eindeloos worden herhaald, is de kern van de vertoning die wij wetenschap noemen.
Als het subject tenslotte ook gaat uitmaken wie het recht van spreken heeft, tekent zich de derde categorie uitsluitingsmechanismen af: de vertooggemeenschap, het ritueel, de doctrine en de sociale toeëigening van het vertoog.
De psychologie van de uitsluitingsmechanismen is dat zij het subject de waan der creativiteit toekennen. In feite zijn zij vereenvoudigingsmechanismen waarvan het resultaat een schepping wordt genoemd: door de werkelijke wereld te vertragen schept de mens zijn wereld.

1971: oprichting van GIP (Groupe d'information sur les prisons)
1972: mee aan de wieg van La Libération

II. Machtsanalyses (jaren ‘70)
Zijn werk politiseert en hij ontwikkelt zijn these over de disciplinerende machtswerkingen in Surveiller et punir (1975): het conventionele - liberale en marxistische - machtbegrip wordt in 'Discipline, Toezicht en Straf' onder vuur genomen en lichamelijkheid wordt een filosofisch thema.

Pas dan erkent Foucault publiekelijk zijn homosexuele geaardheid en analyseert hij de vertoogsmatige disciplinering ervan in het eerste deel van zijn Histoire de la sexualité (1976). In de twee volgende delen gaat Foucault terug naar de wortels van het sexualiteitsvertoog in onze cultuur: het klassieke Griekenland en de hellenistische wereld.

III. Ethiek van de zelfzorg (jaren'80)
In de jaren tachtig worden subjectkritiek en machtsanalyse op een ervaringsniveau herdacht: wat betekent het voor de ethische opstelling van individuen en hoe werken reflectie en creatie daarin door? Foucault ontwikkelt vanuit een analyse van Griekse en Romeinse 'zelfpraktijken' in 'Het gebruik van de lusten en De zorg voor zichzelf' (1984) de gedachte van een bestaansesthetica: een levensstijl waarin het kunstmatige gehalte van iedere definitieve zingeving wordt erkend en ethiek en esthetiek elkaar wederzijds bevruchten.

Foucault stierf in 1984 aan AIDS.

Foucault, filosofie en kunst
Vanaf het begin van zijn intellectuele carriére heeft Foucault belangstelling gehad voor kunstwerken en kunstpraktijken. Zijn het aanvankelijk Goya, Velasquez en 19e eeuwse literatoren die in zijn analyses opduiken, al snel wendt hij zich tot het surrealisme en komt Magritte in beeld. Daarnaast toont hij een affiniteit met het werk van Artaud en schrijft hij met name over Hölderlin en Flaubert. Over hedendaagse kunstpraktijken heeft hij zich niet systematisch uitgelaten. De toenemende verstrengeling van filosofie en kunst in zijn geschriften kan begrepen worden als een ontwikkeling die eigen is aan een vorm van filosoferen waarin verschillen het centrale oriëntatiepunt vormen.

Bronnen waaruit bovenstaand artikel is samengesteld:
https://www.filosofie.nl/michel-foucault.html
https://www.wereldsupporter.nl/nl/summaries/hoorcollegeaantekeningen-wetenschapsfilosofie-empirisme-rationalisme
http://www.uu.nl/wetfilos/bijsluiter/foucault.html
http://www.humanistischecanon.nl/humanismekritiek/foucault__m___de_woorden_en_de_dingen
http://www.humanistischecanon.nl/levenskunst/michel_foucault

Andere bronnen:
http://www.azioni.nl/text/michel-foucault-en-disciplinering/
http://www.canonsociaalwerk.eu/int/details.php?cps=15
http://www.vice.com/nl/read/het-grote-foucaultverzicht-2015-het-jaar-in-michel-foucault-782
https://www.boomfilosofie.nl/auteurs/select/auteur/17/Foucault
http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/assets/articles/articles_1570pdf.pdf
http://www.onderwijsfilosofie.nl/discipline-toezicht-en-straf/
http://www.marcschuilenburg.nl/_downloads/Michel%20Foucault.%20Biopolitiek%20en%20bestuurlijkheid.pdf?module=periodicals&periodical_id=30&issue_id=1445
https://www.bol.com/nl/c/boeken/michel-foucault/329748/index.html
http://www.kabk.nl/docu/Foucault.pdf
http://www.npo.nl/durf-te-denken/16-11-2012/VPWON_1175287


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 43.