kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30 12 2016 11:01 voor het laatst bewerkt.

neoliberalisme

Met de term neoliberalisme wordt verwezen naar de opleving van het economisch liberalisme die begon in de jaren tachtig, een radicalere en laissez-faire-achtige vorm van kapitalisme. Het richtte zich vooral op de privatisering van overheidsbedrijven, zoals het openbaar vervoer en de posterijen en telefonie. De politieke stroming gaat ervanuit dat de vrije markt in staat is zaken beter te regelen dan organisaties die door de overheid gestuurd worden. Binnen het neoliberalisme schuift de overheid dus meer taken af van zichzelf naar de markt (het bedrijfsleven).

De term 'neoliberalisme' dus niet naar een nieuwe ideologie (die komt namelijk overeen met die van het 19e eeuwse economisch liberalisme), maar verwijst naar het geleidelijke proces naar meer marktwerking van de laatste decennia.

Het neoliberale denken vond onder meer een inspiratiebron in het zeer individualistische libertarisme: "iedereen heeft de vrijheid te doen en laten wat hij wil, zolang hij geen geweld gebruikt om iemands persoon of eigendom aan te tasten (je kunt wel geweld gebruiken als verdediging tegen iemand die deze regel overtreedt)". Libertariërs streven naar zo veel mogelijk zelfbestuur en keuzevrijheid, met de nadruk op politieke vrijheid, vrijwillige samenwerking en een voorrang aan individuele oordelen. Bijgevolg zijn libertariërs voor een beperkte overheid en zo min mogelijk onvrijwillige belasting.

Ideologisch is het neoliberalisme schatplichtig aan de Chicago school of economics van de jaren zeventig. De Chicago school of economics bedrijft een neoklassieke school van denken binnen de academische gemeenschap van economen. De neoklassieke economie is een economische school met verschillende benaderingen die zich richten op het bepalen van prijzen, geleverde goederen en diensten en de inkomensverdeling in markten door middel van vraag en aanbod. De neoklassieke economie domineert de micro-economie en vormt samen met de Keynesiaanse economie de neoklassieke synthese, die de economische wetenschap al decennialang domineert.
In het kader van de macro-economie stonden de ideeën van de school van Chicago in contrast met die van de universiteiten aan de Amerikaanse oost- en westkust (met name Harvard, MIT, Berkeley).
De macro-economische theorie uit Chicago onderscheidde zich door het vanaf de jaren veertig tot jaren zeventig dominerende keynesianisme te verwerpen ten gunste van monetarisme.
In Keynes' theorie uit de jaren dertig kunnen de algemene tendensen op macro-economisch niveau het gedrag op micro-economisch niveau van individuen overheersen. In plaats van het economische proces, dat naar ononderbroken verbeteringen van de potentiële output streeft, en waarin de meeste klassieke economen al vanaf 1700 hadden geloofd, beweerde Keynes dat het belang van de gezamenlijke vraag naar goederen van zowel de overheid als de privésector, de drijvende factor van de economie was, vooral tijdens perioden van recessie. Vanuit dit standpunt debiteerde hij dat het overheidsbeleid zou worden gebruikt om de vraag op macro-economisch niveau aan te zwengelen, om hoge werkloosheid en deflatie te kunnen bestrijden, die in de jaren 30 voorkwamen.
Het monetarisme concentreert zich op de vraag en aanbod van geld, als een primaire manier waarop economische activiteit kan worden geregeld. Inflatie wordt bijvoorbeeld gezien als een verschijnsel dat optreedt als het aanbod aan geld groter is dan de vraag. Monetaristen kennen dan ook een grote rol toe aan het geld in het economisch verkeer. Zij zijn bang dat door de vergroting van de geldhoeveelheid de inflatie wordt aangewakkerd.
De Chicago school of economics richtte zich op de nieuw-klassieke macro-economie, die zich sterk baseerde op het concept van de rationele verwachtingen: verwachtingen van werknemers, consumenten en bedrijven over toekomstige economische omstandigheden. In deze theorie staat evenwicht centraal.

Het neoliberale proces is in Europa vooral vanaf de jaren '90 ingezet in bijna alle grote politieke stromingen. Zo wordt de term ook wel gebruikt om de liberalisering van socialisme en sociaal-democratie (bijvoorbeeld naar progressief liberalisme) aan te duiden.

Men kan betogen dat aspecten van het liberalisme als scheiding van kerk en staat en de vrijheid van het individu al volledig algemeen zijn geworden. In die zin kan neoliberalisme gezien worden als het laatste hoofdstuk van het proces naar een volledig liberaal-kapitalistische maatschappij. De Amerikaanse publicist Francis Fukuyama betoogde in zijn boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens dat wereldwijd een onvermijdelijk proces naar een liberaal-democratische maatschappij gaande is, nadat de grote ideologiën van de 20e eeuw hebben afgedaan.

Kenmerken van de overgangsproces naar een vrije markt
Vrije marktwerking is pas mogelijk als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Onderdelen van het overgangsproces van een door de staat richting een door de markt gestuurde economie zijn:
. Overgang van staatsbedrijven, zoals openbaar vervoer en energievoorzieningen, via verzelfstandiging (overheid als enige aandeelhouder) naar privatisering (verkoop van de aandelen).
. Opsplitsing van de te privatiseren organisatie in bijvoorbeeld netbeheerder en netgebruiker, zodat concurrentie mogelijk wordt.
. Het geleidelijk ontstaan van een markt met meerdere concurrerende bedrijven. Immers, het om te vormen staatsbedrijf opereerde veelal in een monopoliesituatie.
. Hervormingen van het arbeidsrecht en versoepeling van het ontslagrecht. 
Veel overheden hebben de afgelopen jaren veel van dergelijke processen op gang gezet, zoals in het geval van de energiebedrijven (splitsing), de privatisering van de spoorwegen en de post. Veel van de ingezette privatiseringen zijn overigens niet volledig uitgevoerd. Er zijn veelvuldige randvoorwaarden verbonden aan het geprivatiseerde eigendom.

Context
Veel van de argumenten voor de hervormingen tot liberalisme zijn gelegen in de internationale economie, de mondialisering en de opkomst van nieuwe economieën, zoals China en India. Hun snelle economische groei zou diepgaande hervormingen in de westerse landen noodzakelijk maken.

Essentieel in het politieke denken binnen het neoliberalisme is de vraag of, en in welke mate, marktwerking gestuurd moet worden. Dit kan middels actieve overheidsbeleidsturing, of door middel van markttoezichthoudende organisaties die alleen de elementaire voorwaarden voor marktwerking bewaken, zoals bijvoorbeeld het voorkomen van kartelvorming en prijsafspraken, en het onderhouden van een effectief vergunningenstelsel .

Politici
Het begin van de neoliberalistische golf is mogelijk de liberalisering van de Amerikaanse luchtvaart door de democratische president Jimmy Carter in de jaren '70. Carter werd hiertoe geinspireerd door theorieën van onder andere de econoom Milton Friedman. Tot bijna ieders verbazing nam de werkgelegenheid niet af maar toe, toen de overheid afzag van zijn bemoeienis en prijsbewaking.

Bekende neoliberale politici zijn Margaret Thatcher en Ronald Reagan. In Nederland worden vooral de namen van de premiers Ruud Lubbers (CDA, 1982-1994) en Wim Kok (PvdA, 1994-2002), en Frits Bolkestein (VVD), geassocieerd met het neoliberalisme. In België is premier Guy Verhofstadt(VLD, 1999- heden) een van de belangrijkste wegbereiders.

Het neoliberalisme, dat zich concentreert op economisch liberalisme, is te onderscheiden van het politiek liberalisme, dat uitgaat van een samenhangende visie op economie en maatschappij. Neoliberale politici hoeven niet van een liberale partij te zijn. Zo kunnen ook conservatieve partijen een neoliberale politiek voeren. Zoals voornoemde Thatcher, die leider van de Engelse conservatieven was. Maar ook sociaal-democratische politici voeren sinds de jaren 80 vaak een min of meer neoliberaal beleid.

Kritiek
Belangrijkste kritiek op het neoliberalisme is dat de markt niet zorgt voor de zwakkeren in de samenleving. Het overgrote deel van de liberalen erkennen echter dat er dan ook een taak ligt voor de overheid in de herverdeling van middelen (een sociaal vangnet). Zij menen dat de maatschappij als geheel het meest gediend is bij economische groei en vooruitgang, en dat de markt deze het beste tot stand brengt. De markt zorgt volgens liberalen immers voor de meest efficiënte allocatie van middelen.

Een ander punt van kritiek op het neoliberalisme is dat het bedrijfsleven geen wettelijk vastgelegde democratische controle kent. Dit in tegenstelling tot de overheid, die wel een (indirecte) democratische controle kent of behoort te hebben. De liberalen brengen hier tegen in dat de burger als consument een veel directere en omvangrijkere invloed heeft op de markt door zijn keuzevrijheid om producten en diensten af te nemen, dan op de centralistische politieke besluitvorming.

Een terugtredende overheid veroorzaakt politieke desinteresse. Een overheid die alleen maar toezichthouder op afstand wil zijn op veel aspecten van de samenleving wordt technocratisch en oninspirerend gevonden. De burgers zullen zo'n overheid als afstandelijk beschouwen en het vertrouwen in de politici verliezen. De liberalen menen juist dat een overheid die zich beperkt in zijn taken geloofwaardiger en betrouwbaarder wordt. Een efficientere overheid kweekt draagvlak. En dat een kleiner en overzichtelijk georganiseerd overheidsapparaat beter door democratische politiek is aan te sturen.

Het is niet aangetoond dat marktwerking in elke soort organisatie en sector kan werken. De markt van consumentenartikelen of voedseldistributie etc. is een overzichtelijk systeem waar de belangen van de economische partijen makkelijk in elkaars verlengde kunnen liggen. Men suggereert dat de producten en diensten op lange termijn steeds beter en goedkoper worden, terwijl winsten en werkgelegenheid toenemen. Het is maar de vraag of die situatie ook voor andere sectoren te creëren valt.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 231.