kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Ottomaanse-Rijk

Istanbul

Van Byzantium via Constantinopel naar Istanbul
Istanbul is misschien niet de oudste stad van de wereld, maar zeker een van de meest spectaculaire, met haar rijke geschiedenis en de prachtige ligging aan de oevers van de Gouden Hoorn, de Zee van Marmara en Bosporus. Hoewel de stad tegenwoordig evenveel inwoners telt als Nederland, begon het ooit als het kleine provinciestadje Byzantion, gesticht in 650 v.Chr. Het werd van stad een metropool, nadat keizer Constantijn de Grote het tot hoofdstad van zijn rijk maakte (begin 4de eeuw). Ook gaf hij zijn naam eraan: Konstantinoupolis. Sommige van de monumentale gebouwen uit die periode zijn nog altijd te bewonderen, zoals de Hagia Sophia, de grootste kathedraal uit de middeleeuwen, gewijd in 563, en later veranderd in de Aya Sofya Moskee.

De stad en het Byzantijnse Rijk raakten vanaf de 13de eeuw in verval. Kruistochten, oorlogen, plunderingen – de stad kwam deze rampen niet meer te boven. De handel liep terug, mensen trokken weg en de stad brokkelde langzaam af. In diezelfde eeuw ontstond aan de oostelijke horizon een heel andere dreiging: die van de 'Turken'. Zij waren een van de steppevolkeren uit Centraal-Azië die langzamerhand hun machtsterrein uitbreidden. Met name de dynastie van Osman wist haar macht te vergroten ten koste van de Byzantijnen en de aangrenzende islamitische rijkjes. Aan het eind van de 15de eeuw hadden de Ottomanen het hele Byzantijnse Rijk bezet, met uitzondering van Constantinopel. Op 28 mei 1453 veroverde Mehmed de Veroveraar eindelijk de stad. Constantinopel was gevallen, en werd omgedoopt tot Istanbul (afgeleid van de Griekse benaming eis tèn polin = naar de stad). Hiermee kwam ook een einde aan het Byzantijnse rijk.

De Ottomanen: 700 jaar heerschappij
Bakermat van de Ottomaanse dynastie was Bursa (nu West-Turkije), de centrale stad in het kleine vorstendom gesticht door Osman I (?–1324), de eerste heerser van de Ottomaanse dynastie. In anderhalve eeuw ontwikkelde deze dynastie zich tot de machtigste van de regio. Aan het eind van de 14de eeuw strekte het Ottomaanse Rijk zich al uit van de Donau tot aan de Tigris. Na de verovering van Constantinopel zou het Ottomaanse Rijk nog verder uitgroeien tot een van de grootste uit de geschiedenis, en dat gedurende zeven eeuwen. De uitgestrektheid van het rijk is legendarisch, maar de veroveringsdrang van de Ottomanen en het gegeven dat ieder verworven gebied een islamitisch bestuur kreeg, bezorgde het Ottomaanse rijk een slechte naam bij de bedreigde christelijke staten in het Westen. Toch kenmerkt het rijk zich door een grote diversiteit aan volkeren en door een tolerante houding van het Ottomaanse bestuur ten opzichte van joden en christenen. Deze religieuze minderheden genoten wettelijke bescherming en kenden een vorm van beperkt zelfbestuur. Vergeleken met het feodale Byzantijnse bestuur was dat van de Ottomanen van begin af aan bijzonder mild, wat onder de bevolking algemeen bekend was. Men leefde liever onder rechtvaardig islamitisch bestuur dan te worden uitgezogen door onbetrouwbare christelijke heersers. Dit gebrek aan loyaliteit ten opzicht van de christelijke vorsten was cruciaal voor de succesvolle expansie van het jonge Ottomaanse Rijk.

In het begin van de 16de eeuw werd het rijk enorm uitgebreid toen het Mammelukse Rijk door sultan Selim I (regeerde van 1512–1520) onder de voet werd gelopen. Deze verovering zorgde ervoor dat de drie heiligste steden van de islam, Mekka, Medina en Jeruzalem, onder Ottomaanse controle kwamen. Hierna drong de beroemdste Ottomaanse sultan Süleyman de Grote door tot Hongarije en belegerde zelfs Wenen in 1529. De regeringsperiode van Süleyman, van 1520 tot 1566, wordt gezien als het hoogtepunt van de Ottomaanse macht, met een grote bloei op het gebied van architectuur, kunst, muziek, economie en wetgeving.

De Turken gaven de strijd om de Balkan en Midden-Europa niet op en in 1683 stond het Ottomaanse leger wederom voor de poorten van Wenen. Net als in 1529 mislukte het beleg, maar ditmaal luidde de nederlaag het verval van het Ottomaanse Rijk in. Inflatie, normvervaging, incapabele sultans en omkoping waren oorzaken van een neerwaartse ontwikkeling. De elitetroepen van de janitsaren, die de Ottomaanse strijdmacht aanvoerden, begonnen met het afzetten van hun onwelgevallige sultans. De janitsaren werden in plaats van de schrik van de slagvelden een plaag voor het landsbestuur. De onmacht van het hof was van invloed op de loyaliteit van talloze lokale bestuurders in het immense rijk, wat leidde tot een voortdurend gebiedsverlies.

Terwijl de Ottomaanse staat in de volgende eeuwen als het ware decentraliseerde, vond in de Europese landen juist een omgekeerde ontwikkeling plaats. Landen als Oostenrijk en Rusland drongen de Ottomanen steeds verder terug. Na elke crisis moesten de Ottomanen beloven tot hervormingen over te gaan. Met horten en stoten begon de staat te moderniseren, doorgaans gebaseerd op uitwerkingen van westers denken. Ook de Ottomaanse sultans deden hier aan mee: het hof werd ook gemoderniseerd. De dynastie verliet in 1853 na 400 jaar het Topkapi Paleis en trok in het splinternieuwe, moderne Dolmabahce Paleis aan de Bosporus.

Ondertussen kostte de ambitieuze moderniseringspolitiek, met nieuwe investeringen als spoorwegen, havens en wegen, de overheid een fortuin. Het mondde zelfs uit in een bankroet van de staat in 1875. Behalve door de financiële noodsituatie werd het voortbestaan van het rijk ondermijnd door allerlei opstandige volkeren: Grieken, Bulgaren, Serviërs en veel anderen verlieten het staatsverband. Als tegenreactie probeerde de overheid bij de bevolking een eigen nationalisme te stimuleren, het zogenaamde 'Ottomanisme'. Het nationalisme van de eigen groep sprak echter meer aan, zowel onder de Turken als onder andere bevolkingsgroepen als Arabieren, Albanezen en Koerden. Na de staatsgreep in 1908 tegen sultan Abdülhamid leek het land nog een opleving door te maken, maar al snel bleken de idealisten van het eerste uur zich te ontpoppen tot dictators. Toen deze junta in 1914 besloot om deel te nemen aan de Eerste Wereldoorlog aan de zijde van Oostenrijk en Duitsland, was het lot bezegeld. In 1918 waren alle Arabische gebieden al verloren en volgde de verdere verdeling van heel Anatolië. De opstand tegen deze gang van zaken onder leiding van de generaal Mustafa Kemal Pasja, beter bekend als (president) Atatürk, mondde uit in de stichting van de republiek Turkije in 1923 met als nieuwe hoofdstad Ankara. Een jaar daarvoor was de laatste Ottomaanse sultan, Mehmed VI, afgezet en verbannen naar het buitenland. Daarmee kwam een einde aan een van de langdurigste heerschappijen van een dynastie, de Ottomanen.

Istanbul: centrum van de macht en brug tussen Oost en West
Na de verovering door de Ottomanen in 1453 werd Istanbul het centrum van het machtige Ottomaanse Rijk. De stad groeide weer snel, stadsmuren werden hersteld, nieuwe huizen, moskeeën, scholen en ziekenhuizen verrezen. Op de landtong die de Zee van Marmara van de Gouden Hoorn scheidt, werd begonnen met de bouw van het nieuwe ('Topkapi') paleis, op de resten van de voormalige Byzantijnse akropolis. Dit paleis bleef de residentie van de Ottomaanse sultans en hun hof tot in de 19de eeuw. De sultans zagen er bovendien op toe dat er belangrijke publieke instellingen werden gebouwd die onontbeerlijk waren voor de stad zoals de nog bestaande Grote Bazaar, badhuizen en winkels.

De stad werd bevolkt door moslims, Grieken, joden, Armeniërs en zigeuners. Aan de overkant woonden de Europeanen, in de voormalige Genuese vestiging Galata. Rond 1600 schatten westerse waarnemers dat de stad al meer dan 1 miljoen inwoners telde. Een groot gedeelte van de inwoners bestond uit janitsaren en hofpersoneel. Hun aandeel groeide van 13.000 in 1475 tot 100.000 (!) in 1669.

Istanbul was ingericht als islamitische stad. Karakteristiek hiervoor is de indeling in een groot aantal wijken (mahalles) gebouwd rond een lokale moskee. De drie grote centrale moskeeën (de Aya Sofya, de Süleymaniye en de Blauwe Moskee) waren meer dan een wijkcentrum. Ze hadden belangrijke ceremoniële functies en domineerden (zoals ook nu) het stadssilhouet van het oude Istanbul. Andere belangrijke punten in de stad waren de badhuizen, mausolea, scholen en de kloosters van de derwisjen. In 1871 telde Istanbul 284 islamitische wijken, 24 Griekse, 14 Armeense en 19 joodse wijken.

De bazaar
De belangrijkste markt van de oudste stad is de Grote Bazaar. Al in 1456 werd besloten tot de bouw van een bedestan, het centrale stenen gebouwencomplex van de markt. In de loop van de 15de en 16de eeuw verrezen daar omheen meer dan duizend winkels en werkplaatsen. Deze straten werden weer overkapt, wat leidde tot het huidige complex met zijn dertig toegangspoorten. Een onderdeel van de Grote Bazaar was de Boekenbazaar, met een zestigtal boekwinkels en leesbibliotheekjes. Vlakbij werd in de 17de eeuw de tweede belangrijke bazaar opgericht, de Egyptische markt, waar voornamelijk specerijen en kruiden werden en worden verhandeld. Naast deze grote bazaars bestonden er in Istanbul talloze kleine markten en bedestans. Daar vond ook de slavenhandel plaats. Istanbul was tot ver in de 19de eeuw een belangrijk centrum van deze handel.

Het koffiehuis
'Ik ken niets genoeglijkers dan een kopje mokka te slorpen in een turksch koffiehuis.'
Marius Bauer, schilder, 1896

Koffie bereikte Istanbul vanuit Jemen in het midden van de 16de eeuw. Het was een groot succes en al spoedig werden de koffiehuizen de belangrijkste centra van het publieke leven in de stad. Ze waren er in allerlei gradaties: weelderig en comfortabel voor de rijken, kaal en armetierig voor de armen. En er waren koffiehuizen voor moslims en niet-moslims, voor Grieken, Perzen of voor bepaalde beroepsgroepen zoals de janitsaren. Net als bij tabak waren de meningen over de koffiehuizen verdeeld. Conservatieve geestelijken hekelden de nieuwlichterij, anderen waren weer bang voor samenscholingen en complotten. Het koffiehuis bleef onverminderd populair, tot op de dag van vandaag.

Het badhuis
Een andere instelling voor ontspanning en genot was de hamam, het publieke badhuis. Een erfenis van de Romeinen en Byzantijnen die de moslims van harte overnamen. Al snel na de verovering van Constantinopel bouwden de Ottomanen de eerste badhuizen, soms op de ruïnes van Byzantijnse voorgangers. Ook de sultans lieten deze badhuizen bouwen, vaak door hun eigen architecten. In de 16de eeuw telde Istanbul al 150 badhuizen. Net als het koffiehuis speelde het badhuis een belangrijke rol in het sociale leven.

Houten villa's
Buiten de muren van de alsmaar uitdijende en voller wordende stad verrezen langs het water van de Gouden Hoorn en de Bosporus prachtige houten villa's met botenhuis en aanlegsteiger, de yali's. Hoewel ze van buiten dikwijls onopvallend waren, was het interieur van een weelderige overdaad, met kostbare tapijten, kunstig gesneden houtwerk en comfortabele divans. De villa's werden bewoond door de bestuurlijke elite en werden gebruikt als zomerhuis, voor feestelijk bijeenkomsten, huwelijken en jachtpartijen. Onder invloed van de westerse mode veranderde in de 19de eeuw ook het uiterlijk van de villa's en verschenen her en der elegante gebouwen met beeldhouwwerk en tierelantijnen. Vele van deze yali's zijn nu nog te bewonderen langs de Bosporus.

Begraafplaats
'Stamboel is bedolven onder graven. Men houdt ervan. Ze liggen tot in de binnenplaatsen van de huizen...'. Le Corbusier, 1911

De buiten de stad in dalen en tegen heuvels aangelegde begraafplaatsen waren een favoriete bestemming voor dagjesmensen. Het gevoel van melancholie, verval en verlatenheid werd nog gestimuleerd door het feit dat de grafstenen chaotisch door elkaar stonden, zonder zichtbare ordening. De zerken van de mannen worden traditioneel door een gehouwen tulband bekroond, bloemen of een sjaal markeerden die van de vrouwen.

De moskee
Hoewel de Turken van oorsprong geen moslims zijn, hadden voorvaderen van de eerste sultan, Osman, de soennitische islam omhelst. Met de expansie van het rijk groeide het in de 16de eeuw uit tot een van de machtigste en belangrijkste islamitische staten uit de geschiedenis. Symbool van deze macht waren de drie grote moskeeën, de Aya Sofya, de Blauwe Moskee en de Süleymaniye, die nog steeds het panorama van de stad domineren. Deze grote moskeeën waren een onderdeel van een conglomeraat van gebouwen, binnenplaatsen, tuinen en promenades. In de bijgebouwen huisden religieuze scholen, hospitalen, gaarkeukens, wasinrichtingen en soms een apart badhuis.

De tekke
Binnen de Ottomaanse islam was er niet alleen een nadruk op formele regels en handelingen, maar ook grote aandacht voor het ondoorgrondelijke en mystieke. Het stedelijk landschap werd daarom ook bepaald door honderden tekkes, gebouwen waarin praktiserende mystici (soefi's of derwisjen) bijeenkwamen voor studie en contemplatie, om zich vervolgens te verliezen en op te gaan in het goddelijke. De meest gangbare vorm hiervoor was het beoefenen van zikir (het eindeloos herhalen van de naam van Allah), het beroemde rondwervelen en zelfkastijding. Om in een roes te geraken werd ook gebruikgemaakt van muziek, wierook, alcohol en ander verdovende middelen. Tot in het begin van de 20ste eeuw waren bijna alle Ottomaanse mannen lid van een soefigenootschap, de sultans niet uitgezonderd.

De bibliotheek
In het Ottomaanse Rijk was het Turks de dominante taal, als spreektaal en in schriftelijke vorm voor de bureaucratie en het literaire en wetenschappelijke bedrijf. Het Arabisch bleef de taal voor religieuze en wetteksten, terwijl het Perzisch vooral een belangrijke rol speelde in de mystieke dichtkunst. Papier was echter kostbaar en slechts weinig mensen konden zich de kostbare boeken veroorloven. Dankzij de dalende papierprijzen verschenen er in de 17de en 18de eeuw openbare bibliotheken in Istanbul. Boeken van voor 1800 bevatten handgeschreven teksten en miniaturen en waren meestal in opdracht vervaardigd voor de Topkapi-bibliotheek of voor een privé-bibliotheek van zeer vermogende ministers of kooplieden.

Het leven in het Topkapi Paleis
De Ottomaanse sultans bezaten politieke macht, waren opperbevelhebber én religieus leider. Een autocratisch staatshoofd, zeker, maar niet de oosterse despoot waarvoor zij door veel westerse leiders werden uitgemaakt. Hun macht werd namelijk ingeperkt door de sharia, de Heilige Wet van de islam. Ze werden in de islam gezien als de opvolgers van de profeet Mohammed.

Na de verovering van Istanbul in 1453 bouwde sultan Mehmed II een paleis op de landtong waar de Bosporus en de Gouden Hoorn samenkomen. Hier werd zo'n 60 hectare grond voor vrijgemaakt. Het enige bouwwerk dat bleef staan, was de oude Byzantijnse kerk van de Heilige Irene, die voortaan dienst zou doen als arsenaal van het paleis. Het paleiscomplex bestaat niet uit één monumentaal gebouw, maar uit een aaneenschakeling van grote en kleine gebouwen, tuinen, binnenpleinen en poorten. Door de Keizerlijke Poort betreedt men de buitenhof, of de eerste binnenplaats. Op deze binnenplaats bevinden zich instellingen als de ziekenboeg, magazijnen, paardenstallen en slaapzalen. Vervolgens komt de tweede binnenplaats, toegankelijk via de Middenpoort, voor een select aantal personen. Dit brede plein wordt afgesloten door de keukens van de serail. Tegenover staat de zittingszaal van de divan (raad van state). Hier vonden allerlei indrukwekkende ceremoniële gelegenheden plaats, zoals de soldijbetaling aan het elitekorps van janitsaren en de audiënties van buitenlandse ambassadeurs. De monarch nam dan plaats op zijn troon in de troonzaal direct achter de Poort van het Geluk, de toegang tot zijn privé-vertrekken. De sultan ontving de vreemdelingen dus op de grens van zijn openbare en particuliere bestaan.

Nederlanders aan het hof
De oudste betrekkingen tussen Nederland en Turkije dateren uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog. De handel op de 'Levant', het oostelijke Middellandse Zeegebied, verplaatste zich van Antwerpen naar de havens in het Noorden. Vanaf de 17de eeuw waren de Turken dan ook te vinden op de Amsterdamse koopmansbeurs. De handelscontacten werden uitgebreid en in 1611 vertrok de eerste ambassadeur, Cornelis Haga, naar Istanbul. Hij vestigde zich in de Europese wijk, in een paleis op de plaats waar tegenwoordig nog steeds het ambassadepaleis staat. Nederland heeft sindsdien goede betrekkingen met Turkije onderhouden. Een lange reeks van ambassadeurs en consuls in Istanbul, Ankara en veel andere handelscentra heeft daarvoor zorggedragen. In 1924 werd een nieuw vriendschapsverdrag gesloten tussen Ankara, de nieuwe hoofdstad, en Den Haag. Een voorname rol op de ambassades en consulaten werd gespeeld door de dragomans. Zij waren deskundig op het gebied van Ottomaans recht en gebruiken en waren essentiële sleutelfiguren in het diplomatieke verkeer met het Ottomaanse hof.

In het hart van het paleis
Bij hoge uitzondering kon de grootvizier, het hoofd van de regering, en de grootmoefti, het hoofd in de islamhiërarchie, door de Poort van het Geluk de tweede binnenplaats betreden. Het hof daarachter vormt het besloten gedeelte van het paleis met de privé-verblijven van de sultan en zijn familie en hun 400 hovelingen. Ook dit deel van het gebouw bestond uit talloze kamers, paviljoens, tuinen en binnenplaatsen. Verschillende sultans bouwden in de loop van de eeuwen paviljoens en andere gebouwen bij. Vele malen werd herbouwd wat door brand was verwoest. Belangrijkste onderdeel van het privé-paleis was het vrouwenverblijf, de harem.

De harem
Dit gedeelte van het paleis was niet het lustoord zoals zo vaak in westerse bronnen is beschreven en afgebeeld. Westerlingen werd bij zeer hoge uitzondering toegang verleend. Het gros van de westerse vermeldingen berust dan ook fictie. Dit deel van het paleis was een strak georganiseerd en geordend geheel en het exclusieve domein van de vrouwen en hun bewakers, de zwarte eunuchen. Aan het hoofd van de harem stond de valide sultan, de moeder van de regerende sultan. Een vrouw begon haar carrière in de harem als dienstmaagd om vervolgens op te klimmen tot leerlinge, gezellin en meesteres. Uit de laatste groep koos de sultan zijn bedgenotes. Favorieten van de sultan werden aangeduid als has odalik (vergelijk L'Odalisque van Ingrès). Zij kregen hun eigen huishouden binnen de harem. De vrouwen waren van vreemde herkomst, omdat het islamitisch recht verbood om vrijgeboren moslims tot slavernij te brengen. Onder hen waren soms buitgemaakte vrouwen uit de Venetiaanse of Genuese adel of van andere aanzienlijke komaf. De meeste vrouwen verlieten de harem weer na kortere of langere tijd. Bij de dood van de sultan kwamen alle kinderloze concubines vrij. De nabestaande vrouwen en favorietes met kinderen werden naar het zogenaamde Oude Paleis gebracht, waar ze vaak werden uitgehuwelijkt aan hooggeplaatste personen binnen het land. .


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 343.