kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 23-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Nederlandsche-Kultuurkamer

Nederlandsche Kultuurkamer

De Nederlandsche Kultuurkamer was een door de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog ingesteld instituut, waar iedereen die het vak van kunstenaar, schrijver, muzikant of podiumartiest wilde uitoefenen, zich bij diende aan te melden. Wie, zonder dat zijn aanmelding bij de Kultuurkamer was geaccepteerd, toch artistieke arbeid verrichtte, riskeerde een boete van ten hoogste f 5.000 (omgerekend naar de waarde in 2005 is dit € 29.500).

In Duitsland zelf was op 22 september 1933 de Reichskulturkammer opgericht door Joseph Goebbels, destijds "Reichsminister für Volksaufklärung und Propaganda".

De Nederlandsche Kultuurkamer moest vanzelfsprekend ten dienste staan van de nationaalsocialistische ideologie, met als trefwoorden: nationalistische instelling, verbondenheid met land en volk, historisch besef, uitbannen van alle ontaarde, ongezonde, onnatuurlijke creativiteit, een positief-Germaanse houding. Aanmeldingen door Joden (zij die twee of meer Joodse grootouders hadden) of 'Joods-vermaagschapte' personen (zij die met personen van Joodse afkomst getrouwd waren), werden in beginsel niet geaccepteerd, hoewel de president van de Kultuurkamer ontheffing van die bepaling mocht geven. De noodzaak van de Nederlandsche Kultuurkamer werd verwoord door haar president Goedewaagen: De nieuwe ordening, waar wij nu aan toe zijn, houdt in, dat de kultuurwerker weer een deel van het volk wordt. In nationaalsocialistische kring werd breed gevoeld dat de West-Europese kunstenaar na de Franse Revolutie steeds meer van zijn eigen volk vervreemd was geraakt. De kunstenaar was sindsdien zijn eigen weg gegaan, een weg die hem steeds verder wegvoerde van de volksgemeenschap. De Nederlandsche Kultuurkamer beoogde de kunstenaar terug te voeren naar die volksgemeenschap. Het Nederlandse overheidsbeleid sinds het midden van de 19e eeuw ten aanzien van de kunst was gebaseerd op Thorbeckes uitlating: 'Kunst is geen regeringszaak'. De nationaalsocialisten dachten daar anders over. Zij maakten kunst tot regeringszaak.

De Kultuurkamer werd op 25 november 1941 bij verordening door de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche Gebied, Seyss Inquart, in het leven geroepen. Zij zou bestaan uit 6 gilden:
. Filmgilde
. Gilde voor Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstambacht
. Gilde voor Theater en Dans
. Letterengilde
. Muziekgilde
. Persgilde

In de verordening waarmee de Kultuurkamer in het leven werd geroepen, stond dat de Kultuurkamer geacht werd te functioneren op het moment dat er twee gilden zouden zijn ingesteld. Dat bleek op 22 januari 1942 het geval te zijn. Op 30 mei 1942 volgde de officiële plechtigheid waarbij de Nederlandsche Kultuurkamer geopend werd verklaard. In de Haagse Stadsschouwburg hield de filosoof dr. Tobie Goedewaagen (secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten en president van de Nederlandsche Kultuurkamer) een redevoering.

De organisatorische structuur van de Kultuurkamer was volgens het 'leidersprincipe'. Onder in de piramide zaten de verschillende kunstenaarsverenigingen, vervolgens de gildestaf met een gildeleider, daarboven de administratieve afdelingen van de Kultuurkamer met een directeur (dr. G. Hoekstra), waar boven een zaakvoerend vicepresident en een eerste vicepresident (prof. J. de Vries) stond, en tot slot stond aan de top de president van de Kultuurkamer (dr. T. Goedewaagen). De leiders van de gilden waren:
. Gilde voor theater en Dans: Jan C. de Vos Jr.
. Letterengilde:
. Persgilde: Max Blokzijl
. Filmgilde: Jan Teunissen

De Kultuurkamer gaf vanaf januari 1942 een eigen tijdschrift uit: De Schouw.

Muziek
Later in de oorlog moest elk orkest beschikken over een goedgekeurd repertoire om in het openbaar op te mogen treden. Het moest lid zijn van de Kultuurkamer en moest een zogenaamde 'stijlvergunning' hebben. Hiermee werd het bijvoorbeeld onmogelijk Amerikaanse muziek uit te voeren.

Literatuur
Veel schrijvers weigerden lid te worden van de Kultuurkamer, en konden daarom hun werk tijdens de oorlog niet voortzetten. Enkele voorbeelden:
. De schrijver Jan de Hartog weigerde lid te worden van de Kultuurkamer. Zijn boeken mochten daardoor niet meer herdrukt worden.
. Ferdinand Bordewijk weigerde zich in aan te sluiten en mocht niet meer schrijven. Hij schreef echter toch door, onder het pseudoniem Emile Mandeau.
. Toen Adriaan Roland Holst zich bij de Kultuurkamer moest aanmelden deelde hij mee zich te schikken omdat dit nu eenmaal moest door de maatregelen van de bezetting, maar stelde daarbij dat 'Uw afkeuring van mijn lidmaatschap door mij op hoogen prijs zal worden gesteld'. Hij moest daarna onderduiken. Temeer daar hij een afschrift van het bovenstaande ook nog aan de Duitse autoriteiten stuurde met begeleidende brief waarin hij stelde dat het pas sinds kort duidelijk was dat "die sich vollziehende Veränderung von Cultuur in Kultur sich auf dem Wege von Polizeimaßnahmen durchsetzen würde. Als Westeuropäer fällt es nicht leicht, sich von diesen, sener Art fremden Auffässungen einem Begriff zu bilden".

In tegenstelling tot veel schrijvers meldden de meeste uitgevers zich wel voor de Kultuurkamer. Een krant die door bleef gaan was bijvoorbeeld De Telegraaf, die daarna uiteraard alleen maar de nazi-kant mocht belichten. In eerste instantie probeerde de hoofdredactie de pro-Duitse artikelen (geschreven door NSB-journalisten die bij de krant werkten) zoveel mogelijk naar de achterste pagina van de krant te dirigeren. Dit lukte aanvankelijk ook, maar uiteindelijk werden alle leden van de hoofdredactie door de nazi's uit de Telegraaf-redactie gewerkt. Wat overbleef was een volledig door de Duitsers gecontroleerde redactie en een pro-Duitse krant. In reactie daarop ontstonden verschillende illegale uitgeverijen, zoals De Bezige Bij.

Na de oorlog werd via een onderzoekscommissie aan een aantal Nederlandse auteurs een publicatieverbod van enkele jaren opgelegd. In deze commissie (de Eereraad voor de Letterkunde genoemd) zaten schrijvers als Martinus Nijhoff en Ferdinand Bordewijk.

Theater
Artiesten uit de amusementswereld probeerden zich over het algemeen niet aan aanmelding te onttrekken. Velen stonden zelfs positief tegenover de oprichting van de Kultuurkamer. Gedurende de jaren dertig was het aantal varietéartiesten in Nederland namelijk fors toegenomen. Onder de nieuwelingen bevonden zich veel personen wier vakbekwaamheid door hun collega's in twijfel werd getrokken. De Kultuurkamer werd onder andere opgericht onder het mom dat ze dergelijke 'beunhazerij' zou tegengaan.

Als verzachtende omstandigheid voor het gebrek aan verzet onder amusementsartiesten werd na de oorlog ook wel aangevoerd dat de meesten van hen het vak van artiest als enige broodwinning hadden. Ook zou het voor hen, door de lichtvoetige aard van hun kunst, eenvoudiger zijn geweest om zich verre van politieke stellingname te houden.

Wim Sonneveld verwoordde zijn motivatie na de bevrijding in een theatervoorstelling als volgt:

Ik heb altijd gewoon gedacht: als het publiek nog eens een ogenblik z'n misère-van-alledag-van-bonnen-en-oorlog-en-concentratiekampen vergeten kan, dan draagt het diezelfde misère de volgende dag een beetje gemakkelijker. Die twee dingen heb ik geprobeerd te combineren, Kultuurkamer of geen Kultuurkamer.
Het publiek scheen die opvatting te delen: oproepen in illegale verzetskrantjes om niet naar amusementsvoorstellingen te gaan hadden geen merkbaar effect. Onder de theaterartiesten die zich wél aan aanmelding onttrokken waren Fien de la Mar en Joop Doderer.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article Kultuurkamer. Rijksaankopen bij joodse en joods-verniaagschapte kunstenaars.
Fransje Kuyvenhoven

Fransje Kuyvenhoven (1956) is kunsthistoricus en wetenschapsjournalist. Zij is werkzaam bij het Instituut Collectie Nederland (ICN). Zij bereidt een dissertatie voor over de geschiedenis van de kunstcollectie van het Ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen en diens opvolgers (1932-1992).

Herinneringen aan de kunsten in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn veelal toegespitst op 'ontaarde' kunst, verboden componisten, lege musea, verplichte tentoonstellingen, kunst als propaganda en het al dan niet 'foute' lidmaatschap van de Kultuurkamer. Deze herinneringen zijn echter slechts een deel van de toenmalige realiteit. De rijksoverheid deed tijdens de oorlogsjaren op grote schaal aan kunstbevordering. Dat uitte zich in aankopen, opdrachten, subsidies, (reis)beurzen, (verkoop)tentoonstellingen en vele andere faciliteiten. Sterker nog, vergeleken met de jaren vóór de oorlog zijn de beeldend kunstenaars nooit op zo'n grote schaal ondersteund als tijdens de periode 1940-1945. Voorwaarde was wel dat men zich had aangemeld bij de Nederlandsche Kultuurkamer.
Om de Nederlandse geest in nationaal-socialistische zin te veranderen, hadden de Duitsers groot belang bij de sturing van de media en de kunsten. In 1940 werd het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen opgeheven en opgevolgd door het departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) en dat van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming (DOWC). Het hele terrein van de kunsten, en ook dat van voorlichting en propaganda werd door het DVK behartigd. Het departement stond onder leiding van dr. Tobie Goedewaagen (18951980), en was ingedeeld in tien afdelingen, waaronder Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid (BBK), onder leiding van Eduard Gerdes (1887-1945). Beide functionarissen waren voorstanders van de 'Nieuwe Orde'. Het DKV hield zich actief bezig met aankopen en opdrachten. De afdeling Beeldende Kunsten had hiervoor op de rijksbegroting in 1941 een budget dat vier maal groter was dan in 1940, oplopend tot tien maal dat budget in 1944.
Het Nederlandse volk moest in culturele zin worden opgevoed en het culturele leven weer 'gezond' gemaakt worden. Daarom zette Goedewaagen in 1941 naar Duits voorbeeld de Nederlandsche Kultuurkamer op, een koepelorganisatie voor iedereen die iets met kunst te maken had. Vanaf 1 april 1942 hadden kunstenaars de keus zich te melden of strafmaatregelen te ondergaan. Iedereen waarvan de Kultuurkamer vond dat het lidmaatschap voor hen van toepassing was, werd een aanmeldingsformulier toegezonden. De meeste kunstenaars retourneerden dit formulier. De openlijke dissidenten waren gering in getal; velen weigerden niet openlijk maar stuurden het aanmeldingsformulier niet terug. In de cartotheek blijken echter ook kaarten van joods-vermaagschapte kunstenaars en zelfs enkele 'voljoodse' kunstenaars te zijn opgenomen.
Men kon zich niet uit eigen beweging melden, maar moest wachten op toezending van het 'verzoek om aanmelding' (het zogeheten formulier 1), dat niet meer of minder was dan een lijst vragen over persoonlijke gegevens, beroepsopleiding, lidmaatschap van vakorganisaties, werkzaamheden, economische en sociale omstandigheden. Naar kerkelijke gezindte werd niet gevraagd. Van een definitief lidmaatschap met contributiebetaling is het nooit gekomen, het is dan ook niet juist om van een 'lidmaatschap' te spreken. Indien alleen de datum waarop de Kultuurkamer formulier 1 verzond op de registratiekaart is ingevuld, is er zelfs geen spraken van een aanmelding'. Opname in de cartotheek betekent niet dat men de ariërverklaring had ondertekend: beeldend kunstenaars kregen het 'jodenbriefje' pas maanden na de sluitingstermijn van verplichte aanmelding toegestuurd.
De toetredingsmogelijkheden werden in de genoemde Verordening nauwkeurig beschreven. 'Joden of joodsch-vermaagschapte personen kunnen niet lid zijn', maar in 'bijzondere gevallen' kon men toestaan dat een 'jood of een joodsch-vermaagschapte persoon' in de Kultuurkamer werd aangenomen. Men werd als jood beschouwd als men meer dan één joodse grootouder had. 'Joods-vermaagschapt' heette iemand die was gehuwd of 'in concubinaat' leefde met een jood. Deze laatste groep mocht een dispensatieverzoek mocht indienen. Het was de 'bloedinslag' die de doorslag gaf: een voljoodse partner betekende, uitzonderingen daargelaten, een afwijzing, een halfjoodse partner betekende toelating.
Het departement van Volksvoorlichting en Kunsten kocht steeds vaker werk van kunstenaars die positief tegenover de 'Nieuwe Orde' stonden. Een ijkpunt daarvoor was na april 1942 de aanmelding voor de Kultuurkamer. Toch blijken incidenteel aankopen te zijn gedaan bij kunstenaars die een 'Joodsch geval' waren of van wie de namen geheel ontbreken in de cartotheek. De aangekochte kunstwerken waren stilistisch gezien niet buitengewoon; het waren landschappen, stillevens, stadsgezichten en dieren in een figuratieve stijl, die de nieuwe ambtenaren bevallen zullen hebben. De overeenkomst tussen deze 'Joodsche gevallen' is dat zij volgens de Duitse rassenwetten alleen met speciale toestemming, de dispensatie, mochten toetreden tot de Kultuurkamer.
De Nederlandsche Kultuurkamer heeft in de praktijk niet gefunctioneerd zoals het de bedenkers ervan voor ogen heeft gestaan. In het begin kwam dat door de dwang waarmee de aanmelding gepaard ging en later door de bureaucratie, de chaotische werksfeer en de rivaliteit met het DVK. Diverse auteurs zien dit niet-functioneren tevens in het geringe aantal belangrijke kunstenaars dat zich wilde melden. Daarentegen oppert Blotkamp dat de hoeveelheid kunstenaars die zich wel aanmeldde ook iets zegt over het welslagen van de Kultuurkamer. Vele, vrijwel alle, kunstenaars waren bereid lid te worden van deze instelling. Dit blijkt niet alleen uit de geregistreerde aantallen, maar ook uit de moeite die men wilde nemen om zich te melden. Waarom zou een kunstenaar anders een dispensatieverzoek indienen, waarbij behalve het afstammingsonderzoek ook nog eens ken werd naar voldoende kwaliteiten op artistiek gebied?
Volgens De Jong was het beleid op gebied van jodenvervolging tot oktober 1943 volstrekt duidelijk en werd het gekenmerkt door strakheid en onbarmhartigheid. Op het gebied van kunstaankopen bij joodse kunstenaars volgde de rijksoverheid dit beleid geheel. Bij joods-vermaagschapte kunstenaars werd echter verschil in uitleg gegeven in de antisemitische regelgeving. Zo was het beleid van de Nederlandsche Kultuurkamer streng, bezien naar de voorwaarden waaronder een kunstenaar wel of niet mochten toetreden. Daarentegen was het beleid van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, te meten aan de houding bij bruiklenen, minder streng. Het departement van Volksvoorlichting en Kunsten was eveneens minder recht in de leer, getuige de kunstaankopen bij kunstenaars die nog geen dispensatie hadden. - (www.jong-holland.nl)


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 514.